Hoofdstuk 50

Zijde

1
Toelichting IDR

Bij de toepassing van dit hoofdstuk moet rekening worden gehouden met het bepaalde in de toelichting IDR (algemene opmerkingen), opgenomen in de aantekeningen op het opschrift en op de Aantekeningen IDR op afdeling XI.

Als zijde wordt in dit hoofdstuk niet alleen aangemerkt het vezelachtig kliervocht dat wordt afgescheiden door de Bombyx mori (de cultuurrups, die gevoederd wordt met de bladeren van de moerbeiboom), doch ook de soortgelijke producten, die door andere zijdespinners (bijvoorbeeld de Bombyx textor) worden afgescheiden en bekend zijn als wilde zijde. Van de wilde zijdesoorten, die zo genoemd worden omdat ze voortgebracht worden door rupsen die zich zelden lenen voor de huiscultuur, is de voornaamste de shantung- of tussahzijde, afkomstig van een zijderups, die zich voedt met eikenbladeren. Zijde van spinnen en de zogenaamde schelpzijde (de vezelachtige draad waarmede bepaalde schelpdieren van het geslacht Pinna zich aan rotsen vasthechten), worden eveneens ingedeeld onder dit hoofdstuk.

In algemene zin heeft hoofdstuk 50 betrekking op zijde, met inbegrip van samengestelde textielstoffen die als zijde worden ingedeeld, voorkomende als grondstof of in een der stadia van bewerking of verwerking gaande tot en met het weefsel. Het omvat tevens poil de Messine. Algemene opmerkingen.

2

Zie voor ‘samengestelde textielstoffen’ de Aantekening 2 IDR op afdeling XI.


ZIJDE

 

AANTEKENING

 

(geen aantekeningen)

 

1.
1
Toelichting IDR

Afdeling XI omvat textielstoffen en textielwaren in het algemeen, dus zowel grondstoffen (zijde, wol, katoen, synthetische of kunstmatige vezels, enz.), als halffabricaten (zoals garens en weefsels) en afgewerkte of geconfectioneerde artikelen. Bepaalde producten zijn echter van afdeling XI uitgezonderd, onder meer door Aantekening 1 IDR op afdeling XI, door verschillende Aantekeningen IDR op de hoofdstukken en door de toelichtingen IDR op de posten van deze afdeling. Zo worden in het bijzonder niet aangemerkt als textielwaren in de zin van afdeling XI:

a. mensenhaar en werken daarvan (in het algemeen posten 05.01, 67.03 en 67.04), met dien verstande dat persdoeken en grove weefsels van mensenhaar, van de soort gebruikt in oliepersen of voor dergelijk technisch gebruik onder post 59.11 worden ingedeeld;

b. asbestvezels en werken van asbest, zoals garens, weefsel en kleding (posten 25.24, 68.12 en 68.13);

c. koolstofvezels en andere metalloïde minerale vezels (bijvoorbeeld siliciumcarbide, steenwol) alsmede werken van de vezels (hoofdstuk 68);

d. glasvezels en artikelen daarvan (draad, weefsel, enz.), alsmede uit glasvezels en textielvezels samengestelde werken, die het karakter hebben van werken van glasvezels, zoals etskant en borduurwerk zonder zichtbaar grondweefsel, vervaardigd met borduurgaren van glasvezels (hoofdstuk 70).

Afdeling XI bestaat in feite uit twee delen. Voor de indeling onder een der hoofdstukken 50 tot en met 55 (eerste deel) wordt rekening gehouden met de samenstellende textielstoffen, terwijl zulks, met uitzondering van de posten 58.09 en 59.02, niet het geval is voor de indeling onder een der hoofdstukken 56 tot en met 63 (tweede deel), althans niet op het niveau van de posten. Algemene opmerkingen.

De hoofdstukken 50 tot en met 55 omvatten elk een of meer textielstoffen, al dan niet onderling vermengd, voorkomende in een der stadia van bewerking of verwerking gaande tot en met het weefsel (het woord ‘weefsel’ moet hier worden opgevat in de betekenis uiteengezet subIC van de onderhavige toelichting IDR (algemene opmerkingen)). Deze hoofdstukken omvatten dus meestal de grondstof en de uit afval herwonnen grondstof (in massa, in vezels, in draden, in banden of lonten, enz., met uitzondering van lompen en vodden) en bovendien garens en weefsels. Algemene opmerkingen sub I.

De hoofdstukken 56 tot en met 63 hebben betrekking op speciale weefsels en op andere textielproducten die niet worden ingedeeld onder de hoofdstukken 50 tot en met 55 (bijvoorbeeld fluweel en pluche, lint, chenille garen, omwoeld garen, passementwerk bedoeld bij post 56.06 of 58.08, tule, filetweefsel, kant, borduurwerk op weefsel of andere textielstoffen, brei- of haakwerk). Zij omvatten bovendien de geconfectioneerde textielartikelen, op enige artikelen na, die van afdeling XI zijn uitgezonderd. Algemene opmerkingen sub II.

2
Toelichting EG

Zoals uit de toelichting IDR op afdeling XI (algemene opmerkingen, laatste alinea van de inleiding, opgenomen in aant.1 op het opschrift van deze afdeling) blijkt, bestaat afdeling XI in feite uit twee delen:

a. het eerste deel (hoofdstukken 50 tot en met 55), waarin de indeling geschiedt naar de textielstoffen waaruit de producten zijn samengesteld; de indeling van samengestelde artikelen is in Aantekening 2 IDR op afdeling XI geregeld;

b. het tweede deel (hoofdstukken 56 tot en met 63), waarin bij de indeling onder de hoofdstukken en de posten, behalve bij de posten 58.09 en 59.02, geen onderscheid wordt gemaakt naar de textielstoffen waaruit de producten zijn samengesteld. Verscheidene posten van de hoofdstukken 56 tot en met 63 van de gecombineerde nomenclatuur zijn evenwel onderverdeeld naar de samenstellende textielstoffen. In die gevallen moet de indeling binnen deze posten geschieden aan de hand van het bepaalde in Aanvullende aantekening 2 IDR op deze afdeling. Algemene opmerkingen sub 1.

3
Toelichting IDR

Standaardatmosfeer voor het conditioneren en testen van textiel

A. Inhoud en toepassingsgebied De karakteristieken en het gebruik van de standaardatmosfeer voor het conditioneren en voor het vaststellen van de fysische en mechanische eigenschappen van textiel worden hierna als leidraad weergegeven.

B. Definities

a. relatieve vochtigheid: de verhouding tussen de in de lucht in feite aanwezige waterdamp en de hoeveelheid waterdamp die door de lucht bij dezelfde temperatuur kan worden opgenomen. De verhouding wordt gewoonlijk uitgedrukt in procenten;

b. standaard gematigde atmosfeer: een atmosfeer met een relatieve vochtigheid van 65% en een temperatuur van 20 °C;

c. standaard gematigde atmosfeer voor het testen: een atmosfeer met een relatieve vochtigheid van 65% en een temperatuur van 20 °C. Het woord ‘gematigde’ is hier gebruikt overeenkomstig de beperkte uitleg daarvan in de textielindustrie.

C. Voorconditioneren

Soms is voor het conditioneren van textiel een voorbehandeling noodzakelijk. In dat geval moet de textiel ongeveer in evenwicht gebracht worden in een atmosfeer met een relatieve vochtigheid tussen de 10 en 25% en een temperatuur van niet meer dan 50 °C. Dit kan worden bereikt door lucht met een relatieve vochtigheid van 65% en een temperatuur van 20 °C te verhitten tot een temperatuur van 50 °C.

D. Conditioneren

Voordat textiel aan een test voor het vaststellen van de fysische of mechanische eigenschappen wordt onderworpen, moet deze worden geconditioneerd door te worden geplaatst in de standaard gematigde atmosfeer voor het testen, zodanig dat de lucht er vrij door circuleert, en daar te worden gelaten totdat het materiaal in evenwicht is met de atmosfeer. De textiel wordt, tenzij in de testmethode anders is bepaald, geacht in evenwicht te zijn als opeenvolgende wegingen, met tussenpozen van 2 uur, van de vrij aan de lucht blootgestelde textiel geen progressieve gewichtsverandering laten zien van meer dan 0,25%.

E. Test

Behoudens in speciale gevallen (bijvoorbeeld bij nat testen) worden de fysische en mechanische tests van textiel uitgevoerd in de geconditioneerde toestand in de standaard gematigde atmosfeer voor het testen. Algemene opmerkingen sub IV.

4
Nadere verwijzing

De toelichting IDR (algemene opmerkingen) sub I C met betrekking tot het begrip ‘weefsel’ is opgenomen in aant. 1 op Aantekening 9 IDR hierna.

Aantekeningen IDR

1 (1; 3; 4).

Deze afdeling omvat niet:

a. dierlijk haar voor borstelwerk (post 05.02); paardenhaar (crin) en afval daarvan (post 05.11);

b. mensenhaar en werken daarvan (posten 05.01, 67.03 en 67.04); filterdoeken en persdoeken van mensenhaar, van de soort gewoonlijk gebruikt in oliepersen of voor dergelijk technisch gebruik, behoren evenwel tot post 59.11;

c. linters van katoen en andere plantaardige producten, bedoeld bij hoofdstuk 14;

d. asbest bedoeld bij post 25.24, alsmede werken van asbest en andere producten bedoeld bij post 68.12 of 68.13;

e. artikelen bedoeld bij post 30.05 of 30.06; garens gebruikt voor het schoonmaken tussen de tanden (floszijde), opgemaakt voor de verkoop in het klein, bedoeld bij post 33.06;

f. lichtgevoelig textiel bedoeld bij de posten 37.01 tot en met 37.04;

g. monofilamenten waarvan de grootste afmeting van de dwarsdoorsnede meer dan 1 mm bedraagt, strippen en artikelen van dergelijke vorm (bijvoorbeeld kunststro) met een schijnbare breedte van meer dan 5 mm, van kunststof (hoofdstuk 39), alsmede vlechten, weefsels en ander mandenmakerswerk van deze artikelen (hoofdstuk 46);

h. weefsels, brei- en haakwerk, vilt en gebonden textielvlies, geïmpregneerd met kunststof, voorzien van een deklaag van kunststof of met inlagen van kunststof, alsmede werken daarvan, bedoeld bij hoofdstuk 39;

ij. weefsels, brei- en haakwerk, vilt en gebonden textielvlies, geïmpregneerd met rubber, voorzien van een deklaag van rubber of met inlagen van rubber, alsmede werken daarvan, bedoeld bij hoofdstuk 40;

k. niet-onthaarde huiden en vellen (hoofdstuk 41 of 43) en werken van bont of van namaakbont, bedoeld bij post 43.03 of 43.04;

l. artikelen van textielstoffen, bedoeld bij post 42.01 of42.02;

m. producten en artikelen, bedoeld bij hoofdstuk 48 (bijvoorbeeld cellulosewatten);

n. schoeisel en delen daarvan, beenkappen, slobkousen en dergelijke artikelen, bedoeld bij hoofdstuk 64;

o. hoofddeksels, haarnetjes daaronder begrepen, alsmede delen daarvan, bedoeld bij hoofdstuk 65;

p. artikelen bedoeld bij hoofdstuk 67;

q. textielstoffen bedekt met schuur-, slijp-of polijstmiddelen (post 68.05), alsmede koolstofvezels en werken daarvan bedoeld bij post 68.15;

r. glasvezels en werken daarvan; etskant en borduurwerk zonder zichtbaar grondweefsel, vervaardigd met borduurgaren van glasvezels (hoofdstuk70);

s. artikelen bedoeld bij hoofdstuk 94 (bijvoorbeeld meubelen, artikelen voor bedden, lichtarmaturen en verlichtingstoestellen);

t. artikelen bedoeld bij hoofdstuk 95 (bijvoorbeeld speelgoed, spellen, sportartikelen, netten);

u. artikelen bedoeld bij hoofdstuk 96 (bijvoorbeeld borstels, reisnaaigarnituren, treksluitingen, inktlinten voor schrijfmachines, maandverbanden en tampons, luiers en inlegluiers);

v. artikelen bedoeld bij hoofdstuk 97.

