Hoofdstuk 23

Resten en afval van de voedselindustrie; bereid voedsel voor dieren

1
Toelichting IDR

Dit hoofdstuk omvat allerlei resten en afval verkregen bij de be- of verwerking van de plantaardige producten in de voedselindustrie, alsmede bepaalde residuen van dierlijke oorsprong. Het grootste deel van die resten en afval wordt bijna uitsluitend gebruikt voor de voeding van dieren, hetzij als zodanig, hetzij vermengd met andere stoffen, ondanks het feit dat sommige resten en afvallen geschikt zijn voor menselijke consumptie. Sommige daarvan (wijnmoer, wijnsteen, perskoeken, enz.) worden evenwel voor industriële doeleinden aangewend.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden als ‘pellets’ aangemerkt, producten die, door druk of door toevoeging van een bindmiddel (bijvoorbeeld melasse, zetmeelhoudende zelfstandigheden) in een hoeveelheid van niet meer dan 3 gewichtspercenten, in de vorm van cilinders, bolletjes, enz., zijn geagglomereerd. Algemene opmerkingen.

1 Aantekening IDR

1 (3; 4).

Post 23.09 omvat mede producten van de soort gebruikt voor het voederen van dieren, elders genoemd noch elders onder begrepen, verkregen door het behandelen van plantaardige of dierlijke zelfstandigheden, en wel zodanig dat het wezenlijk karakter van die zelfstandigheden verloren is gegaan. Plantaardige afval, plantaardige residuen en bijproducten van vorenbedoelde behandeling vallen echter niet onder deze post.

1 en 2
Gereserveerd
3
EG-verordeningen

Gedroogde varkensoren, eetbaar slachtafval, ook indien gebruikt als diervoeding, moeten onder post 02.10 worden ingedeeld. Zie Verordening (EG) nr. 1125/2006, punt 1, in aant 3 op post 02.10.

Gedroogde varkensoren, slachtafval, niet geschikt voor menselijke consumptie, moeten onder post 05.11 worden ingedeeld. Zie Verordening (EG) nr. 1125/2006, punt 2, in aant. 3 op post 05.11.

Bepaalde aromatiserende preparaten moeten onder post 33.02 worden ingedeeld.

Hoewel de producten bedoeld zijn om te worden gebruikt in diervoeder als een premix van eetlustopwekkende stoffen, behouden zij de wezenlijke kenmerken van het oorspronkelijke materiaal (reukstoffen). Indeling onder post 23.09 als een bereiding van de soort gebruikt voor het voederen van dieren is daarom uitgesloten overeenkomstig Aantekening 1 IDR op hoofdstuk 23. Zie Verordening (EU) nr. 1272/2011, punten 1, 2 en 3, in aant. 3 op post 33.02.

Een product bestaande uit gemodificeerde gedehydreerde rietsuikermelasse, in poedervorm, met een lichtbruine kleur, moet onder meer met toepassing van Aantekening 1 IDR op hoofdstuk 23, onder post 23.09 worden ingedeeld. Zie Verordening (EU) nr. 1144/2012 in aant. 3 op post 23.09.

Een product bestaande uit groenlipmossel in poedervorm (soort Perna canaliculus), geschikt voor menselijke consumptie, moet onder post 03.07 worden ingedeeld. Zie Verordening (EU) nr. 729/2013 in aant. 3 op post 03.07.

4
Jurisprudentie

Een product bestaande uit 71,1% maisvoermeelpellets en 28,9% boekweit moet, met toepassing van algemene bepaling 3 b voor de toepassing van de gecombineerde nomenclatuur, onder post 23.06 worden ingedeeld. Het product was ontstaan door vermenging als gevolg van het tijdens de reis ongewenst wegvallen van een afscheidingswand in het ruim van het schip.

Post 23.09 komt niet in aanmerking. Aantekening 1 IDR op hoofdstuk 23 bepaalt weliswaar dat post 23.09 mede omvat producten van de soort gebruikt voor het voederen van dieren, elders genoemd noch elders onder begrepen, verkregen door het behandelen van plantaardige of dierlijke zelfstandigheden, en wel zodanig dat het wezenlijk karakter van die zelfstandigheden verloren is gegaan, maar het ging de TC te ver om, zoals de inspecteur had gedaan, de ongewenste vermenging tijdens de reis als een behandelen in de zin van Aantekening 1 IDR op hoofdstuk 23 aan te merken. TC 27 februari 1996, nr. 13 230 (UTC) 1996/28).

