Hoofdstuk 15

Vetten en olien (dierlijke en plantaardige) en dissociatieproducten daarvan; bewerkt spijsvet; was van dierlijke of van plantaardige oorsprong

1
Toelichting IDR

A. Dit hoofdstuk omvat:

1. vetten en oliën van dierlijke of van plantaardige oorsprong, in ruwe staat, dan wel gezuiverd, geraffineerd of op een bepaalde wijze behandeld (bijvoorbeeld gekookt, gezwaveld, gehydrogeneerd);

2. bepaalde uit vetten of oliën verkregen producten en in het bijzonder sommige dissociatieproducten van oliën en vetten (bijvoorbeeld ruwe glycerol);

3. bereide vetten en oliën voor menselijke consumptie, zoals margarine;

4. was van dierlijke of van plantaardige oorsprong;

5. afvallen afkomstig van de bewerking van vetstoffen of van dierlijke of plantaardige was.

Met uitzondering van spermolie en jojobaolie, zijn de dierlijke en plantaardige vetten en oliën esters van glycerol met vetzuren, in het bijzonder van palmitinezuur, stearinezuur en oliezuur.

Vetstoffen zijn vast of vloeibaar, maar alle zijn zij lichter dan water. Aan de lucht blootgesteld worden zij na kortere of langere tijd ranzig, zulks tengevolge van de daarbij optredende hydrolyse en oxidatie. Bij verhitting ontbinden zij en verspreiden een scherpe en prikkelende reuk. Zij zijn alle onoplosbaar in water, maar geheel oplosbaar in zwavelether, zwavelkoolstof, tetrachloorkoolstof en benzine. Ricinusolie is oplosbaar in alcohol, maar de andere dierlijke of plantaardige vetten en oliën zijn slechts weinig oplosbaar in alcohol. Vetstoffen laten op papier een blijvende vlek achter.

Triglyceriden zijn verzeepbaar, dat wil zeggen dat zij kunnen worden gesplitst (verzeept), hetzij in een alcohol (glycerol) en vetzuren, onder inwerking van oververhitte stoom, van verdunde zuren, van enzymen of van katalysatoren, hetzij in een alcohol (glycerol) en alkalische zouten van vetzuren (zeep), onder inwerking van alkalische oplossingen.

Onder de posten 15.04 en 15.06 tot en met 15.15 vallen eveneens de fracties van de in die posten genoemde oliën en vetten, voor zover zij niet elders in de nomenclatuur meer specifiek zijn omschreven (bijvoorbeeld spermaceti onder post 15.21). De voornaamste methoden voor het fractioneren zijn:

a. droogfractioneren, waaronder vallen het persen, het decanteren, het filtreren en het winteriseren (koelen);

b. fractioneren met behulp van oplosmiddelen;

c. fractioneren met behulp van tensioactieve stoffen.

Door fractioneren wordt de chemische structuur van de vetten en oliën niet gewijzigd.

Onder voorbehoud van de uitzonderingen in Aantekening 1 IDR op dit hoofdstuk, blijven vetten en oliën of fracties daarvan, onder dit hoofdstuk ingedeeld, ongeacht het gebruik, waarvoor zij bestemd zijn: voor voedingsdoeleinden of voor industriële doeleinden (zoals de vervaardiging van zeep, kaarsen, smeermiddelen, vernis en verf).

Dierlijke en plantaardige wassen bestaan uit esters van bepaalde vetzuren (palmitinezuur, cerotinezuur, myristinezuur) met bepaalde alcoholen andere dan glycerol (bijvoorbeeld cetylalcohol). Zij bevatten ook een bepaalde hoeveelheid vrije vetzuren en vrije alcoholen, alsmede koolwaterstoffen.

Wassen produceren geen glycerol wanneer zij gehydrolyseerd worden en, in tegenstelling tot vetten, geven wassen bij verhitting geen scherpe en prikkelende reuk af en worden zij niet ranzig; zij zijn in de regel harder dan vetten.

B. De posten 15.07 tot en met 15.15 van dit hoofdstuk omvatten in die posten genoemde, niet vermengde, plantaardige vetten en oliën (dat wil zeggen niet vermengd met vetten en oliën van een andere soort) alsmede de fracties daarvan, ook indien geraffineerd doch niet chemisch gewijzigd.