1
Nadere verwijzing

Door de toelichting IDR op verschillende posten van deze afdeling zijn onder meer nog uitgezonderd van afdeling XI:
watten, vilt of gebonden textielvlies, geïmpregneerd of bedekt met cosmetische producten (hoofdstuk 33) of met poetsmiddelen (post 34.05); lonten en slagkoorden (post 36.03); scheven (houtdeeltjes) van vlas of van hennep (post 44.01); houtfineer op een drager van textiel (post 44.08); weefsels (vlechtwerk) uit strippen van papier (post 46.01); toneelpruiken e.d. van watten (post 67.04); platen voor constructiewerken, vervaardigd uit verscheidene opeengelegde vliezen van textielvezels, gedrenkt in asfalt of in dergelijke stoffen (post 68.07); gebonden textielvlies bekleed met geagglomereerd of gereconstitueerd mica (post 68.14); bladmetaal op een drager van vilt of van gebonden textielvlies (afdeling XV); gerede knotten voor borstelwerk, van synthetische monofilamenten (post 96.03); tapisserieën, ouder dan 100 jaar (hoofdstuk 97).

 

2
Gereserveerd
3
EG-verordeningen

Een speeltent van de soort gebruikt door kinderen moet onder post 95.03 worden ingedeeld. Zie Verordening (EEG) nr. 2087/92, punt 7, in aant. 3 op post 95.03.

Speelgoedmatten van textiel moeten onder post 95.03 worden ingedeeld. Zie Verordening (EG) nr. 2180/2001, punten 1 en 2, in aant. 3 op post 95.03.

Een gewatteerde bedsprei van ongeveer 260 cm × 240 cm, bestaande uit drie lagen, twee buitenlagen van geweven katoen en een tussenlaag van synthetische wattering, die de vulling vormt moet onder post 94.04 worden ingedeeld. Zie Verordening (EG) nr. 51/2009 in aant. 3 op post 94.04.

Een niet-gemonteerd artikel (een zogenoemd ‘veiligheidsnet voor trampoline’) moet onder meer met toepassing van Aantekening 1 t IDR op afdeling XI onder post 95.06 worden ingedeeld. Zie Verordening (EU) nr. 399/2012 in aant. 3 op post 95.06.

Een bepaald hoofddeksel moet onder post 65.05 worden ingedeeld. Het betreft een kegelvormig artikel (ongeveer 40 cm hoog), vervaardigd door het aaneennaaien van 2 driehoekige panden rode gebonden textielstof, met een opgebrachte rand van witte kleur onderaan en een wit balletje bovenaan.

Op grond van Aantekening 1 o IDR op afdeling XI zijn hoofddeksels bedoeld bij hoofdstuk 65 van die afdeling uitgesloten. Zie Verordening (EU) nr. 401/2012 in aant. 3 op post 65.05.

Een zogenoemde ‘smartphonearmband’, voornamelijk van textiel gemaakt, moet onder post 42.02 worden ingedeeld. Het artikel bestaat uit een etui voor een mobiele telefoon en een elastische band, die dient om het aan de bovenarm te bevestigen.

Aan de achterzijde van het etui zit een spleetvormige opening waarin een mobiele telefoon kan worden geschoven. Aan de voorkant van het artikel bevindt zich een rechthoekig transparant paneel van kunststof in vellen. Het transparante paneel is gevat in transparante folie van kunststof met celstructuur, die ook de voorzijde van het korte einde van de band bedekt. De achterkant van het artikel en de vaste band bestaan uit gegummeerde weefsels (buitenste lagen van textiel met een laag van rubber met celstructuur daartussen). De band is voorzien van een klittenbandstrip; de band wordt door twee gleuven in het korte einde geleid en kan zo rond de bovenarm van de gebruiker passend worden gemaakt.

Op grond van Aantekening 1 l IDR op afdeling XI zijn artikelen bedoeld bij post 42.02 van die afdeling uitgesloten. Zie Verordening (EU) 2015/2318 in aant. 3 op post 42.02.

4
Jurisprudentie

Dekjes voor veldbedden zijn op grond van Aantekening 1 s IDR op afdeling XI van indeling onder die afdeling uitgezonderd. Deze dekjes moeten worden ingedeeld onder post 94.03. Zie TC 30 november 1965, nr. 10 128 T, in aant. 4 op post 94.03. Een speeltent van geringe grootte moet onder post 95.03 worden ingedeeld. Zie tarifering IDR 9503.00/7 op post 95.03 in aant. 4 op die post. Een ijshockeybroek speciaal ontworpen om te worden gedragen ter bescherming van het lichaam tegen blessures gedurende het uitoefenen van ijshockey, moet onder post 95.06 worden ingedeeld. Zie tarifering IDR 9506.99/1 op post 95.06 in aant. 4 op die post.

Een speeltent van geringe grootte moet onder post 95.03 worden ingedeeld. Zie tarifering IDR 9503.00/7 op post 95.03 in aant. 4 op die post.

Een ijshockeybroek speciaal ontworpen om te worden gedragen ter bescherming van het lichaam tegen blessures gedurende het uitoefenen van ijshockey, moet onder post 95.06 worden ingedeeld. Zie tarifering IDR 9506.99/1 op post 95.06 in aant. 4 op die post.

Verbandgaas voor medisch gebruik, vervaardigd van 100% wit katoen geweven door middel van platbinding, overlangs dubbelgevouwen (schijnbare breedte 45 cm) en opgemaakt voor de verkoop in het klein, moet onder post 30.05 worden ingedeeld. Zie tarifering IDR 3005.90/1 op post 30.05 in aant. 4 op die post.

Een gelamineerd product gemaakt van textiel en kunststof, bestaande uit twee vellen transparante polyethyleenfilm die de twee buitenste lagen vormen van het gelamineerde product en een binnenlaag of kern van weefsel, moet onder post 39.21 worden ingedeeld. Zie tarifering IDR 3921.90/3 op post 39.21 in aant. 4 op die post.

 

2. IDR

2 (1; 2; 6).

A. Textielwaren bedoeld bij de hoofdstukken 50 tot en met 55 of bij post 58.09 of 59.02, bestaande uit twee of meer textielstoffen, worden ingedeeld als zouden zij geheel bestaan uit de textielstof die in gewicht overheerst over elk van de andere textielstoffen.
Indien geen van de textielstoffen in gewicht overheerst, worden de textielwaren ingedeeld alsof zij volledig uit de textielstof bestaan die valt onder de post die, van de gelijkelijk in aanmerking komende posten, in volgorde van nummering het laatst is geplaatst.

B. Voor de toepassing van deze regel geldt bovendien het volgende:

a. omwoeld paardenhaar (post 51.10) en metaalgarens (post 56.05) worden geacht voor hun totale gewicht één textielstof te zijn; de draden van metaal worden, voor de indeling van de weefsels waarin zij zijn verwerkt, aangemerkt als textiel;

b. bij de indeling wordt in de eerste plaats het van toepassing zijnde hoofdstuk vastgesteld en daarna de van toepassing zijnde post van dat hoofdstuk, waarbij alle textielstoffen, die niet tot dat hoofdstuk behoren, buiten beschouwing worden gelaten;

c. de hoofdstukken 54 en 55 worden aangemerkt als één enkel hoofdstuk, indien de textielwaren zowel textielstoffen bedoeld bij de hoofdstukken 54 en 55 als bedoeld bij andere hoofdstukken bevatten;

d. de textielstoffen bedoeld bij eenzelfde hoofdstuk of bij eenzelfde post, worden als één textielstof aangemerkt.

C. De in de letters A en B vervatte regels gelden ook ten aanzien van de garens bedoeld bij de aantekeningen 3, 4, 5 of 6 hierna (3).

1
Toelichting IDR

Indeling van textielproducten die uit twee of meer textielstoffen bestaan

Textielproducten bedoeld bij ongeacht welke post van de hoofdstukken 50 tot en met 55 (afval, garen, weefsel, enz.) of bij post 58.09 of 59.02, bestaande uit een mengsel van twee of meer verschillende textielstoffen, moeten worden ingedeeld alsof zij volledig bestaan uit die textielstof die in gewicht elk van de andere textielstoffen overheerst.

Indien geen van de textielstoffen in gewicht overheerst, worden de textielwaren ingedeeld alsof zij volledig uit de textielstof bestaan die valt onder de post die, van de verschillende gelijkelijk in aanmerking komende posten, in volgorde van nummering het laatst is geplaatst.

De textielstoffen mogen zijn vermengd:

- vóór of tijdens het spinnen;

- tijdens het twijnen of het kabelen;

- tijdens het weven.

In het geval waarin stoffen, andere dan die bedoeld bij post 58.11, bestaan uit twee of meer textielproducten van verschillende samenstelling die op elkaar zijn gelegd en door naaien, lijmen, enz. bijeen worden gehouden, wordt de indeling bepaald met toepassing van algemene bepaling 3 voor de toepassing van de nomenclatuur. Dienovereenkomstig is Aantekening 2 IDR op afdeling XI slechts van toepassing in het geval waarin het noodzakelijk is de textielstof te bepalen die in gewicht overheerst in het product dat voor de indeling van deze stoffen in aanmerking is genomen.

Evenzo zijn de bepalingen van Aantekening 2 IDR op afdeling XI slechts van toepassing op gemengde producten die bestaan uit textielstoffen en niet-textielstoffen, als zij krachtens de algemene bepalingen voor de toepassing van de nomenclatuur als textielstoffen moeten worden ingedeeld.

Voor de toepassing van Aantekening 2 IDR op de afdeling moet het volgende in acht worden genomen:

1. indien een samengesteld product twee of meer textielstoffen bevat die, indien zij alleen het in beschouwing genomen product zouden vormen, onder hetzelfde hoofdstuk of dezelfde post zouden worden ingedeeld, dan worden deze twee of meer textielstoffen tezamen als één textielstof aangemerkt. Voor het vaststellen van de post wordt in de eerste plaats het hoofdstuk bepaald en daarna de toe te passen post onder dat hoofdstuk, waarbij alle textielstoffen die niet onder dat hoofdstuk worden ingedeeld buiten beschouwing blijven.

Voorbeelden:

a. een weefsel bestaande uit:

- 40 gewichtspercenten synthetische stapelvezels,

- 35 gewichtspercenten gekamde wol, en

- 25 gewichtspercenten gekamd fijn haar

wordt niet ingedeeld onder post 55.15 (andere weefsels van synthetische stapelvezels), doch onder post 51.12 (weefsels van gekamde wol of van gekamd fijn haar), omdat de gewichtspercenten wol en fijn haar in dit geval bij elkaar geteld moeten worden;

b. een weefsel met een gewicht van 210g per m2, bestaande uit:

- 40 gewichtspercenten katoen,

- 30 gewichtspercenten kunstmatige stapelvezels en

- 30 gewichtspercenten synthetische stapelvezels

wordt niet ingedeeld onder post 52.11 (weefsels van katoen, bevattende minder dan 85 gewichtspercenten katoen, enkel of hoofdzakelijk met synthetische of kunstmatige vezels gemengd, met een gewicht van meer dan 200g per m2), noch onder post 55.14 (weefsels van synthetische stapelvezels, bevattende minder dan 85 gewichtspercenten van deze vezels, enkel of hoofdzakelijk met katoen gemengd, met een gewicht van meer dan 170g per m2), doch onder post 55.16 (weefsels van kunstmatige stapelvezels). Deze indeling is tot stand gekomen door eerst het toe te passen hoofdstuk te bepalen (in dit geval hoofdstuk 55, omdat de gewichtspercenten synthetische stapelvezels en kunstmatige stapelvezels bij elkaar geteld moeten worden) en daarna de van toepassing zijnde post van dat hoofdstuk. In dit voorbeeld is post 55.16 de laatste post in volgorde van nummering van de verschillende gelijkelijk in aanmerking komende posten;

c. een weefsel bestaande uit:

- 35 gewichtspercenten vlas,

- 25 gewichtspercenten jute en

- 40 gewichtspercenten katoen

wordt niet ingedeeld onder post 52.12 (andere weefsels van katoen), doch onder post 53.09 (weefsels van vlas). Deze indeling is tot stand gekomen door eerst het toe te passen hoofdstuk te bepalen (in dit geval hoofdstuk 53 omdat de gewichtspercenten vlas en jute bij elkaar geteld moeten worden) en daarna de van toepassing zijnde post van dat hoofdstuk. In dit voorbeeld is post 53.09 van toepassing omdat vlas in de samenstelling met een hoger gewicht voorkomt dan jute, terwijl de hoeveelheid katoen overeenkomstig Aantekening 2 B b IDR op deze afdeling buiten beschouwing wordt gelaten;

2. omwoeld paardenhaar en metaalgarens worden geacht één textielstof te zijn, zodat het in beschouwing te nemen gewicht wordt verkregen door samentelling van het gewicht van de componenten;

3. de draden van metaal worden, voor de indeling van de weefsels waarin zij zijn verwerkt, aangemerkt als textiel;

4. indien naast een ander hoofdstuk de hoofdstukken 54 en 55 beide in aanmerking komen, worden deze twee hoofdstukken geacht e¤e¤n hoofdstuk te zijn.