Noot. Deze uitspraak is tevens opgenomen in aant. 4 op post 23.09. Zie de aldaar op deze uitspraak geplaatste noot.

Het product Soyax-F, bestaande uit vlokken van sojabonen, moet onder post 12.01 worden ingedeeld. Het betreft een product voor veevoederdoeleinden bestaande uit niet-geëxtraheerde volvette sojabonen, welke vervolgens zijn gereinigd, gebroken, getoast, gevlokkeerd en gepelletiseerd. Zuivelproducten zijn niet waargenomen en het zetmeelgehalte bedraagt niet meer dan 10 gewichtspercenten.

Aantekening 1 IDR op hoofdstuk 23 kan niet tot indeling onder post 23.09 leiden. Zie DK 23 mei 2003, nr. 00/90 045 DK, in aant. 4 op post 12.01.

1. Aanvullende aantekening IDR

1.

Voor de toepassing van onderverdeling 2306.41 wordt als ‘kool- en raapzaad met een laag gehalte aan erucazuur’ aangemerkt, zaad bedoeld bij aanvullende aantekening 1 op hoofdstuk 12.

1. Aanvullende aantekening EG

1.

De onderverdelingen 2303 1011 en 2303 1019 omvatten uitsluitend de afvallen verkregen bij de vervaardiging van maiszetmeel, met uitzondering van mengsels van dergelijke afvallen met producten verkregen uit andere planten of met producten verkregen bij de vervaardiging van maïszetmeel door middel van een andere dan de natte methode.

Het gehalte aan zetmeel, overeenkomstig de methode opgenomen in bijlage III, deel L, bij Verordening (EG) nr. 152/2009 van de Commissie (1), berekend op de droge stof, mag niet meer bedragen dan 28 gewichtspercenten en het gehalte aan vet, overeenkomstig de methode opgenomen in bijlage III, deel H, van Verordening (EG) nr. 152/2009 van de Commissie, berekend op de droge stof, mag niet meer bedragen dan 4,5 gewichtspercenten.

1
Nadere verwijzing

Verordening (EG) nr. 152/2009 is opgenomen in onderdeel VII. Diverse voorschriften.

2.

2.

Onderverdeling 2306 9005 omvat uitsluitend de afvallen verkregen bij de winning van olie uit maiskiemen met de volgende gehalten, berekend in gewichtspercenten op de droge stof:

a. producten met een vetgehalte van minder dan 3 gewichtspercenten:

- zetmeelgehalte: minder dan 45 gewichtspercenten;

- proteïnegehalte (stikstof × 6,25): 11,5 of meer gewichtspercenten;

b. producten met een vetgehalte van 3 of meer doch niet meer dan 8 gewichtspercenten:

- zetmeelgehalte: minder dan 45 gewichtspercenten;

- proteïnegehalte (stikstof × 6,25): 13 of meer gewichtspercenten.

Deze afvallen mogen voorts geen bestanddelen bevatten die niet van de maiskorrel afkomstig zijn.

Voor de bepaling van het zetmeel- en proteïnegehalte zijn de methoden van toepassing die zijn omschreven in Verordening (EG) nr. 152/2009 van de Commissie, bijlage III, delen L en C (1).

Voor de bepaling van het vetgehalte en het vochtgehalte zijn de methoden van toepassing die zijn omschreven in
Verordening (EG) nr. 152/2009 van de Commissie, bijlage III, delen H en A, respectievelijk (1).

Producten die bestanddelen van mais bevatten die niet aan het oliewinningsproces onderworpen zijn geweest en aan de werkelijke afvallen zijn toegevoegd, zijn van deze onderverdeling uitgezonderd.

1

Verordening (EG) nr. 152/2009 is opgenomen in onderdeel VII. Diverse voorschriften.

3.

3.

Voor de toepassing van de onderverdelingen 2307 0011, 2307 0019, 2308 0011 en 2308 0019, wordt verstaan onder:

- effectief alcohol-massagehalte: het aantal kg zuivere alcohol, aanwezig in 100 kg van het product;

- potentieel alcohol-massagehalte: het aantal kg zuivere alcohol dat kan ontstaan door totale vergisting van de suiker die in 100 kg van het product aanwezig is (1);

- totaal alcohol-massagehalte: de som van het effectief en het potentieel alcohol-massagehalte;

- % mas: het symbool voor het alcohol-massagehalte.