Plantaardige vetten en oliën zijn in de natuur zeer verspreid en worden aangetroffen in de cellen van bepaalde plantendelen (onder andere in de zaden en vruchten), waaruit ze worden gewonnen door persen of slaan of door extraheren met oplosmiddelen.

De plantaardige vetten en oliën bedoeld bij deze posten zijn vetten en vette oliën, dat wil zeggen vetten en oliën, die moeilijk kunnen worden gedistilleerd zonder daarbij te ontleden. Zij zijn niet vluchtig en worden derhalve niet meegevoerd door oververhitte stoom, maar worden daardoor wel ontbonden (verzeept).

Plantaardige vetten en oliën zijn, behoudens uitzonderingen (bijvoorbeeld jojobaolie), mengsels van glyceriden. Plantaardige vetten zijn overwegend samengesteld uit glyceriden die bij kamertemperatuur vast zijn (bijvoorbeeld esters van palmitinezuur en stearinezuur), terwijl plantaardige oliën overwegend bestaan uit glyceriden die bij kamertemperatuur vloeibaar zijn (bijvoorbeeld esters van oliezuur, linolzuur, linoleenzuur).

Deze posten hebben betrekking zowel op ruwe oliën en vetten en fracties daarvan, als op oliën en vetten, die zijn gezuiverd of geraffineerd, zulks door klaren, wassen, filtreren, ontkleuren, neutraliseren of ontzuren, ontgeuren, enz.

De bijproducten die verkregen worden bij het zuiveren en raffineren van oliën zoals droesem of bezinksel en soapstock, worden ingedeeld onder post 15.22. De zogenaamde raffinagevetzuren of acid-oils die verkregen worden door soapstock met behulp van een zuur te splitsen, worden ingedeeld onder post 38.23.

De vetten en oliën bedoeld bij deze posten worden niet uitsluitend gewonnen uit de oliehoudende zaden en vruchten bedoeld bij de posten 12.01 tot en met 12.07, maar ook uit plantaardige voortbrengselen die onder andere posten vallen; als voorbeelden van deze laatste groep kunnen worden aangehaald: olijfolie, oliën uit perziken-, abrikozen- en pruimenpitten bedoeld bij post 12.12, oliën uit amandelen, walnoten, pingels, pimpernoten, enz. bedoeld bij post 08.02 en tarwekiemolie.

Onder de posten 15.07 tot en met 15.15 worden niet ingedeeld al dan niet voor menselijke consumptie geschikte mengsels of bereidingen, of plantaardige vetten en oliën die chemisch zijn gewijzigd (post 15.16, 15.17 of 15.18, tenzij zij het karakter hebben van producten die elders worden ingedeeld, bijvoorbeeld in de posten 30.03, 30.04, 33.03 tot en met 33.07, 34.03). Algemene opmerkingen.

2
Toelichting EG

Met het begrip ‘industrieel gebruik’ in de zin van de onderverdelingen van hoofdstuk 15 waarin dit begrip wordt gebruikt, wordt uitsluitend een gebruik bedoeld waarbij het basisproduct wordt verwerkt.

Daarentegen houdt het begrip ‘technisch gebruik’ waarnaar een aantal onderverdelingen ook verwijst, een dergelijke verwerking niet in.

Bewerkingen zoals reinigen, raffineren of hydrogeneren vallen niet onder de begrippen ‘industrieel gebruik’ en ‘technisch gebruik’.

Voor menselijke consumptie geschikte producten kunnen eveneens worden gebruikt voor technische of industriële doeleinden.

Tot de onderverdelingen van dit hoofdstuk die uitsluitend de producten omvatten die bestemd zijn voor ander technisch of industrieel gebruik dan voor de vervaardiging van producten voor menselijke consumptie, behoren de oliën en vetten die bestemd zijn voor de vervaardiging van producten voor diervoeding. Algemene opmerkingen.

1 Aantekeningen IDR

1 (1).