Voorbeeld:

een weefsel bestaande uit:

- 35 gewichtspercenten synthetische filamenten,

- 25 gewichtspercenten synthetische stapelvezels en

- 40 gewichtspercenten gekamde wol

wordt niet ingedeeld onder post 51.12 (weefsels van gekamde wol), doch onder post 54.07 (weefsels van synthetische filamentgarens), omdat de gewichtspercenten synthetische filamenten en synthetische stapelvezels in dit geval bij elkaar geteld moeten worden;

5. vulstoffen en appreteermiddelen, alsmede producten voor het impregneren, bekleden, bedekken of ommantelen, die in de textielvezels zijn gedrongen of deze bedekken, zijn bij de indeling aan te merken als textielstoffen. Daaruit volgt dat het gewicht van de textielvezels genomen wordt in de staat waarin ze worden aangeboden.
Om vast te stellen of een bijmenging hoofdzakelijk uit een bepaalde textielstof bestaat dient rekening te worden gehouden met de textielstof die in de samenstelling van de bijmenging met het hoogste gewicht voorkomt.

Voorbeeld:

een weefsel met een gewicht van niet meer dan 200g per m2, bestaande uit:

- 55 gewichtspercenten katoen,

- 22 gewichtspercenten synthetische of kunstmatige vezels,

- 21 gewichtspercenten wol en

- 2 gewichtspercenten zijde

wordt niet ingedeeld onder post 52.12 (andere weefsels van katoen), doch onder post 52.10 (weefsels van katoen, bevattende minder dan 85 gewichtspercenten katoen, enkel of hoofdzakelijk met synthetische of kunstmatige vezels gemengd,met een gewicht van niet meer dan 200g per m2).
Algemene opmerkingen sub I A.

2
Toelichting EG

Zie voor de toepassing van Aantekening 2 IDR op afdeling XI de toelichting IDR (met name onderdeel I A van de algemene opmerkingen op deze afdeling) (opgenomen in aant. 1 op genoemde Aantekening). Voor de toepassing van Aantekening 2 IDR wordt geen rekening gehouden met: a. draden waaruit zelfkanten zijn samengesteld, voor zover die zelfkanten geen wezenlijk deel van het afgewerkte product uitmaken, zoals het geval is met de zelfkanten van weefsels voor paraplu’s of van weefsels voor sjaals; b. scheidingsdraden die in de weefsels zijn verwerkt om de plaatsen aan te duiden waar de weefsels kunnen worden doorgesneden; c. draden waaruit de eindstukken zijn samengesteld, voor zover deze draden bestaan uit een andere textielstof dan die waaruit het eigenlijke weefsel is samengesteld. Algemene opmerkingen sub 3.

3
Toelichting IDR

Garens

Textielgarens kunnen eendraads, getwijnd of gekabeld zijn. Voor de toepassing van de nomenclatuur worden aangemerkt als:

1. eendraadsgarens, de garens die zijn samengesteld uit:

a. korte vezels (natuurlijke vezels, stapelvezels, afval), gewoonlijk door ineendraaien bijeengehouden gesponnen garen);

b. een filament (monofilament) bedoeld bij een der posten 54.02 tot en met 54.05 of meer filamenten (multifilament) bedoeld bij post 54.02 of 54.03, al dan niet door ineendraaien bij elkaar gehouden continugaren);

2. getwijnde garens, de garens verkregen door het in één bewerking samendraaien (twijnen) van twee of meer eendraadsgarens met inbegrip van de bij post 54.04 of 54.05 bedoelde monofilamenten (met 2, 3, 4 of meer samenstellende draden). Het garen dat uitsluitend bestaat uit monofilamenten bedoeld bij post 54.02 of 54.03 en slechts door ineendraaien bijeen wordt gehouden, wordt echter niet als getwijnd aangemerkt.

Voor getwijnde garens wordt het aantal samenstellende draden bepaald door het aantal eendraadsgarens waaruit het geheel bestaat;

3. gekabelde garens, de garens die zijn samengesteld uit twee of meer garens, waarvan er ten minste een is getwijnd, en die, in een of meer bewerkingen door ineendraaien zijn samengevoegd.

Voor gekabelde garens wordt het aantal samenstellende draden bepaald door het aantal eendraadse of getwijnde garens waaruit het geheel bestaat.

De hiervoor bedoelde garens worden soms geassembleerde garens genoemd indien zij zijn verkregen door het naast elkaar groeperen van twee of meer eendraadsgarens, getwijnde garens of gekabelde garens. Deze garens zijn, al naar gelang de soort waaruit zij zijn samengesteld, aan te merken als eendraads, getwijnd of gekabeld.
Eendraadsgarens, getwijnde en gekabelde garens zijn soms voorzien van op afstand van elkaar liggende lussen, noppen of vlammen (bouclégaren, frottégaren, noppengaren, gevlamd garen).
Ook kunnen zij zijn samengesteld uit twee of meer draden, waarvan er een rond de gronddraad is gedraaid, zonder dat de laatste mede is opgeschoven, waardoor lussen zijn ontstaan (stekeltwijn) of waardoor verdikkingen zijn verkregen.
Gepolijste, geglansde of gelustreerde garens zijn garens die, na behandeling met een appreteermiddel op basis van natuurlijke (was, paraffine, enz.) of synthetische zelfstandigheden (bijvoorbeeld acrylhars), glanzend zijn gemaakt op polijsttrommels.

Garens worden aangeduid met een maat van fijnheid (nummer, titer). Voor het uitdrukken daarvan worden verschillende systemen toegepast. In de gecombineerde nomenclatuur wordt gebruik gemaakt van het universele tex-stelsel, waarbij de lineaire dichtheid wordt uitgedrukt in het gewicht in grammen per kilometer garen, filament, vezel of andere textiellont. Decitex is 0,1 tex.
Voor de omrekening van metrische nummers in decitex wordt de volgende formule gebruikt: 10.000 metrisch nummer = decitex.

Garens kunnen ongebleekt, gebleekt, roomkleurig (crème), geverfd, bedrukt, gespikkeld (jaspégaren), enz. zijn. Zij kunnen ook zijn gezengd (verbranden van de uitstekende vezeleindjes om het pluizig uiterlijk weg te nemen), gemerceriseerd (onder spanning met bijtende soda behandelen), gesmout, enz.

Van de hoofdstukken 50 tot en met 55 zijn uitgezonderd:

a. rubberdraad omwoeld of omvlochten met textiel en textielgarens geïmpregneerd (gedipt daaronder begrepen), bekleed, bedekt of ommanteld met rubber of kunststof, bedoeld bij post 56.04;

b. metaalgarens (post 56.05);

c. omwoeld garen, chenillegaren en kettingsteekgaren, bedoeld bij post 56.06;

d. textielgaren verkregen door vlechten (al naar gelang het geval post 56.07 of 58.08);

e. textielgarens, versterkt met metaaldraad, bedoeld bij post 56.07;

f. garens, monofilamenten of textielvezels, die evenwijdig lopen en aaneen zijn gelijmd (bolduclint), bedoeld bij post 58.06;

g. parallel gelegde textielgarens, die door gummeren met rubber zijn gebonden, bedoeld bij post 59.06. Algemene opmerkingen sub I B 1.

4 en 5
Gereserveerd
6
EG-verordeningen

Een weefsel bestaande uit 60% katoen en 40% polyester moet als een weefsel van katoen onder post 52.11 ingedeeld. Zie Verordening (EG) nr. 961/2000, punt 1, in aant. 3 op post 52.11.

Een weefsel bestaande uit 65% polyester en 35% katoen moet als een weefsel van polyester onder post 55.14 ingedeeld. Zie Verordening (EG) nr. 961/2000, punt 3, in aant. 3 op post 55.14.

Een weefsel bestaande uit 65% polyester en 35% viscose moet als een weefsel van polyester onder post 55.15 ingedeeld. Zie Verordening(EG) nr. 961/2000, punten 4 en 5,in aant. 3 op post 55.15.

Een kussensloop van een gematelasseerde textielstof met een buitenlaag bestaande uit een weefsel (65% polyester, 25% katoen en 10% polypropyleen), een tussenlaag van gelaagde vezels en een binnenlaag van eenkleurig, gebonden textielvlies (100% polypropyleen), moet onder post 63.02 worden ingedeeld. Zie Verordening (EG) nr. 1020/2003 in aant. 3 op post 63.02.

3.

3 (1; 2).

A. In deze afdeling worden, behoudens de in letter B hierna gemaakte uitzonderingen, aangemerkt als ‘bindgaren, touw en kabel’, de garens (eendraads, getwijnd of gekabeld):

a. van zijde of van afval van zijde, van meer dan 20000 decitex;

b. van synthetische of van kunstmatige vezels (die verkregen uit meer dan een monofilament bedoeld bij hoofdstuk 54 daaronder begrepen), van meer dan 10 000 decitex;

c. van hennep of van vlas:

- gepolijst of geglansd, van 1 429 decitex of meer;

- niet gepolijst en niet geglansd, van meer dan 20 000 decitex;

d. van kokosvezels, samengesteld uit drie of meer draden;

e. van andere plantaardige vezels, van meer dan 20 000 decitex;

f. die zijn gewapend met metaaldraad.

B. De in letter A vervatte regels gelden niet ten aanzien van:

a. garens van wol, van haar of van paardenhaar en papiergarens, andere dan die gewapend met metaaldraad;

b. kabel van synthetische of kunstmatige filamenten, bedoeld bij hoofdstuk 55 en multifilament en zonder twist of met twist van minder dan 5 toeren (slagen) per meter, bedoeld bij hoofdstuk 54;

c. poil de Messine (crin de Florence) bedoeld bij post 50.06 en monofilamenten bedoeld bijhoofdstuk 54;

d. metaalgarens bedoeld bij post 56.05; de indeling van met metaaldraad gewapende textielgarens is geregeld in letter A, onder f hiervoor;

e. chenillegarens, omwoelde garens en kettingsteekgarens, bedoeld bij post 56.06.

1
Nadere verwijzing

Zie hierbij Aantekening 2 C IDR hiervoor en de aantekeningen op de posten 56.07 en 58.08.

2
Toelichting IDR

Onderscheid tussen ‘garens’ (eendraads, getwijnd of gekabeld) bedoeld bij de hoofdstukken 50 tot en met 55, bindgaren, touw en kabel bedoeld bij post 56.07 en vlechten bedoeld bij post 58.08.