1
Toelichting EG

Het potentieel alcohol-massagehalte wordt berekend door de in 100 kg van het product aanwezige suiker (uitgedrukt in kg invertsuiker) met de factor 0,47 te vermenigvuldigen.

4.

4.

Voor de toepassing van de onderverdelingen 2309 1011 tot en met 2309 1070 en 2309 9031 tot en met 2309 9070 worden als ‘zuivelproducten’ aangemerkt, de producten bedoeld bij de posten 04.01, 04.02, 04.04, 04.05 en 04.06, en de onderverdelingen  0403 2011 tot en met 0403 2039, 0403 9011 tot en met 0403 9069, 1702 1100, 1702 1900 en 2106 9051.

5.

5.

Onderverdeling 2309 9020 omvat uitsluitend afvallen verkregen bij de vervaardiging van maiszetmeel, met uitzondering van mengsels van dergelijke afvallen met producten verkregen uit andere planten of met producten verkregen bij de vervaardiging van maiszetmeel door middel van een andere dan de natte methode, bevattende:

- resten van het zeven van mais, gebruikt voor de vervaardiging van maiszetmeel door middel van de natte methode, tot een hoeveelheid van niet meer dan 15 gewichtspercenten en/of

- resten van zwelwater van mais afkomstig van de behandeling van maïs door middel van de natte methode, gebruikt voor de vervaardiging van alcohol of van andere producten uit zetmeel.

Deze afvallen kunnen bovendien resten, ontstaan bij de winning van olie uit maiskiemen, verkregen door middel van de natte methode, bevatten.

Het gehalte aan zetmeel, overeenkomstig de methode opgenomen in bijlage III, deel L, bij Verordening (EG) nr. 152/2009 (1), berekend op de droge stof, mag niet meer bedragen dan 28 gewichtspercenten, het gehalte aan vet, overeenkomstig de methode opgenomen in bijlage III, deel H, van Verordening (EG) nr. 152/2009 van de Commissie, berekend op de droge stof, mag niet meer bedragen dan 4,5 gewichtspercenten en het gehalte aan proteïne mag niet meer bedragen dan 40 gewichtspercenten, berekend op het droge gewicht overeenkomstig bijlage III, deel C, bij Verordening (EG) nr. 152/2009.

1
Nadere verwijzing

Verordening (EG) nr. 152/2009 is opgenomen in onderdeel VII. Diverse voorschriften.


1.Post 23.09 omvat mede producten van de soort gebruikt voor het voederen van dieren, elders genoemd noch elders onder begrepen, verkregen door het behandelen van plantaardige of dierlijke zelfstandigheden, en wel zodanig dat het wezenlijk karakter van die zelfstandigheden verloren is gegaan. Plantaardige afval, plantaardige residuen en bijproducten van vorenbedoelde behandeling vallen echter niet onder deze post.

AANVULLENDE AANTEKENING

1.Voor de toepassing van onderverdeling 23.06.41 wordt als 'kool- en raapzaad met een laag gehalte aan erucazuur' aangemerkt, zaad bedoeld bij de aanvullende aantekening 1 op hoofdstuk 12.

AANVULLENDE AANTEKENINGEN (GN)

1.De onderverdeling 23.03.1011 en 23.03.1019 omvat uitsluitend de afvallen verkregen bij de vervaardiging van maïszetmeel, met uitzondering van mengsels van dergelijke afvallen met producten verkregen uit andere planten of met producten verkregen bij de vervaardiging van maïszetmeel door middel van een andere dan de natte methode.

Het gehalte aan zetmeel, overeenkomstig de methode opgenomen in bijlage III, deel L, bij Verordening (EG) nr. 152/2009 van de Commissie, berekend op de droge stof, mag niet meer bedragen dan 28 gewichtspercenten en het gehalte aan vet, overeenkomstig de methode opgenomen in bijlage III, deel H, van Verordening (EG) nr. 152/2009 van de Commissie berekend op de droge stof, mag niet meer bedragen dan 4,5 gewichtspercenten.