Dit hoofdstuk omvat niet:

a. spek, varkensvet en vet van gevogelte, bedoeld bij post 02.09;

b. cacaoboter, cacaovet en cacao-olie daaronder begrepen (post 18.04);

c. bereidingen voor menselijke consumptie, bevattende meer dan 15 gewichtspercenten producten bedoeld bij post 04.05 (in het algemeen hoofdstuk 21) (3);

d. kanen (post 23.01) en afvallen bedoeld bij de posten 23.04 tot en met 23.06;

e. vetzuren, bereide was, tot farmaceutische producten, verf, vernis, zeep, parfumerieën, toiletartikelen of cosmetische producten verwerkte vetstoffen, gesulfoneerde olie en andere producten bedoeld bij afdeling VI;

f. uit olie verkregen factis (rubbersurrogaat) (post 40.02).

1
Toelichting IDR

Van dit hoofdstuk zijn evenwel uitgezonderd:

a. spek (ander dan doorregen spek) alsmede varkensvet en vet van gevogelte, niet gesmolten noch anderszins geëxtraheerd, bedoeld bij post 02.09;

b. boter en ander melkvet (post 04.05); zuivelpasta’s bedoeld bij post 04.05;

c. cacaoboter, cacaovet en cacao-olie (post 18.04);

d. kanen (post 23.01), perskoeken, en andere bij de winning van plantaardige oliën overblijvende afvallen (post 23.04 tot en met 23.06). Droesem of bezinksel blijft onder hoofdstuk 15 ingedeeld;

e. vetzuren, bij raffinage verkregen acid-oils, vetalcoholen, glycerol (andere dan ruwe), bereide was, vetstoffen die verwerkt zijn tot farmaceutische producten, verf, vernis, zeep, parfumerieën, toiletartikelen of cosmetische producten; gesulfoneerde oliën en andere producten bedoeld bij afdeling VI;

f. uit oliën vervaardigde factis (post 40.02). Algemene opmerkingen.

2
Gereserveerd
3
EG-verordeningen

Een levensmiddelenpreparaat (sajtoja-saus) met de samenstelling: 74 gewichtspercenten melkvet, 5 gewichtspercenten kipheeleipoeder, 4 gewichtspercenten wijnazijn, 1,5 gewichtspercent zout en 15,5 gewichtspercenten water, moet onder post 21.06 worden ingedeeld. Zie Verordening (EG) nr. 287/97, punt 1, in aant. 3 op post 21.06.

Smeerpasta bestaande uit 70 tot 80 gewichtspercenten melkvet en 20 tot 30 gewichtspercenten plantaardig vet, moet onder post 21.06 worden ingedeeld. Zie Verordening (EG) nr. 287/97, punt 2, in aant. 3 op post 21.06.

2.

2.

Met behulp van oplosmiddelen uit olijven verkregen olie wordt niet ingedeeld onder post 15.09 (post 15.10).

3.

3.

Enkel gedenatureerde vetten en oliën of fracties daarvan vallen niet onder post 15.18; deze producten worden ingedeeld onder de post die van toepassing is op de overeenkomstige niet-gedenatureerde vetten en oliën of fracties daarvan (1).

1
Toelichting IDR

Onder ‘enkel gedenatureerde vetten en oliën of fracties daarvan’, bedoeld bij Aantekening 3 IDR op dit hoofdstuk, worden verstaan vetten en oliën of fracties daarvan, waaraan een denatureringsmiddel zoals visolie, fenolen, minerale olie, terpentijnolie, tolueen, methylsalicilaat (wintergroenolie), rozemarijnolie, is toegevoegd om ze ongeschikt te maken voor menselijke consumptie. Deze stoffen worden in kleine hoeveelheden (meestal niet meer dan 1%) toegevoegd en maken de vetten en oliën of fracties daarvan bijvoorbeeld ranzig, zuur, scherp, bitter. Opgemerkt wordt dat Aantekening 3 IDR op dit hoofdstuk niet van toepassing is op gedenatureerde mengsels of bereidingen van vetten of oliën of van de fracties daarvan (post 15.18). Algemene opmerkingen.

4.

4.

Soapstock, oliedroesem of oliebezinksel, stearinepek, wolvetpek en glycerolpek worden onder post 15.22 ingedeeld.

Aanvullende aantekeningen IDR

1.

 Voor de toepassing van onderverdeling 1509.30 heeft olijfolie van de eerste persing een gehalte aan vrije zuren, uitgedrukt in oliezuur, van niet meer dan 2,0 g/100 g en kan deze worden onderscheiden van de andere categorieën van olijfolie van eerste persing volgens de kenmerken die zijn aangegeven in de Codex Alimentarius-norm 33-1981.