De hoofdstukken 50 tot en met 55 omvatten niet alle garens. Volgens bepaalde kenmerken (nummer of titer, het gepolijst of geglansd zijn, het aantal samenstellende draden), worden zij ingedeeld onder de op garens betrekking hebbende posten van de hoofdstukken 50 tot en met 55, dan wel als bindgaren, touw of kabel, onder post 56.07, of als vlechten onder post 58.08. Tabel I hierna geeft, voor elk geval, de juiste indeling weer:

Synoptische tabel I. Indeling van garens, bindgaren, touw en kabel

met metaal gewapende (versterkte) garens: in alle gevallen post 56.07

metaalgarens: in alle gevallen post 56.05

omwoeld garen, ander dan bedoeld bij posten 51.10 en 56.05, chenillegaren en kettingsteekgaren: in alle gevallen post 56.06

textielgaren verkregen door vlechten

1. dicht ineen gevlochten en met een compacte structuur post 56.07

2. andere: post 58.08

andere:

– van zijde of van afval van zijde Poil de Messine (crin de Florence) bedoeld bij post 50.06, multifilamentgaren zonder twist of met een twist van minder dan 5 toeren (slagen) per meter en monofilamenten bedoeld bij hoofdstuk 54, alsmede kabel van synthetische en kunstmatige filamenten bedoeld bij hoofdstuk 55 vallen in geen geval onder post 56.07. Algemene opmerkingen sub I B 2:

1. van 20 000 decitex of minder hoofdstuk 50

2. van meer dan 20 000 decitex: post 56.07

– van wol, van haar of van paardenhaar in alle gevallen hoofdstuk 51

– van vlas of van hennep

1. gepolijst of geglansd:

a. van 1429 decitex of meer: post 56.07

b. van minder dan 1429 decitex: hoofdstuk 53

2. niet gepolijst, noch geglansd:

a. van 20 000 decitex of minder: hoofdstuk 53

b. van meer dan 20 000 decitex: post 56.07

– van kokosvezel

1. samengesteld uit een of twee draden: post 53.08

2. samengesteld uit drie of meer draden: post 56.07

– van papier: in alle gevallen post 53.08

– van katoen of andere plantaardige vezels

1. van 20 000 decitex of minder: hoofdstuk 52 of 53

2. van meer dan 20 000 decitex: post 56.07

– van synthetische of kunstmatige textielvezels (garens van twee of meer monofilamenten bedoeld bij hoofdstuk 54 daaronder begrepen Poil de Messine (crin de Florence) bedoeld bij post 50.06, multifilamentgaren zonder twist of met een twist van minder dan 5 toeren (slagen) per meter en monofilamenten bedoeld bij hoofdstuk 54, alsmede kabel van synthetische en kunstmatige filamenten bedoeld bij hoofdstuk 55 vallen in geen geval onder post 56.07. Algemene opmerkingen sub I B 2. ):

1. van 10 000 decitex of minder: hoofdstuk 54 of 55

2. van meer dan 10 000 decitex: post 56.07

(*1) Een verwijzing naar een textielstof geldt ook voor een mengsel dat als deze textielstof wordt ingedeeld met toepassing van Aantekening 2 IDR op afdeling XI (zie de toelichting IDR (algemene opmerkingen) sub I A, in aant. 1 op Aantekening 2 IDR op afdeling XI).

(*2) Poil de Messine (crin de Florence) bedoeld bij post 50.06, multifilamentgaren zonder twist of met een twist van minder dan 5 toeren (slagen) per meter en monofilamenten bedoeld bij hoofdstuk 54, alsmede kabel van synthetische en kunstmatige filamenten bedoeld bij hoofdstuk 55 vallen in geen geval onder post 56.07. Algemene opmerkingen sub I B 2.)

4.

4 (1; 2).

A. Voor de toepassing van de hoofdstukken 50, 51, 52, 54 en 55 worden, behoudens de in letter B hierna gemaakte uitzonderingen, aangemerkt als ‘opgemaakt voor de verkoop in het klein’, de garens (eendraads, getwijnd of gekabeld) die zijn opgemaakt:

a. op kaarten, klossen, buisjes en dergelijke opwindmiddelen, met een gewicht (het gewicht van het opwindmiddel meegerekend) van niet meer dan:

1. 85 g voor zijde, voor afval van zijde en voor synthetische of kunstmatige filamenten;

2. 125 g voor andere textielstoffen;

b. in bollen, kluwens of strengen met een gewicht van niet meer dan:

1. 85 g voor synthetische of kunstmatige filamenten van minder dan 3000 decitex, voor zijde en voor afval van zijde;

2. 125 g voor andere garens van minder dan 2000 decitex;

3. 500 g voor andere garens ;

c. in strengen, die door een of meer verdeeldraden zijn onderverdeeld in van elkaar gescheiden strengetjes van gelijk gewicht, dat niet hoger is dan:

1. 85 g voor zijde, voor afval van zijde en voor synthetische of kunstmatige filamenten;

2. 125 g voor andere garens.

B. De in letter A vervatte regels gelden niet ten aanzien van:

a. eendraadsgarens, ongeacht de textielstof waaruit zij zijn vervaardigd, met uitzondering van:

1. eendraadsgarens van wol of van fijn haar, ongebleekt;

2. eendraadsgarens van wol of van fijn haar, gebleekt, geverfd of bedrukt, van meer dan 5000 decitex;

b. getwijnde of gekabelde garens, ongebleekt:

1. van zijde of van afval van zijde, ongeacht de opmaak;

2. van andere textielstoffen (met uitzondering van wol en van fijn haar) in strengen;

c. getwijnde of gekabelde garens, van zijde of van afval van zijde, gebleekt, geverfd of bedrukt, van niet meer dan 133 decitex;

d. eendraadsgarens, getwijnde of gekabelde garens, ongeacht de textielstof waaruit zij zijn vervaardigd, opgemaakt:

1. op gekruishaspelde strengen;

2. op een opwindmiddel of op enigerlei andere wijze, waaruit het gebruik van die garens in de textielindustrie blijkt (bijvoorbeeld op buisjes voor twijnmachines, op cops, op spoelen of op kegelvormige pijpjes, dan wel als cocons voor borduurmachines).

1
Nadere verwijzing

Zie hierbij Aantekening 2 C IDR hiervoor.

2
Toelichting IDR

Garens opgemaakt voor de verkoop in het klein

In de hoofdstukken 50, 51, 52, 54 en 55 zijn speciale posten opgenomen voor garens opgemaakt voor de verkoop in het klein. Om te worden ingedeeld onder deze posten moeten de genoemde garens voldoen aan de in tabel II hierna opgenomen criteria.

De volgende garens worden echter nooit geacht te zijn opgemaakt voor de verkoop in het klein:

a. eendraadsgarens van zijde, van afval van zijde, van katoen, van synthetische en kunstmatige textielstoffen, ongeacht de opmaak;

b. eendraadsgarens van wol of van fijn haar, gebleekt, geverfd of bedrukt, van 5000 decitex of minder, ongeacht de opmaak;

c. getwijnde of gekabelde garens van zijde of van afval van zijde, ongebleekt, ongeacht de opmaak;

d. getwijnde of gekabelde garens van katoen, van synthetische of kunstmatige textielstoffen, ongebleekt, in strengen;

e. getwijnde of gekabelde garens, van zijde of van afval van zijde, gebleekt, geverfd of bedrukt, van 133 decitex of minder;

f. eendraadsgarens en getwijnde of gekabelde garens, ongeacht de textielstof waarvan zij zijn vervaardigd, op gekruishaspelde strengen(*1)

g. eendraadsgarens en getwijnde of gekabelde garens, ongeacht de textielstof waarvan zij zijn vervaardigd, op een opwindmiddel (op buisjes voor twijnmachines, op cops, op spoelen of kegelvormige pijpjes, op scheerklossen, enz.) of in een andere opmaak (op cocons voor borduurmachines, op spinkoeken verkregen bij de centrifugemethode, enz.), waaruit blijkt dat zij bestemd zijn om in de textielindustrie te worden gebruikt. Algemene opmerkingen sub I B 3.

(*1) Onder gekruishaspeld wordt verstaan het opwikkelen van de draad op zodanige wijze dat deze kruiselings, dat wil zeggen diagonaal, over de haspel wordt gewonden, waardoor wordt voorkomen dat de streng uiteenvalt. Gewoonlijk past men kruishaspelen toe op garens die moeten worden geverfd. Algemene opmerkingen sub I B 3.

niet-gekruishaspeld (parallel)

gekruishaspeld

Synoptische tabel II. Garens opgemaakt voor de verkoop in het klein (onder voorbehoud van de vorenstaande uitzonderingen)

kaarten, klossen, buisjes of dergelijke opwindmiddelen (bijvoorbeeld spoeltjes)

1. garens van zijde, van afval van zijde en van synthetische of kunstmatige filamenten

wegende 85 g of minder (opwindmiddel medegerekend)

 

2.garens van wol, van fijn haar, van katoen en van synthetische of kunstmatige stapelvezels

wegende 125 g of minder (opwindmiddel medegerekend)

bollen, kluwens, strengen, strengetjes

1. garens van synthetische of kunstmatige filamenten van minder dan 3000 decitex, van zijde of van afval van zijde

wegende 85 g of minder

 

2. andere garens van minder dan 2000 decitex

wegende 125 g of minder

 

3. andere garens

wegende 500 g of minder

strengen, die door een of meer verdeeldraden zijn onderverdeeld in van elkaar gescheiden strengetjes Onder strengen die door een of meer verdeeldraden zijn onderverdeeld worden verstaan, strengen waarbij de verschillende strengetjes gevormd worden door één doorlopende draad en die na het doorsnijden van die draad zonder meer van elkaar gescheiden te houden. Deze strengen zijn dikwijls omgeven door een papieren band. Andere strengen, met name die gevormd uit één doorlopend garen, door de windingen waarvan een draad is aangebracht die de streng niet verdeelt in strengetjes van gelijk gewicht, doch uitsluitend dient om het in de war raken bij een verdere bewerking (bijvoorbeeld bij het verven) te voorkomen, worden niet aangemerkt als strengen die door een of meer verdeeldraden zijn onderverdeeld in van elkaar gescheiden strengetjes en worden bijgevolg niet aangemerkt als opgemaakt voor de verkoop in het klein. Algemene opmerkingen sub I B 3.

1. garens van zijde, van afval van zijde, en van synthetische of kunstmatige filamenten

elk strengetje van een gelijk gewicht van 85 g of minder

 

2. garens van wol, van fijn haar, van katoen, en van synthetische of kunstmatige stapelvezels

elk strengetje van een gelijk gewicht van 125 g of minder

(*2) Een verwijzing naar een textielstof geldt ook voor een mengsel dat als deze textielstof wordt ingedeeld met toepassing van Aantekening 2 IDR op afdeling XI (zie de toelichting IDR (algemene opmerkingen) onderdeel I A in aant. 1 op Aantekening 2 IDR op afdeling XI). Algemene opmerkingen sub I B 3.

(*3) Onder strengen die door een of meer verdeeldraden zijn onderverdeeld worden verstaan, strengen waarbij de verschillende strengetjes gevormd worden door een doorlopende draad en die na het doorsnijden van die draad zonder meer van elkaar gescheiden te houden. Deze strengen zijn dikwijls omgeven door een papieren band. Andere strengen, met name die gevormd uit een doorlopend garen, door de windingen waarvan een draad is aangebracht die de streng niet verdeelt in strengetjes van gelijk gewicht, doch uitsluitend dient om het in de war raken bij een verdere bewerking (bijvoorbeeld bij het verven) te voorkomen, worden niet aangemerkt als strengen die door een of meer verdeeldraden zijn onderverdeeld in van elkaar gescheiden strengetjes en worden bijgevolg niet aangemerkt als opgemaakt voor de verkoop in het klein. Algemene opmerkingen sub I B 3.

5.

5 (1; 2; 3).

Voor de toepassing van de posten 52.04, 54.01 en 55.08 worden als ‘naaigarens’ aangemerkt, getwijnde of gekabelde garens, die aan de volgende voorwaarden voldoen:

a. opgemaakt op een opwindmiddel (bijvoorbeeld klossen of buisjes) met een gewicht (het gewicht van het opwindmiddel meegerekend) van niet meer dan 1000 g;

b. geappreteerd met het oog op hun gebruik als naaigaren; en

c. met een ‘Z’-eindtwist.

1
Nadere verwijzing

Zie hierbij Aantekening 2 C IDR hiervoor.