2.Onderverdeling 23.06.7000 omvat uitsluitend de afvallen verkregen bij de winning van olie uit maïskiemen met de volgende gehalten, berekend in gewichtspercenten op de droge stof:

a)producten met een vetgehalte van minder dan 3 gewichtspercenten:

-zetmeelgehalte : minder dan 45 gewichtspercenten;

-proteïnegehalte (stikstof x 6,25) : 11,5 of meer gewichtspercenten;

b)producten met een vetgehalte van 3 of meer doch niet meer dan 8 gewichtspercenten:

-zetmeelgehalte : minder dan 45 gewichtspercenten;

-proteïnegehalte (stikstof x 6,25) : 13 of meer gewichtspercenten.

Deze afvallen mogen voorts geen bestanddelen bevatten die niet van de maïskorrel afkomstig zijn.

Voor de bepaling van het zetmeel- en proteïnegehalte zijn de methoden van toepassing die zijn omschreven in Richtlijn 72/199/EEG van de Commissie, bijlage I, titels 1 en 2.

Voor de bepaling van het vetgehalte en het vochtgehalte zijn de methoden van toepassing die zijn omschreven in de bijlage bij Richtlijn 71/393/EEG van de Commissie, respectievelijk deel 4, methode A en deel 1.

Producten die bestanddelen van maïs bevatten die niet aan het oliegewinningsproces onderworpen zijn geweest en aan de werkelijke afvallen zijn toegevoegd, zijn van deze onderverdeling uitgezonderd.

3. Voor de toepassing van de onderverdelingen 23.07.0011, 23.07.0019, 23.08.0011 en 23.08.0019, wordt verstaan onder:

-effectief alcohol-massagehalte : het aantal kg zuivere alcohol, aanwezig in 100 kg van het product;

-potentieel alcohol-massagehalte : het aantal kg zuivere alcohol dat kan ontstaan door totale vergisting van de suiker die in 100 kg van het product aanwezig is;

-totaal alcohol-massagehalte : de som van het effectief en het potentieel alcohol-massagehalte;

-% mas : het symbool voor het alcohol-massagehalte.

4.Voor de toepassing van onderverdelingen 23.09.1011 t/m 23.09.1070 en 23.09.9031 t/m 23.09.9070 worden als zuivelproducten aangemerkt de producten bedoeld bij de posten 04.01, 04.02, 04.04, 04.05 en 04.06 en de onderverdelingen 04.03.2011 t/m 04.03.2039, 04.03.9011 t/m 04.03.9069, 17.02.1100, 17.02.1900 en 21.06.9051.

5.Onderverdeling 23.09.9020 omvat uitsluitend afvallen verkregen bij de vervaardiging van maïszetmeel, met uitzondering van mengsels van dergelijke afvallen met producten verkregen uit andere planten of met producten verkregen bij de vervaardiging van maïszetmeel door middel van een andere dan de natte methode, bevattende:

-resten van het zeven van maïs, gebruikt voor de vervaardiging van maïszetmeel door middel van de natte methode, tot een hoeveelheid van niet meer dan 15 gewichtspercenten

en/of

-resten van zwelwater van maïs afkomstig van de behandeling van maïs door middel van de natte methode, gebruikt voor de vervaardiging van alcohol of van andere producten uit zetmeel.

Deze afvallen kunnen bovendien resten, ontstaan bij de winning van olie uit maïskiemen, verkregen door middel van de natte methode, bevatten.

Het gehalte aan zetmeel, overeenkomstig de methode opgenomen in bijlage I, titel 1, bij Richtlijn 72/199/EEG van de Commissie, berekend op de droge stof, mag niet meer bedragen dan 28 gewichtsper-centen, het gehalte aan vet, overeenkomstig methode A, opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 84/4/EEG van de Commissie, berekend op de droge stof, mag niet meer bedragen dan 4,5 gewichtspercenten en het gehalte aan proteïne mag niet meer bedragen dan 40 gewichtspercenten, berekend op het droge gewicht overeenkomstig bijlage I, titel 2, bij Richtlijn 72/199/EEG van de Commissie.

1. Aantekening IDR

1.

Voor de toepassing van deze afdeling worden als ‘pellets’ aangemerkt, producten die, door druk of door toevoeging van een bindmiddel in een hoeveelheid van niet meer dan 3 gewichtspercenten, in de vorm van cilinders, bolletjes, enz., zijn geagglomereerd.


1. Voor de toepassing van deze afdeling worden als 'pellets' aangemerkt, producten die, door druk of door toevoeging van een bindmiddel in een hoeveelheid van niet meer dan 3 gewichtspercenten, in de vorm van cilinders, bolletjes, enz., zijn geagglomereerd.