2.

2. 

Voor de toepassing van de onderverdelingen 1514.11 en 1514.19 wordt als ‘koolzaad- en raapzaadolie met een laag gehalte aan erucazuur’ aangemerkt, de vaste olie met een gehalte aan erucazuur van minder dan 2 gewichtspercenten.

Aanvullende aantekeningen EG

1.

Voor de toepassing van de onderverdelingen 1507.10, 1508.10, 1510 1000, 1511.10, 1512.11, 1512.21, 1513.11, 1513.21, 1514.11, 1514.91, 1515.11, 1515.21, 1515 5011, 1515 5019, 1515 9021, 1515 9029, 1515 9040 tot en met 1515 9059 en 1518 0031:

a. worden door persing verkregen vloeibare of vaste plantaardige oliën aangemerkt als ‘ruw’, indien zij geen andere behandeling hebben ondergaan dan:

- het decanteren gedurende een voor de desbetreffende oliesoort gebruikelijke tijdsduur;

- het centrifugeren of het filtreren, voor zover het scheiden van de olie en de oorspronkelijk daarin voorkomende vaste bestanddelen alleen is geschied met behulp van een mechanische kracht, zoals met behulp van de zwaartekracht (bezinken), met behulp van de middelpuntvliedende kracht (centrifugeren) of door middel van filterpersen of andere persen, derhalve op een andere wijze dan door adsorptie of dan volgens een andere natuurkundige of scheikundige werkwijze (1; 2);

b. worden door extractie verkregen vloeibare of vaste plantaardige oliën aangemerkt als ‘ruw’, indien zij niet door hun kleur, geur of smaak en evenmin door hun bij de voor de desbetreffende oliesoorten gebruikelijke analyses blijkende eigenschappen verschillen van door persing verkregen plantaardige oliën en vetten;

c. worden eveneens aangemerkt als ‘ruw’: ontslijmde sojaolie en van gossypol ontdane katoenzaadolie.

1
Toelichting EG

De vloeibare fractie van plantaardige oliën die is verkregen door het afscheiden van de vaste bestanddelen, bijvoorbeeld door koelen of met behulp van organische oplosmiddelen of tensioactieve stoffen, enz., wordt niet beschouwd als ruwe olie.

2
Jurisprudentie

Letter A van de Aanvullende aantekening 1 EG op hoofdstuk 15 moet aldus worden verstaan, dat een olie nog slechts als ruw mag worden aangemerkt indien door decanteren, centrifugeren of filtreren uit de door persing verkregen olie zijn verwijderd de verontreinigingen die als oorspronkelijke min of meer vaste bestanddelen daarin voorkomen, zoals vliezen, vezels, slijmstoffen en dergelijke. Een olie welke is ontstaan door fractioneren is niet meer als ruw aan te merken; bij dit veredelingsproces worden bepaalde, tot het wezen van de olie behorende bestanddelen afgescheiden. TC 12 november 1963, nr. 9386 T (UTC 1964/33). OT.

In een concreet geval werd avocado-olie bij invoer niet als ruw aangemerkt op grond van het zuurgetal. In het daarop volgende geschil concludeerde de TC onder meer:

1. onvoldoende is komen vast te staan dat de ingevoerde goederen niet voldoen aan de criteria welke in het tarief – met name Aanvullende aantekening 1 EG op hoofdstuk 15 – zijn gesteld voor de indeling onder het begrip ‘ruwe olie’;

2. het tarief – met name Aanvullende aantekening 1 EG op hoofdstuk 15 – kent voor de ingevoerde goederen het zuurgetal niet als criterium ter beslissing van de vraag of oliën als ‘ruwe’ dan wel als ‘andere’ moeten worden aangemerkt;

3. partijen hebben bij het onderzoek naar het zuurgetal van het ingevoerde product ongelijke resultaten geboekt;

4. het onderzoek dat in opdracht van de inspecteur is uitgevoerd is in hoofdzaak tot dit zuurgetal beperkt gebleven;

5. appellante heeft daarnaast ook het fosfatidegehalte en het asgehalte van de avocado-olie wezenlijke beoordelingsfactoren voor de beslissing van dit geschil geacht en heeft daaromtrent de cijfers van het onderzoek medegedeeld welke factoren en cijfers door de inspecteur onvoldoende zijn weersproken.