2
Toelichting IDR

Naaigarens
Voor de toepassing van de posten 52.04, 54.01 en 55.08 worden als naaigarens aangemerkt, getwijnde of gekabelde garens, die aan de volgende voorwaarden voldoen:

a. opgemaakt op een opwindmiddel (bijvoorbeeld klossen of buisjes) met een gewicht (het gewicht van het opwindmiddel medegerekend) van niet meer dan 1000 g;

b. geappreteerd met het oog op hun gebruik als naaigaren; en

c. met een ‘Z’-eindtwist.

Onder ‘geappreteerd’ garen wordt verstaan, garen dat een afwerking heeft ondergaan. Deze bewerking is bedoeld om het gebruik als naaigaren te vergemakkelijken, door bijvoorbeeld het garen warmtebestendig of anti-statisch te maken, de wrijvingsweerstand te verminderen of het uiterlijk van het garen te verbeteren. Voor deze bewerking worden preparaten gebruikt op basis van siliconen, zetmeel, was, paraffine, enz.
De lengte van het naaigaren is gewoonlijk op het opwindmiddel vermeld. Algemene opmerkingen sub I B 4.

3
EG Verordening

Getwijnd garen, gebleekt, van synthetische stapelvezels (100% polyester), met een ‘Z’-eindtwist, geappreteerd, opgemaakt op een opwindmiddel, met een gewicht van 1200 gram, moet onder post 55.09 worden ingedeeld. Indeling onder post 55.08 is in verband met Aantekening 5 IDR op afdeling XI uitgesloten. Zie Verordening (EEG) nr. 2174/93 in aant. 3 op post 55.09.

6.

6 (1; 2).

Voor de toepassing van deze afdeling worden als ‘garens met een hoge sterktegraad’ aangemerkt, garens met een sterktegraad, uitgedrukt in cN/tex (centinewton per tex), van meer dan:

- voor eendraadsgarens van nylon of van andere polyamiden, alsmede van polyesters: 60 cN/tex,

- voor getwijnde of gekabelde garens, van nylon of van andere polyamiden, alsmede van polyesters: 53 cN/tex,

- voor eendraadsgarens, alsmede voor getwijnde of gekabelde garens, van viscoserayon: 27 cN/tex.

1
Nadere verwijzing

Zie hierbij Aantekening 2 C IDR hiervoor.

2
Toelichting IDR

Garens met een hoge sterktegraad
In de hoofdstukken 54 en 59 zijn opgenomen garens met een hoge sterktegraad en weefsels verkregen uit deze garens.

Als ‘garens met een hoge sterktegraad’ worden aangemerkt, garens met een sterktegraad, uitgedrukt in cN/tex (centinewton per tex), van meer dan:

- voor eendraadsgarens van nylon of van andere polyamiden, alsmede van polyesters: 60 cN/tex

- voor getwijnde of gekabelde garens, van nylon of van andere polyamiden, alsmede van polyesters: 53 cN/tex

- voor eendraadsgarens, alsmede voor getwijnde of gekabelde garens, van viscoserayon: 27 cN/tex

Algemene opmerkingen sub I B 5.

7.

7 (1).

Voor de toepassing van deze afdeling worden aangemerkt als ‘geconfectioneerd’:

a. artikelen die anders dan vierkant of rechthoekig zijn gesneden (3; 4);

b. artikelen geproduceerd in de afgewerkte staat en gereed voor gebruik of bruikbaar zijn nadat ze zijn gescheiden door het enkel doorsnijden van de niet-geweven verbindende draden, niet genaaid of anderszins aanvullend bewerkt, zoals bepaalde droogdoeken, handdoeken, tafellakens, (vierkante) halsdoeken en dekens (3; 4);

c. op maat gesneden artikelen met ten minste een thermisch gelaste boord met een zichtbaar spits toelopende of gecomprimeerde rand en met de andere boorden behandeld zoals beschreven in een van de andere alinea's van deze aantekening, maar met uitzondering van weefsels waarvan de randen door middel van thermosnijden of op een andere eenvoudige manier zijn afgezet om rafelen te voorkomen;

d. artikelen waarvan de boorden zijn gezoomd, ongeacht op welke wijze, ook indien met een rolnaad, alsmede artikelen afgezet met geknoopte franje die is verkregen, hetzij met behulp van de draden van het weefsel zelf, hetzij door het aanbrengen van draden; weefsels aan het stuk waarvan de randen wegens het ontbreken van zelfkanten zijn afgezet om rafelen te voorkomen, worden echter niet als ‘geconfectioneerd’ aangemerkt (3; 4);

e. artikelen die zijn gesneden, ongeacht in welke vorm, en die, door het uittrekken van draden, van motieven, enz. zijn voorzien;

f. artikelen die zijn aaneengenaaid, aaneengelijmd of anderszins aaneengezet (met uitzondering van stukken van eenzelfde soort textiel, die aan de uiteinden zijn aaneengehecht teneinde een stuk met een grotere lengte te verkrijgen en met uitzondering van stoffen die bestaan uit twee of meer op elkaar gelegde en daarna aaneengestikte lagen textiel, ook indien met een tussenlaag van watten) (7; 8);

g. artikelen, in vorm gebreid of gehaakt, afzonderlijk aangeboden dan wel aangeboden in twee of meer eenheden aan het stuk (9).

1
Toelichting IDR

Geconfectioneerde artikelen
Overeenkomstig het bepaalde bij Aantekening 7 IDR op deze afdeling, worden voor de toepassing van de hoofdstukken 56 tot en met 63 als geconfectioneerd aangemerkt:

1. artikelen die enkel zijn gesneden, anders dan vierkant of rechthoekig, bijvoorbeeld patronen voor kleding uit weefsel; artikelen met geschulpte of gekartelde randen (bijvoorbeeld stofdoeken) worden eveneens als geconfectioneerd aangemerkt;

2. artikelen, die als zodanig dan wel na enkel te zijn gesneden, kunnen worden gebruikt zonder te worden genaaid of zonder een andere aanvullende bewerking te ondergaan. Men bedoelt hier vooral direct in de vorm gebreid of gehaakt brei- of haakwerk, sommige soorten dweilen, handdoeken, tafellakens, hoofddoeken en dekens waarvan aan de randen, in de richting van de ketting of van de inslag of in beide richtingen, de draden losliggen (niet doorgeweven zijn) om franje te verkrijgen. Dergelijke artikelen kunnen afzonderlijk geweven zijn op de weefstoel; ze kunnen ook zijn verkregen door eenvoudig versnijden van weefsels aan het stuk, die op regelmatige afstanden stroken niet doorgeweven (niet gevlochten) draden hebben (gewoonlijk kettingdraden).

Evenbedoelde weefsels aan het stuk worden eveneens als geconfectioneerde artikelen aangemerkt, voor zover door het eenvoudig doorsnijden van de niet doorgeweven draden, gebruiksklare artikelen van de bovenomschreven soort ontstaan.

Echter, vierkante of rechthoekige artikelen, verkregen door eenvoudig snijden uit grotere stukken, die geen verdere bewerking hebben ondergaan en niet zijn voorzien van franje die is verkregen door het doorsnijden van de niet-geweven draden, worden niet beschouwd als ‘gebruiksklare artikelen’ in de zin van deze Aantekening. Het feit dat deze artikelen in gevouwen toestand of verpakt kunnen worden aangeboden (bijvoorbeeld opgemaakt voor de verkoop in het klein) heeft geen invloed op hun indeling;

3. op maat gesneden artikelen met ten minste een thermisch gelaste boord met een zichtbaar spits toelopende of gecomprimeerde rand en met de andere boorden behandeld zoals beschreven in een van de andere alinea's van deze aantekening, maar met uitzondering van weefsels waarvan de randen door middel van thermosnijden of op een andere eenvoudige manier zijn afgezet om rafelen te voorkomen;

4. artikelen, waarvan de boorden zijn gezoomd, ongeacht op welke wijze, ook indien met een rolnaad, alsmede artikelen afgezet met geknoopte franje die is verkregen, hetzij met behulp van de draden van het weefsel zelf, hetzij door het aanbrengen van draden, bijvoorbeeld zakdoeken met rolnaad en tafelkleden met geknoopte franje. Weefsels aan het stuk waarvan de randen wegens het ontbreken van zelfkanten eenvoudig zijn afgezet (bijvoorbeeld met wijde steken) om rafelen te voorkomen, worden echter niet als ‘geconfectioneerd’ aangemerkt;

5. artikelen die zijn gesneden ongeacht in welke vorm en die door het eenvoudig uittrekken van draden, van motieven, enz., zijn voorzien. Dergelijke artikelen worden verkregen door het uittrekken van bepaalde ketting- of inslagdraden na het weven en zonder verdere bewerking (bijvoorbeeld borduren). Zij worden veelal gebruikt voor het maken van lingerie;

6. artikelen die zijn aaneengenaaid, aaneengelijmd of anderszins aaneengezet. Tot de talrijke artikelen die hier bedoeld zijn, behoort kleding. Als geconfectioneerd worden echter niet aangemerkt stukken textiel van dezelfde soort, die met de uiteinden aaneen zijn gehecht en evenmin stoffen die bestaan uit twee of meer op elkaar gelegde lagen textiel. Als geconfectioneerd worden evenmin aangemerkt textielproducten aan het stuk, bestaande uit een of meer lagen textiel, die door stikken of op andere wijze zijn samengevoegd met watten of ander opvulmateriaal;

7. artikelen in de vorm gebreid of gehaakt, afzonderlijk aangeboden dan wel aangeboden in twee of meer eenheden aan het stuk. Algemene opmerkingen sub II.

2
Gereserveerd
3
EG-verordeningen

Een gordijn van borduurwerk waarvan het grondweefsel, dat 90,2% van het totaalgewicht uitmaakt, bestaat uit 52,7% linnen en 47,3% katoen, moet onder post 63.03 worden ingedeeld.

Zie Verordening (EEG) nr. 3295/93, punt 2, in aant. 3 op post 63.03.

Een dunne laddervrije interlock poetsdoek moet onder post 63.07 worden ingedeeld. Omdat de randen thermisch zijn gelast, moet het artikel als geconfectioneerd worden aangemerkt. Zie Verordening (EG) nr. 1017/2002, punt 1, in aant. 3 op post 63.07.

Een artikel voor decoratie, te weten een vijfpuntige ster vervaardigd uit een weefsel van metaalgaren en andere garens, moet als een ander geconfectioneerd artikel onder post 63.07 worden ingedeeld. Zie Verordening (EG) nr. 1017/2002, punt 2, in aant. 3 op post 63.07.

Een artikel van een weefsel van textiel (100% katoen), ongebleekt, rechthoekig, ongeveer 180 bij 90 cm, met gezoomde boorden in de breedte en met zelfkanten aan de lengtezijden, moet als geconfectioneerd worden aangemerkt en als beddenlinnen onder post 63.02 worden ingedeeld. Zie Verordening (EG) nr. 338/2006 in aant. 3 op post 63.02.

Een schijf bestemd om te worden bevestigd aan machines voor de vervaardiging van wafers van silicium of ander halfgeleidermateriaal, moet onder meer met toepassing van Aantekening 7 b IDR op afdeling XI, onder post 59.11 worden ingedeeld. Zie verordening (EU) nr. 336/2010, punt 2, in aant. 3 op post 59.11.

Een bepaalde scheurbestendige armband van gebonden textielvlies van synthetische filamenten (polyethyleen) versterkt met een bindmiddel, moet, onder meer met toepassing van Aantekening 7 b IDR op afdeling XI, als ander geconfectioneerd artikel onder post 63.07 worden ingedeeld. Zie Verordening (EU) nr. 894/2012 in aant. 3 op post 63.07.

Een artikel bestaande uit een glanzend doorschijnend weefsel (100 % polyester) met daarop een machinaal geborduurde versiering, aangeboden op rollen met een lengte van 300 cm, moet onder meer met toepassing van Aantekening 7 d IDR op afdeling XI, onder post 63.03 worden ingedeeld.

Een van de twee lengtezijden van het artikel is afgezet met een interlocksteek en in het gestikte tunnelband is een met stof bekleed loodkoord ingewerkt. De andere zijde heeft een dicht geweven zelfkant om rafelen te voorkomen en de inslagdraden lopen over de rand uit in de vorm van franjes.

Het stuk stof dat van de rol wordt afgeknipt, komt overeen met de breedte van het te maken gordijn. Om het gordijn te maken, moet de stof vervolgens alleen nog aan de zijde van de dicht geweven zelfkant op de vereiste lengte worden gesneden en moeten deze zijde en de twee zijden die van de rol zijn afgeknipt, worden afgezoomd. De zijde die is afgezet met de interlocksteek, vormt de onderkant van het gordijn en ondergaat geen verdere bewerking.

Het niet-afgewerkte artikel wordt beschouwd als geconfectioneerd, omdat één zijde (de zijde die is afgezet met de interlocksteek) al is afgezoomd. Zie Verordening (EU) 2015/2320 in aant. 3 op post 63.03.

4
Jurisprudentie

Weefsel met platbinding bedoeld om enkel door versnijding op lengte een paar ‘Khangas’ te verkrijgen, moet onder post 52.08 worden ingedeeld. Zie tarifering IDR 5208.51/1 op post 52.08 in aant. 4 op die post.

Niet-geweven rechthoekige reinigingsdoekjes van kunstmatige filamenten moeten onder meer met toepassing van Aantekening 7 IDR op afdeling XI, onder post 56.03 worden ingedeeld. Zie conclusie 176e vergadering Comité douanewetgeving op post 56.03 in aant. 4 op die post.

Schoonmaakdoekjes die vierkant respectievelijk rechthoekig zijn gesneden en die zonder een aanvullende bewerking overeenkomstig hun gebruiksdoel kunnen worden gebruikt, moeten onder meer met toepassing van Aantekening 7 IDR op afdeling XI, onder post 63.07 worden ingedeeld. Zie DKH 12 maart 2018, nr. 15/3468, in aant. 4 op post 63.07.

In uitspraak in hoger beroep verklaart de DK het beroep gegrond en vernietigt de uitspraak van de DKH. Naar het oordeel van de DK is er geen sprake van geconfectioneerde artikelen en dienen de onderwerpelijke schoonmaakdoekjes te worden ingedeeld onder post 60.03 (Brei- en haakwerk aan het stuk, met een breedte van niet meer dan 30 cm, ander dan bedoeld bij de posten 60.01 en 60.02). Zie DK 11 juni 2019, nrs. 18/00231 tot en met 18/00234, opgenomen in aant 4 op post 60.03.

5 en 6
Gereserveerd
7
Jurisprudentie

Een kinderdraagstel moet onder post 63.07 worden ingedeeld. Zie tarifering IDR 6307.90/7 op post 63.07 in aant. 4 op die post.

Een babydraagstel moet onder post 63.07 worden ingedeeld. Zie tarifering IDR 6307.90/8 op post 63.07 in aant. 4 op die post.

Stof die dient voor het vervaardigen van plisségordijnen met een breedte van drie meter, moet onder post 63.07 worden ingedeeld. Anders dan belanghebbende is de DK van oordeel dat het hier een geconfectioneerd artikel betreft. Het product moet daarom worden ingedeeld onder post 63.07 als een ‘ander geconfectioneerd artikel’. Zie DK 14 februari 2017, nr. 16/00295, in aant. 4 op post 63.07.

In uitspraak op beroep in cassatie oordeelt de HR dat het middel niet tot cassatie kan leiden en verklaart het beroep ongegrond. HR 30 maart 2018, nr. 17/01603 (Douanerechtspraak 2018/86).

Smalle geweven banden, van synthetische of kunstmatige vezels, moeten onder meer met toepassing van Aantekening 7 f IDR op afdeling XI onder post 63.07 worden ingedeeld. Ze hebben aan de voorkant een tekst of een decoratief dessin en zijn aan de achterkant effen gekleurd. Sommige banden hebben een decoratief ontwerp dat in het materiaal is geweven. Beide uiteinden van een band worden door een sluitmechanisme van bijvoorbeeld kunststof of metaal gestoken. Deze artikelen zijn te gebruiken als armband/festival polsbandje. Zie conclusie 223e vergadering Comité douanewetboek op post 63.07 in aant. 4 op die post.

8
EG-verordeningen

Een kinderdraagstel vervaardigd van aluminiumbuizen en stukken textiel van weefsel en breiwerk (synthetische vezels) welke door aaneennaaien zijn geconfectioneerd, moet als een ander geconfectioneerd artikel onder post 63.07 worden ingedeeld. Dit artikel heeft niet de wezenlijke kenmerken van zakken en dergelijke bergingsmiddelen van post 42.02 omdat het artikel is ontworpen voor het dragen van kinderen. Zie Verordening (EG) nr. 1529/1999, punt 3, in aant. 3 op post 63.07.

Een zonwerend scherm in de vorm van een kattenkop, dat met een zuignap van kunststof aan een vensterruit kan worden bevestigd, moet als een ander geconfectioneerd artikel van textiel onder post 63.07 worden ingedeeld. Zie Verordening (EG) nr. 1564/2000, punt 2, in aant. 3 op post 63.07.

Een haarband, zijnde een geconfectioneerd artikel bestaande uit een ringvormige elastische band overtrokken met een weefsel van synthetische of kunstmatige vezels, moet als ander geconfectioneerd kledingtoebehoren onder post 62.17, worden ingedeeld. Zie Verordening (EG) nr. 926/2004, punt 2, in aant. 3 op post 62.17.

Een vest met twee reflecterende horizontale stroken moet onder post 61.10 worden ingedeeld. Zie Verordening (EG) nr. 1559/2004 in aant. 3 op post 61.10.

Een schoonmaakdoekje bestaande uit een spons van kunststof met celstructuur (polyurethaan) (11,5 cm × 8,2 cm × 1,1 cm) en een doek van breiwerk van polyester, die de spons omgeeft, moet onder meer met toepassing van Aantekening 7 f IDR op afdeling XI onder post 63.07 worden ingedeeld.

De doek, die een textielartikel is, is een geconfectioneerd artikel in de zin van Aantekening 7 f IDR op afdeling XI, omdat de gebreide stof is aangelijmd. Zie Verordening (EU) nr. 873/2011 in aant. 3 op post 63.07.

Een zogenoemd gordijnpaneel moet onder post 63.03 worden ingedeeld. Het betreft een rechthoekig artikel met afmetingen van ongeveer 60 × 300 cm, samengesteld uit twee verschillende lagen (een laag van weefsel en een laag van papier) aaneengelijmd en met een totale dikte van ongeveer 0,26 mm.

Omdat het artikel bestaat uit twee verschillende aaneengelijmde materialen (het gebonden textielvlies van polyester en het papier), wordt het artikel aangemerkt als een geconfectioneerd artikel in de zin van Aantekening 7 f IDR op afdeling XI. Zie Verordening (EU) nr. 297/2012 in aant. 3 op post 63.03.

Bepaalde beschermende werk- en bedrijfskleding moet onder post 62.11 worden ingedeeld. Het artikel bestaat uit drie aaneengenaaide panden. Ieder pand bestaat uit drie lagen, de twee buitenste lagen zijn van geweven textielstof van synthetische vezels (nylon) en een binnenste laag die dient ter bescherming tegen straling, vervaardigd van een mengsel van antimoonpoeder, wolfraampoeder en een polymeer. De drie lagen zijn langs alle randen aaneengenaaid met een opgebracht lint. Zie Verordening (EU) nr. 298/2012 in aant. 3 op post 62.11.

Een geconfectioneerd artikel van textiel voor het bewaren van kleine voorwerpen moet onder meer met toepassing van Aantekening 7 f IDR op afdeling XI, onder post 63.07 worden ingedeeld. Zie Verordening (EU) nr. 1171/2012 in aant. 3 op post 63.07.

Een artikel bestaande uit een platte doek in de vorm van een vogel moet onder meer met toepassing van Aantekening 7 f IDR op afdeling XI, onder post 63.07 worden ingedeeld. Zie Verordening (EU) nr. 671/2013 in aant. 3 op post 63.07.

Een artikel bestaande uit een platform van hout (van ongeveer 40 cm bij 40 cm) dat aan de bovenkant en de randen is bedekt met een met vilt gevoerd weefsel van synthetische vezels (polypropyleen), moet onder meer met toepassing van Aantekening 7 f IDR op afdeling XI, onder post 63.07 worden ingedeeld. Het weefsel heeft een drager van kunststof met celstructuur.

In het midden van het platform is een 60 cm hoge buis van karton gemaakt met een afsluiting aan beide uiteinden. De afsluiting aan de onderkant is gemaakt van hard kunststof en er is een schroef door het houten platform in deze kunststof afsluiting geplaatst om het platform aan de buis te bevestigen. De afsluiting aan de bovenkant van de buis bestaat uit een rond stuk houten materiaal met een diameter van ongeveer 12 cm en is bekleed met fluweel (een pluche van 60% polyacryl en 40% polyester).

De buis is bekleed met een sisalmat die erop is gelijmd en vast is geniet. De sisalmat bestaat uit een latex drager op een weefsel van gesponnen plantaardige vezels van sisal. De gesponnen strengen sisalvezels zijn elk meer dan 20 000 decitex.

Gezien zijn objectieve kenmerken is het artikel een artikel voor katten, ontworpen om katten aan te trekken en hen uit de buurt te houden van meubelen waar zij anders op zouden gaan zitten of aan zouden krabben. Zie Verordening (EU) nr. 1229/2013 in aant. 3 op post 63.07.

Een ringvormig textielovertrek van weefsel van polyester, bedoeld voor banden van specifieke soorten auto's ter verbetering van de loopvlakfunctie van de band tijdens het rijden op sneeuw, moet onder meer met toepassing van Aantekening 7 f IDR op afdeling XI, onder post 63.07 worden ingedeeld. Zie Verordening (EU) nr. 874/2014 in aant. 3 op post 63.07.

Een artikel van textiel, waarin een persoon in zittende positie met een lift kan worden opgetild, moet onder meer met toepassing van Aantekening 7 f IDR op afdeling XI, onder post 63.07 worden ingedeeld. Zie Verordening (EU) 2015/804 in aant. 3 op post 63.07.

Een bepaald artikel (rolgordijn) bestaande uit een rechthoekig stuk doorzichtige textielstof die is vervaardigd van fijnmazig breiwerk van synthetische vezels, een rail van kunststof en een rolmechanisme van kunststof en metaal, ontworpen om permanent te worden bevestigd aan het portier van een specifiek model motorvoertuig, moet onder meer met toepassing van Aantekening 7 f IDR op afdeling XI, onder post 63.03 worden ingedeeld. Het rolgordijn is samengesteld uit onderdelen van textielstof, kunststof en metaal. Het artikel is derhalve een geconfectioneerd artikel. Zie Verordening (EU) 2016/137 in aant. 3 op post 63.03.

Een artikel van textielweefsel (katoen), bestaande uit drie zakken van textiel die aaneengenaaid en ontworpen zijn om aan een hoge stang van een bed te hangen, moet onder meer met toepassing van Aantekening 7 f IDR op afdeling XI, onder post 63.07 worden ingedeeld.
Het artikel is bestemd voor het bewaren van kleine voorwerpen. De zakken kunnen worden versierd in het thema van de kinderkamer. Zie Verordening (EU) 2019/645 in aant. 3 op post 63.07.

Een zogeheten activiteitenriem, zoals hierna omschreven, moet onder post 63.07 worden ingedeeld. Het betreft een pijpvormig artikel vervaardigd van gebreide stof die bestaat uit 88% polyester en 12% elastaan, met een omtrek van 66 cm. Het artikel is vervaardigd uit twee rechthoekige stukken gebreid textielweefsel met dezelfde afmetingen die op elkaar zijn geplaatst en aan drie zijden aan elkaar zijn genaaid om een omkeerbare elastische ‘activiteitenriem’ te vormen.
Het artikel is uitgerust met reflectoren, een vlakke zak met een rits en twee kleine openingen, waarvan er één een lint met een elastiek heeft. Het artikel heeft geen sluitingen.
Het artikel is ontworpen om rond de taille te worden gedragen, bijvoorbeeld tijdens sportactiviteiten. In de zakken/openingen kunnen kleine voorwerpen zoals sleutels, kredietkaarten en dergelijke worden opgeborgen.
De activiteitenriem heeft de objectieve kenmerken van een geconfectioneerd artikel in de zin van post 63.07 en op grond van Aantekening 7 f IDR op afdeling XI. Zie Verordening (EU) 2019/925 in aant. 3 op post 63.07.