Daar geen monster meer voorhanden was, kon in opdracht van de TC geen hernieuwd onderzoek plaatsvinden. De TC deelde de olie in als ruwe, daar zij van mening was dat de inspecteur onvoldoende bewijs voor zijn stelling had aangedragen. TC 17 augustus 1984, nr. 11 913 T (UTC 1984/42). OT.

Aanv Aant 2 EG

2.

A. Als olijfolie in de zin van de posten 15.09 en 15.10 wordt enkel aangemerkt olie die uitsluitend afkomstig is van de behandeling van olijven en die, wat het gehalte aan vetzuren en sterolen betreft, de in bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2568/91 van de Commissie (1) vermelde kenmerken heeft. Hun aanwezigheid kan worden vastgesteld met behulp van de in de bijlagen X  en XIX bij die verordening beschreven methoden.
Tot olijfolie in de zin van de posten 15.09 en 15.10 worden niet gerekend chemisch gewijzigde olijfolie (met name opnieuw veresterde olijfolie) en mengsels van olijfolie met olie van een andere soort. De aanwezigheid van opnieuw veresterde olijfolie wordt vastgesteld met behulp van de in bijlage VII bij Verordening (EEG) nr. 2568/91 beschreven methode.

B. De onderverdelingen 1509 2000, 1509 3000 en 1509 4000 omvatten alleen de in de punten 1, 2 en 3 hieronder omschreven olijfoliën die uitsluitend zijn verkregen langs mechanische weg of via andere fysische methoden onder omstandigheden waardoor de kwaliteit van de olie niet wordt aangetast, en die geen andere behandeling hebben ondergaan dan wassen, decanteren, centrifugeren en filtreren. De olijfoliën verkregen met gebruikmaking van oplosmiddelen of met gebruikmaking van een hulpstof met chemische of biochemische werking of met herverestering, en alle mengsels met olie van een andere soort zijn uitgesloten van deze onderverdelingen. 

1. Als ‘extra olijfolie van eerste persing’ in de zin van onderverdeling 1509 2000 wordt aangemerkt olijfolie met de kenmerken van olijfoliën van categorie 1 zoals beschreven in bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2568/91 (1).

2. Als ‘olijfolie van eerste persing’ in de zin van onderverdeling 1509 3000 wordt aangemerkt olijfolie met de kenmerken van olijfoliën van categorie 2 zoals beschreven in bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2568/91.

3. Als ‘andere olijfolie van eerste persing’ in de zin van onderverdeling 1509 4000 wordt aangemerkt olijfolie met de kenmerken van olijfoliën van categorie 3 zoals beschreven in bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2568/91.

C. Onderverdeling 1509 9000 omvat olijfolie die is verkregen door de behandeling van olijfoliën van de onderverdelingen 1509 2000, 1509 3000 en 1509 4000, ook indien versneden met extra olijfolie van eerste persing of olijfolie van eerste persing, en met de kenmerken van olijfoliën van de categorieën 4 en 5 zoals beschreven in bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2568/91.

D. Als ‘ruwe olie uit perskoeken van olijven’ in de zin van onderverdeling 1510 1000 worden aangemerkt de oliën met de kenmerken van olijfoliën van categorie 6 zoals beschreven in bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2568/91.

E. Onderverdeling 1510 9000 omvat zowel oliën die zijn verkregen door de behandeling van oliën van onderverdeling 1510 1000, ook indien versneden met extra olijfolie van eerste persing of olijfolie van eerste persing, als van oliën die niet de kenmerken hebben van de oliën bedoeld in de punten B, C en D van deze aanvullende aantekening. Oliën van deze onderverdeling moeten de kenmerken hebben van de olijfoliën van de categorieën 7 en 8 zoals beschreven in bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2568/91.

1
Nadere verwijzing

Deze verordening is opgenomen in onderdeel VII. Diverse voorschriften.

Aanv Aant 3 EG

3.