Feestverlichting in de vorm van een holle bal van garen, van strippen of dergelijke bedoeld bij post 54.04 of 54.05, met een kleine ronde opening met een zachte kunststof lamel eromheen, zodat het bijvoorbeeld op elektrische lichtsnoeren kan worden aangebracht moet onder meer met toepassing van Aantekening 7 f IDR op afdeling XI, onder post 56.09 worden ingedeeld.

Het artikel bestaat in verschillende kleuren en maten en wordt afzonderlijk ingevoerd. Het is ontworpen voor gebruik als zelfstandige decoratie of in combinatie met bijvoorbeeld feestverlichting. Zie Verordening (EU) 2020/724 in aant. 3 op post 56.09.

Een ovaal artikel met een lengte van ongeveer 180 cm en een breedte van ongeveer 95 cm op het breedste punt moet onder meer met toepassing van Aantekening 7 f IDR op afdeling XI, onder post 63.06 worden ingedeeld. Het artikel bestaat uit losjes gehaakte textielstof die een netachtige structuur vormt die is bevestigd aan een opblaasbare buis van kunststof die de textielstof omvat. Aan één zijde van de buis is een opblaasbaar kussen van kunststof bevestigd. De buis en het kussen zijn volledig omhuld door textielweefsel van synthetisch filamentgaren.
De buitenzijde van het artikel is volledig van textielstoffen, die een groter volume hebben dan de kunststof. Met name de netachtige structuur waarin de gebruiker ligt, is uitsluitend van textielstoffen. Wat betreft gewicht en waarde heeft de kunststof echter een groter aandeel dan de textielstoffen.
Het artikel is ontworpen om op water te drijven, zoals een luchtmatras. Zie Verordening (EU) 2021/957 in aant. 3 op post 63.06.

Een vlak, rechthoekig artikel dat op basis van de informatie op de verpakking wordt aangeboden als zijwand voor een tent, moet onder meer met toepassing van Aantekening 7 f IDR op afdeling XI, onder post 63.07 worden ingedeeld. Het artikel (met afmetingen van ongeveer 2,50 m × 2,50 m) dat afzonderlijk wordt ingevoerd (zonder dak en andere wanden en zonder draagconstructie) bestaat uit lichtgewicht textielweefsel (100% polyester vezels), aan één zijde bekleed met kunststof (pvc) die niet met het blote oog zichtbaar is. Het artikel heeft ritssluitingen die aan de randen van drie zijden zijn genaaid om het aan een tent te bevestigen.
Post 63.07 heeft betrekking op andere geconfectioneerde artikelen van textiel, voor zover deze niet onder andere posten van afdeling XI vallen. Post 63.07 omvat eveneens geconfectioneerde vlakke beschermingskleden, andere dan dekkleden en grondzeilen bedoeld bij post 63.06.
Het artikel moet daarom onder post 63.07 worden ingedeeld als andere geconfectioneerde artikelen. Zie Verordening (EU) 2021/1370 in aant. 3 op post 63.07.

 

 

 

9
EG Verordening

Een haarband, zijnde een geconfectioneerd artikel bestaande uit buisvormig elastisch breiwerk, moet als ander geconfectioneerd kledingtoebehoren onder post 61.17, worden ingedeeld. Zie Verordening (EG) nr. 926/2004, punt 1, in aant. 3 op post 61.17.

8.

8 (3).

Voor de toepassing van de hoofdstukken 50 tot en met 60:

a. hebben de hoofdstukken 50 tot en met 55 en 60 en, voor zover uit de context niet het tegendeel blijkt, de hoofdstukken 56 tot en met 59 geen betrekking op artikelen die, volgens aantekening 7 hiervoor, als geconfectioneerd zijn aan te merken;

b. de hoofdstukken 50 tot en met 55 en 60 omvatten geen artikelen bedoeld bij de hoofdstukken 56 tot en met 59.

1 en 2
Gereserveerd
3
EG-verordeningen

Gebonden textielvlies bestaande uit een vlies van meerdere lagen kokosvezels die onderling zijn gebonden over de gehele dikte van het vlies met een bindmiddel (latex) en een warmtebehandeling, moet onder post 56.03 worden ingedeeld. Zie Verordening (EG) nr. 1458/97, punt 1, in aant. 3 op post 56.03.

Een bepaalde scheurbestendige armband van gebonden textielvlies van synthetische filamenten (polyethyleen) versterkt met een bindmiddel, moet, onder meer met toepassing van Aantekening 8 a IDR op afdeling XI, onder post 63.07 worden ingedeeld. Zie Verordening (EU) nr. 894/2012 in aant. 3 op post 63.07.

Een artikel bestaande uit een glanzend doorschijnend weefsel (100 % polyester) met daarop een machinaal geborduurde versiering, aangeboden op rollen met een lengte van 300 cm, moet onder meer met toepassing van Aantekening 7 d IDR op afdeling XI, onder post 63.03 worden ingedeeld.

Een van de twee lengtezijden van het artikel is afgezet met een interlocksteek en in het gestikte tunnelband is een met stof bekleed loodkoord ingewerkt. De andere zijde heeft een dicht geweven zelfkant om rafelen te voorkomen en de inslagdraden lopen over de rand uit in de vorm van franjes.

Het stuk stof dat van de rol wordt afgeknipt, komt overeen met de breedte van het te maken gordijn. Om het gordijn te maken, moet de stof vervolgens alleen nog aan de zijde van de dicht geweven zelfkant op de vereiste lengte worden gesneden en moeten deze zijde en de twee zijden die van de rol zijn afgeknipt, worden afgezoomd. De zijde die is afgezet met de interlocksteek, vormt de onderkant van het gordijn en ondergaat geen verdere bewerking.

Het niet-afgewerkte artikel wordt beschouwd als geconfectioneerd, omdat één zijde (de zijde die is afgezet met de interlocksteek) al is afgezoomd. Zie Verordening (EU) 2015/2320 in aant. 3 op post 63.03.

Een geconfectioneerd artikel van textiel voor het bewaren van kleine voorwerpen moet onder meer met toepassing van Aantekening 8 a IDR op afdeling XI, onder post 63.07 worden ingedeeld. Zie Verordening (EU) nr. 1171/2012 in aant. 3 op post 63.07.

Een artikel bestaande uit een platte doek in de vorm van een vogel moet onder meer met toepassing van Aantekening 8 a IDR op afdeling XI, onder post 63.07 worden ingedeeld, Zie Verordening (EU) nr. 671/2013 in aant. 3 op post 63.07.

Feestverlichting in de vorm van een holle bal van garen, van strippen of dergelijke bedoeld bij post 54.04 of 54.05, met een kleine ronde opening met een zachte kunststof lamel eromheen, zodat het bijvoorbeeld op elektrische lichtsnoeren kan worden aangebracht moet onder meer met toepassing van Aantekening 8 a IDR op afdeling XI, onder post 56.09 worden ingedeeld

 Het artikel bestaat in verschillende kleuren en maten en wordt afzonderlijk ingevoerd. Het is ontworpen voor gebruik als zelfstandige decoratie of in combinatie met bijvoorbeeld feestverlichting. Zie Verordening (EU) 2020/724 in aant. 3 op post 56.09.

 

9.

9 (1; 4).

Als weefsels in de zin van de hoofdstukken 50 tot en met 55 worden eveneens aangemerkt producten bestaande uit lagen evenwijdig liggende textieldraden, die zodanig op elkaar zijn geplaatst, dat de draden van de verschillende lagen elkaar onder een scherpe of een rechte hoek kruisen en op die kruispunten met behulp van een kleefstof of door thermisch lassen aan elkaar zijn gehecht

1
Toelichting IDR

Weefsels
Voor de toepassing van de hoofdstukken 50 tot en met 55 worden als weefsels aangemerkt de producten die verkregen worden op het weefgetouw door het vlechten van ketting- en inslagdraden van textielgarens bedoeld bij de hoofdstukken 50 tot en met 55, dan wel van bindgaren, enz. bedoeld bij post 56.07, voorgesponnen garens, monofilamenten of strippen en dergelijke bedoeld bij hoofdstuk 54, kettingsteekgarens, lint, zgn. bolduclint, vlechten, enz. Bepaalde weefsels zijn echter van deze hoofdstukken uitgezonderd, bijvoorbeeld:

a. tapijten (hoofdstuk 57);

b. fluweel, pluche en chenilleweefsels bedoeld bij post 58.01, lussenweefsel bedoeld bij post 58.02, weefsel met gaasbinding bedoeld bij post 58.03, tapisserieën bedoeld bij post 58.05, lint bedoeld bij post 58.06 en weefsels van metaaldraad of van metaalgarens bedoeld bij post 58.09;

c. beklede, geïmpregneerde, enz., weefsels bedoeld bij post 59.02 of weefsel voor technisch gebruik bedoeld bij post 59.11;

d. geconfectioneerde weefsels in de zin van Aantekening 7 IDR op afdeling XI (Algemene opmerkingen sub II).

Met inachtneming van het bepaalde onder de letters a tot en met d hiervoor, worden met toepassing van Aantekening 9 IDR op afdeling XI, als weefsels in de zin van de hoofdstukken 50 tot en met 55 aangemerkt, de producten bestaande bijvoorbeeld uit:

- een serie parallel liggende draden (ketting) met daaronder onder een scherpe of rechte hoek een serie parallel lopende draden (inslag);

- twee series parallel lopende draden (ketting) met daartussen onder een scherpe of rechte hoek een serie parallel lopende draden (inslag).

Kenmerkend voor deze producten is dat ketting- en inslagdraden elkaar niet kruisen zoals bij de klassieke weefsels, doch op kruispunten aan elkaar zijn gehecht met behulp van een kleefstof of door thermisch lassen.

Deze producten van weefsels met open mazen worden bijvoorbeeld gebruikt als armatuur voor andere stoffen (kunststof, papier, enz.) of voor het beschermen van gewassen.

De weefsels bedoeld bij de hoofdstukken 50 tot en met 55 mogen zijn: ongebleekt, roomkleurig, gebleekt, geverfd, bontgeweven, bedrukt, gevlamd, gemerceriseerd, geglansd, gemoireerd, gegaufreerd, geruwd, gevold, gezengd, enz. Zij omvatten zowel de opgemaakte als de niet-opgemaakte weefsels alsmede weefsels met toegevoegde ketting- en/of inslagdraden. De extra ingeweven ketting- en/of inslagdraden vormen soms motieven aan de bovenzijde van het weefsel en liggen onderaan veelal los; de losliggende draden kunnen worden afgeknipt. Deze weefsels (brochéweefsels, plumetis en dergelijke) mogen niet worden aangemerkt als borduurwerk.

De hoofdstukken 50 tot en met 55 hebben ook betrekking op weefsels, waarvan de inslagdraden op bepaalde plaatsen zijn opgelost, teneinde een dessineffect te verkrijgen op de plaatsen waar de ketting- en de inslagdraden overblijven (bijvoorbeeld een weefsel met ketting van viscoserayon en inslag van acetaatrayon, waarvan de inslag door middel van een oplosmiddel gedeeltelijk is verwijderd). Algemene opmerkingen sub I C.

2 en 3
Gereserveerd
4
Jurisprudentie

Weefsels (andere dan brei- of haakwerk) aan het stuk, geplisseerd en met een zoom die door enkel omvouwen van het weefsel is verkregen moeten onder de hoofdstukken 50 tot en met 55 worden ingedeeld (IDR). Tarifering IDR 50/1 t/m 55/1.

Weefsels aan het stuk die op een zodanige wijze met scheerhaar (tontisse) zijn bedekt, dat borduureffecten zijn verkregen moeten onder de hoofdstukken 50 tot en met 55 worden ingedeeld. Indeling moet geschieden volgens het grondweefsel zonder rekening te houden met de textielstof waaruit het scheerhaar bestaat (IDR). Tarifering IDR 50/2 t/m 55/2.