Tot de onderverdelingen 1522 0031 en 1522 0039 behoren niet:
a. afvallen, afkomstig van de bewerking van vetstoffen, die olie bevatten waarvan het joodgetal, bepaald volgens de in bijlage XVI bij Verordening (EEG) nr. 2568/91 (1) vastgestelde methode, kleiner is dan 70 of groter dan 100;
b. afvallen, afkomstig van de bewerking van vetstoffen, die olie bevatten met een joodgetal tussen 70 en 100, maar waarbij het oppervlak van de piek die overeenkomt met de retentietijd van bètasitosterol (2), bepaald volgens de methode in bijlage XIX bij Verordening (EEG) nr. 2568/91, minder bedraagt dan 93 % van het totale oppervlak van de sterolpieken.

1. Deze verordening is opgenomen in onderdeel VII. Diverse voorschriften.

2. Delta-5,23-stigmastadiënol + chlerosterol + bètasitosterol + sitostanol + delta-5-avenasterol + delta-5,24-stigmastadiënol. Voetnoot in de gecombineerde nomenclatuur.

 

 
4.

 4.

Voor de vaststelling van de kenmerken van bovengenoemde producten worden de analysemethoden gebruikt die zijn beschreven in de bijlagen bij Verordening (EEG) nr. 2568/91(1). Daarom dient ook rekening te worden gehouden met de opmerkingen onderaan de bladzijde van bijlage I bij vorengenoemde verordening.

 

1.
Nadere verwijzing

Deze verordening is opgenomen in onderdeel VII. Diverse voorschriften.

5.

5. Producten voor menselijke consumptie gemaakt van producten van hoofdstuk 15, opgemaakt in afgemeten hoeveelheden, zoals capsules, tabletten, pastilles en pillen, bestemd om te worden gebruikt als voedingssupplementen, zijn van dit hoofdstuk uitgezonderd. Een voedingssupplement ontleent zijn wezenlijke karakter niet alleen aan zijn ingrediënten, maar ook aan zijn specifieke presentatiewijze die tekenend is voor zijn functie als voedingssupplement, aangezien deze bepalend is voor de dosering, de wijze waarop het wordt opgenomen en de plaats waar het zijn werking moet krijgen. Dergelijke producten voor menselijke consumptie moeten worden ingedeeld onder post 21.06 voor zover zij elders genoemd noch elders onder begrepen zijn.


AFDELING III. DIERLIJKE, PLANTAARDIGE OF MICROBIËLE VETTEN EN OLIËN EN DISSOCIATIEPRODUCTEN DAARVAN; BEWERKT SPIJSVET; WAS VAN DIERLIJKE OF VAN PLANTAARDIGE OORSPRONG

HOOFDSTUK 15
DIERLIJKE, PLANTAARDIGE OF MICROBIËLE VETTEN EN OLIËN EN DISSOCIATIEPRODUCTEN DAARVAN; BEWERKT SPIJSVET; WAS VAN DIERLIJKE OF VAN PLANTAARDIGE OORSPRONG

AANTEKENINGEN

1.Dit hoofdstuk omvat niet:

a.spek, varkensvet en vet van gevogelte, bedoeld bij post 02.09

b.cacaoboter, cacaovet en cacao-olie daaronder begrepen (post 18.04);

c.bereidingen voor menselijke consumptie, bevattende meer dan 15 gewichtspercenten producten bedoeld bij post 04.05 (in het algemeen hoofdstuk 21);

d.kanen (post 23.01) en afvallen bedoeld bij de posten 23.04 tot en met 23.06;

e.vetzuren; bereide was; tot farmaceutische producten, verf, vernis, zeep, parfumerieën, toilet­ar­tikelen of cosmetische producten verwerkte vetstoffen; gesulfoneerde olie en andere producten, bedoeld bij afdeling VI;

f.uit olie verkregen factis (rubbersurrogaat) (post 40.02).

 

2.Met behulp van oplosmiddelen uit olijven verkregen olie wordt niet ingedeeld onder post 15.09 (post 15.10).

 

3.Enkel gedenatureerde vetten en oliën of fracties daarvan vallen niet onder post 15.18; deze producten worden ingedeeld onder de post die van toepassing is op de overeenkomstige niet-gedenatureerde vetten en oliën of frac­ties daarvan.

 

4.Soapstock, oliedroesem of oliebezinksel, stearinepek, wolvetpek en glycerolpek worden onder post 15.22 inge­deeld.

 

AANVULLENDE AANTEKENING

1. Voor de toepassing van onderverdeling 1509 30 heeft olijfolie van de eerste persing een gehalte aan vrije zuren, uitgedrukt in oliezuur, van niet meer dan 2,0 g/100 g en kan deze worden onderscheiden van de andere categorieën van olijfolie van eerste persing volgens de kenmerken die zijn aangegeven in de Codex Alimentarius-norm 33-1981.

2. Voor de toepassing van de onderverdelingen 15.14.11 en 15.14.19 wordt als 'koolzaad- en raapzaadolie met een laag gehalte aan erucazuur' aangemerkt, de vaste olie met een gehalte aan erucazuur van minder dan twee gewichtspercenten.

 

 

AANVULLENDE AANTEKENINGEN (GN)

 

1.Voor de toepassing van de posten 15.07.10, 15.08.10, 1510.1000, 15.11.10, 15.12.11, 15.12.21, 15.13.11, 15.13.21, 15.14.11, 15.14.91, 15.15.11, 15.15.21, 15.15.5011, 15.15.5019, 15.15.9021, 15.15.9029, 15.15.9040 t/m 15.15.9059 en 15.18.0031:

 

A. worden door persing verkregen vloeibare of vaste plantaardige oliën aangemerkt als 'ruw', indien zij geen andere behandeling hebben ondergaan dan:

- het decanteren gedurende een voor de desbetreffende oliesoort gebruikelijke tijdsduur;

- het centrifugeren of het filtreren, voorzover het scheiden van de olie en de oorspronkelijk daarin voorkomende vaste bestanddelen alleen is geschied met behulp van een mechanische kracht, zoals met behulp van de zwaartekracht (bezinken), met behulp van de middelpuntvliedende kracht (centrifugeren) of door middel van filterpersen of andere persen, derhalve op andere wijze dan door adsorptie of dan volgens een andere natuurkundige of scheikundi­ge werkwijze;

 

B. De onderverdelingen 1509 2000, 509 3000 en 1509 4000 omvatten alleen de in de punten 1, 2 en 3 hieronder omschreven olijfoliën die uitsluitend zijn verkregen langs mechanische weg of via andere fysische methoden onder omstandigheden waardoor de kwaliteit van de olie niet wordt aangetast, en die geen andere behandeling hebben ondergaan dan wassen, decanteren, centrifugeren en filtreren. De olijfoliën verkregen met gebruikmaking van oplosmiddelen of met gebruik- making van een hulpstof met chemische of biochemische werking of met herverestering, en alle mengsels met olie van een andere soort, zijn uitgesloten van deze onderverdelingen;

 

C. worden eveneens aangemerkt als 'ruw': ontslijmde sojaolie en van gossypol ontdane katoen­zaad­olie.

 

 

2. A. Als olijfolie in de zin van de posten 1509 en 1510 wordt enkel aangemerkt olie die uitsluitend afkomstig is van de behandeling van olijven en die, wat het gehalte aan vetzuren en sterolen betreft, de in bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2568/91 van de Commissie (1) vermelde kenmerken heeft. Hun aanwezigheid kan worden vastgesteld met behulp van de in de bijlagen V en X bij die verordening beschreven methoden.
Tot olijfolie in de zin van de posten 1509 en 1510 worden niet gerekend chemisch gewijzigde olijfolie (met name opnieuw veresterde olijfolie) en mengsels van olijfolie met olie van een andere soort. De aanwezigheid van opnieuw veresterde olijfolie wordt vastgesteld met behulp van de in bijlage VII bij Verordening (EEG) nr. 2568/91 beschreven methode.

B. Als olijfolie in de zin van onderverdeling 1509 10 worden enkel aangemerkt de onder 1, 2 en 3 hierna gedefinieerde oliën uit olijven die uitsluitend zijn verkregen langs mechanische weg of via andere fysische methoden onder omstandigheden waardoor de kwaliteit van de olie niet wordt aangetast, en die geen andere behandeling hebben ondergaan dan wassen, decanteren, centrifugeren en filtreren. De olijfoliën verkregen met gebruikmaking van oplosmiddelen of met gebruikmaking van een hulpstof met chemische of biochemische werking of met herverestering, en alle mengsels met olie van een andere soort, zijn uitgesloten van deze onderverdeling.


1. Als 'extra olijfolie van eerste persing' in de zin van onderverdeling 1509 2000 wordt aangemerkt olijfolie met de kenmerken van olijfoliën van categorie 1 zoals beschreven in bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2568/91.
2. Als 'olijfolie van eerste persing' in de zin van onderverdeling 1509 3000 wordt aangemerkt olijfolie met de kenmerken van olijfoliën van categorie 2 zoals beschreven in bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2568/91. .
3. Als 'andere olijfolie van eerste persing' in de zin van onderverdeling 1509 4000 wordt aangemerkt olijfolie met de kenmerken van olijfoliën van categorie 3 zoals beschreven in bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2568/91.

C. Onderverdeling 1509 9000 omvat olijfolie die is verkregen door de behandeling van olijfoliën van de onderverdelingen 1509 2000, 1509 3000 en 1509 4000, ook indien versneden met extra olijfolie van eerste persing of olijfolie van eerste persing, en met de kenmerken van olijfoliën van de categorieën 4 en 5 zoals beschreven in bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2568/91.

D. Als 'ruwe olie uit perskoeken van olijven' in de zin van onderverdeling 1510 1000 worden aangemerkt de oliën met de kenmerken van olijfoliën van categorie 6 zoals beschreven in bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2568/91.

E. Onderverdeling 1510 9000 omvat zowel oliën die zijn verkregen door de behandeling van oliën van onderverdeling 1510 1000, ook indien versneden met extra olijfolie van eerste persing of olijfolie van eerste persing, als van oliën die niet de kenmerken hebben van de oliën bedoeld in de punten B, C en D van deze aanvullende aantekening.

Oliën van deze onderverdeling moeten de kenmerken hebben van de olijfoliën van de categorieën 7 en 8 zoals beschreven in bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2568/91.  

(*) Verordening (EEG) nr. 2568/91 van de Commissie van 11 juli 1991 inzake de kenmerken van olijfoliën en oliën uit afvallen van olijven en de desbetreffende analysemethoden (PB L 248 van 5.9.1991, blz. 1).'


 

 

3. Tot de onderverdelingen 15.22.0031 en 15.22.0039 behoren niet:

a. afvallen, afkomstig van de bewerking van vetstoffen, die olie bevatten waarvan het joodgetal, bepaald volgens de in bijlage XVI bij Verordening(EEG) nr. 2568/91 vastgestelde methode, kleiner is dan 70 of groter dan 100;

b. afvallen, afkomstig van de bewerking van vetstoffen, die olie bevatten met een joodgetal tussen 70 en 100, maar waarbij het oppervlak van de piek die overeenkomt met de retentietijd van bètasitosterol (2), bepaald volgens de methode in bijlage XIX bij Verordening (EEG) nr. 2568/91, minder bedraagt dan 93 % van het totale oppervlak van de sterolpieken.

 

 

4. Voor de vaststelling van de kenmerken van bovengenoemde producten worden de analysemetho­den ge­bruikt die zijn be­schreven in de bijlagen bij Verordening (E.E.G.) nr. 2568/91. Daarom dient ook rekening te worden gehouden met de opmerkingen onderaan de bladzijde van bijlage I bij vorengenoemde verordening.

 

5. Producten voor menselijke consumptie gemaakt van producten van hoofdstuk 15, opgemaakt in afgemeten hoeveelheden, zoals capsules, tabletten, pastilles en pillen, bestemd om te worden gebruikt als voedingssupplementen, zijn van dit hoofdstuk uitgezonderd. Een voedingssupplement ontleent zijn wezenlijke karakter niet alleen aan zijn ingrediënten, maar ook aan zijn specifieke presentatiewijze die tekenend is voor zijn functie als voedingssupplement, aangezien deze bepalend is voor de dosering, de wijze waarop het wordt opgenomen en de plaats waar het zijn werking moet krijgen. Dergelijke producten voor menselijke consumptie moeten worden ingedeeld onder post 2106 voor zover zij elders genoemd noch elders onder begrepen zijn.

 

(1) (Delta-5,23 stigmastadiënol + chlerosterol + bètasitosterol + sitostanol + delta-5-avenasterol + delta 5,24-stigmastadiënol)