Band aan het stuk, met een breedte van niet meer dan 30 cm en een dikte van minder dan 3 mm, verkregen door het enkel versnijden van twee geheel op elkaar geplakte stukken weefsel, niet voorzien van zelfkanten, moet onder de hoofdstukken 50 tot en met 55 worden ingedeeld (IDR). Tarifering IDR 50/3 t/m 55/3.

10.

10 (1; 3).

Elastische producten bestaande uit textielstoffen gecombineerd met rubberdraden worden ingedeeld onder deze afdeling.

1
Toelichting IDR

Textielproducten gecombineerd met rubberdraden

Volgens het bepaalde in Aantekening 10 IDR op deze afdeling worden elastische producten bestaande uit textielstoffen gecombineerd met rubberdraden ingedeeld onder afdeling XI. Draad en koord van rubber, omwoeld of omvlochten met textiel worden onder post 56.04 ingedeeld.

Andere textielproducten gecombineerd met rubberdraden worden ingedeeld, in het bijzonder, onder de hoofdstukken 50 tot en met 55, 58 en 60 tot en met 63, naar gelang van het geval. Algemene opmerkingen sub III.

2
Gereserveerd
3
EG Verordening

Een haarband, zijnde een geconfectioneerd artikel bestaande uit buisvormig elastisch breiwerk, moet als ander geconfectioneerd kledingtoebehoren onder post 61.17, worden ingedeeld. Aantekening 10 IDR op afdeling XI vermeldt uitdrukkelijk dat elastische producten samengesteld uit textielstoffen gecombineerd met rubberdraden onder afdeling XI worden ingedeeld. Zie Verordening (EG) nr. 926/2004, punt 1, in aant. 3 op post 61.17.

11.

11.

Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder ‘geïmpregneerd’ mede verstaan ‘gedipt’.

12.

12.

Voor de toepassing van deze afdeling worden onder ‘polyamiden’ mede verstaan ‘aramiden’.

13.

13 (1).

In deze afdeling en, in voorkomend geval, elders in de nomenclatuur worden aangemerkt als ‘elastomeergarens’, filamentgarens (monofilamenten daaronder begrepen) van synthetische textielstoffen, andere dan getextureerde garens, die niet afbreken indien zij uitgerekt worden tot driemaal hun aanvankelijke lengte en die, na te zijn uitgerekt tot tweemaal hun aanvankelijke lengte, binnen vijf minuten weer krimpen tot een lengte niet groter dan anderhalfmaal hun aanvankelijke lengte.

1
Toelichting IDR

Elastomeergarens zijn omschreven in Aantekening 13 IDR op deze afdeling. Opgemerkt wordt dat de getextureerde garens, waarnaar in deze Aantekening wordt verwezen, zijn omschreven in de aanvullende toelichting IDR op de onderverdelingen 5402.31 tot en met 5402.39. Algemene opmerkingen sub I B 6.

14.

14 (2; 4).

Tenzij uit de context het tegendeel blijkt, worden kledingstukken van textiel die onder verschillende posten vallen, ingedeeld onder hun eigen post, zelfs indien zij zijn opgemaakt in stellen of assortimenten voor de verkoop in het klein. Voor de toepassing van deze aantekening worden onder ‘kledingstukken van textiel’ verstaan kledingstukken bedoeld bij de posten 61.01 tot en met 61.14 en 62.01 tot en met 62.11.

1
Gereserveerd
2
EG-verordeningen

Een bovenkledingstuk en een slip die een samenstelling vormen voor dames of voor meisjes, van breiwerk, waarvan de beide kledingstukken van dezelfde stof, samenstelling en kleur zijn (zie de afbeeldingen 1 en 2 aan het slot van post 61.14, onderscheidenlijk afbeelding 1 aan het slot van post 61.08), moeten onder post 61.14, onderscheidenlijk post 61.08 worden ingedeeld. Zie Verordening (EEG) nr. 1584/89, punt 1, in aant. 3 op de posten 61.08 en 61.14.

Een tweekleurig gestreept T-shirt en een effen pantalon die een set vormen, waarvan beide kledingstukken van dezelfde kwaliteit breiwerk zijn vervaardigd en van eenzelfde soort knopen zijn voorzien (zie de afbeeldingen 1 en 2 aan het slot van post 61.07), moeten onder post 61.09, onderscheidenlijk post 61.04, worden ingedeeld. Zie Verordening (EEG) nr. 893/93, punt 2, in aant. 3 op post 61.07.

Een pullover en een broek, die beide van brei- of haakwerk zijn vervaardigd en die een set vormen (zie de afbeeldingen 3 en 4, alsmede 5 en 6, aan het slot van post 61.07), moeten onder post Afd. XI. Textielstoffen en textielwaren 61.10, onderscheidenlijk 61.04, worden ingedeeld. Zie Verordening (EG) nr. 1054/97, punten 5 en 6, in aant. 3 op post 61.07.

Een anorak, een blouson en een broek, die een assortiment vormen, kunnen niet als ensemble onder dezelfde post worden ingedeeld, omdat de kledingstukken niet van dezelfde structuur, kleur, samenstelling en stijl zijn. Zie Verordening (EG) nr. 2855/2000, punt 5, in aant. 3 op de posten 61.01, 62.01 en 62.03.

Een effen gekleurd T-shirt en een effen gekleurde korte broek, die beide van lichtgewicht brei- of haakwerk zijn vervaardigd en die een set vormen (zie de afbeeldingen 7 en 8 aan het slot van post 61.07), moeten onder post 61.09, onderscheidenlijk 61.04, worden ingedeeld. Zie Verordening (EG) nr. 2049/2002 in aant. 3 op post 61.07.

Een blouse en een lange broek, die een set vormen, kunnen niet als een ‘ensemble’ onder dezelfde post worden ingedeeld, omdat de kledingstukken niet van een en dezelfde stof zijn vervaardigd. Zie Verordening (EG) nr. 728/2004 in aant. 3 op post 62.08.

3
Gereserveerd
4
Jurisprudentie

Een damesbroek (zogenoemde Shalwar), gemaakt van een weefsel van katoen, groen van kleur, moet onder meer met toepassing van Aantekening 14 IDR op afdeling XI onder post 62.04 worden ingedeeld. Zie tarifering IDR 6204.62/1 op post 62.04 in aant. 4 op die post.

Een tuniek voor dames (zogenoemde Kameez), zijnde een loszittend tweekleurige mouwloos kledingstuk, vervaardigd uit delen van een weefsel van katoen (respectievelijk groen en geel van kleur) die aaneen zijn genaaid, moet onder meer met toepassing van Aantekening 14 IDR op afdeling XI onder post 62.06 worden ingedeeld. Zie tarifering IDR 6206.30/1 op post 62.06 in aant. 4 op die post.

Een sjaal (‘Dupatta’) gemaakt van een rechthoekig weefsel van katoen, moet onder meer met toepassing van Aantekening 14 IDR op afdeling XI onder post 62.14 worden ingedeeld. Zie tarifering IDR 6214.90/2 op post 62.14 in aant. 4 op die post.

Een bepaald dameskledingstuk van breiwerk moet onder meer met toepassing van Aantekening 14 IDR op afdeling XI onder post 61.02 worden ingedeeld. Zie tarifering IDR 6102.30/1 op post 61.02 in aant. 4 op die post.

Een bepaald dameskledingstuk vervaardigd uit weefsel van 100% nylon, moet onder meer met toepassing van Aantekening 14 IDR op afdeling XI onder post 62.10 worden ingedeeld. Zie tarifering IDR 6210.50/1 op post 62.10 in aant. 4 op die post.

Een damesbroek vervaardigd uit een lichtgewicht gebreide stof (87% polyester en 13% elastaan), reikend tot aan de enkel, moet onder meer met toepassing van Aantekening 14 IDR op afdeling XI, onder post 61.04 worden ingedeeld. De broek is onderdeel van een tweedelig dameskledingstuk, dat tevens bestaat uit een T-shirt met lange mouwen, dat gescheiden onder post 61.09 wordt ingedeeld. Zie tarifering IDR 6104.63/1 op post 61.04 in aant. 4 op die post.

Een dames T-shirt met lange mouwen, zonder kraag, vervaardigd uit een lichtgewicht gebreide stof (87% polyester en 13% elastaan) moet onder meer met toepassing van Aantekening 14 IDR op afdeling XI, onder post 61.09 worden ingedeeld. Het T-shirt is onderdeel van een tweedelig dameskledingstuk, dat tevens bestaat uit een broek, die gescheiden onder post 61.04 wordt ingedeeld. Zie tarifering IDR 6109.90/2 op post 61.09 in aant. 4 op die post.

 

15.

15. 

Behoudens het bepaalde in aantekening 1 op afdeling XI blijven textiel, kleding en andere artikelen van textiel, met chemische, mechanische of elektronische componenten voor een aanvullende functionaliteit, ook indien met ingebouwde componenten of binnenin de vezel of het weefsel, ingedeeld onder hun respectievelijke posten in afdeling XI mits zij het essentiële karakter van de goederen in deze afdeling behouden.

1. Aanvullende aantekeningen IDR

1 (1).

In deze afdeling en, in voorkomend geval, elders in de nomenclatuur worden aangemerkt als:

a. ongebleekte garens:

1. garens die de natuurlijke kleur hebben van de vezels waaruit zij zijn samengesteld en die niet gebleekt, niet geverfd (ook niet in de massa) of niet bedrukt zijn;

2. garens met een vage kleur (grisaillegarens) vervaardigd van rafelingen.

Deze garens mogen zijn behandeld met een kleurloos appret of met een vluchtige kleurstof (die verdwijnt door het enkel wassen met zeep) en mogen in het geval van synthetische of kunstmatige vezels, in de specie zijn behandeld met een matteringsmiddel (bijvoorbeeld titaandioxide);

b. gebleekte garens:

1. garens die een bleekproces hebben ondergaan, of zijn vervaardigd van gebleekte vezels, of, voor zover niet anders is bepaald, wit zijn geverfd (ook indien in de massa), dan wel zijn behandeld met een wit appret;

2. garens bestaande uit een mengsel van ongebleekte en gebleekte vezels;

3. getwijnde of gekabelde garens bestaande uit ongebleekte en gebleekte garens;

c. gekleurde (geverfde of bedrukte) garens:

1. garens die, anders dan wit of met een vluchtige kleurstof, zijn geverfd (ook indien in de massa) of zijn bedrukt, dan wel zijn vervaardigd van geverfde of bedrukte vezels;

2. garens bestaande uit een mengsel van verschillend gekleurde vezels of van een mengsel van ongebleekte of gebleekte vezels met gekleurde vezels (jaspé - en melangegarens), dan wel met tussenruimten in een of meer kleuren zijn bedrukt (zogenaamde chinégarens);

3. garens vervaardigd van bedrukte lonten of van bedrukte voorgarens;

4. getwijnde of gekabelde garens bestaande uit ongebleekte of gebleekte garens en gekleurde garens.

Vorenstaande definities zijn mutatis mutandis van toepassing op monofilamenten, strippen en artikelen van dergelijke vorm, bedoeld bij hoofdstuk 54;

d. ongebleekte weefsels:

weefsels vervaardigd van ongebleekte garens en die niet zijn gebleekt, noch geverfd of bedrukt. Deze weefsels mogen zijn behandeld met een kleurloos appret of met een vluchtige kleurstof;

e. gebleekte weefsels:

1. weefsels aan het stuk, die zijn gebleekt of, voor zover niet anders is bepaald, wit zijn geverfd dan wel zijn behandeld met een wit appret;

2. weefsels bestaande uit gebleekte garens;

3. weefsels bestaande uit ongebleekte en gebleekte garens;

f. geverfde weefsels (6):

1. weefsels aan het stuk, die anders dan wit (voor zover niet anders is bepaald), in een enkele kleur zijn geverfd of met een gekleurd appret, anders dan wit (voor zover niet anders is bepaald), zijn behandeld;

2. weefsels bestaande uit gekleurde garens van één kleur;

g. weefsels van verschillend gekleurd garen (7):

weefsels (andere dan bedrukte weefsels):

1. bestaande uit garens van verschillende kleuren of van nuances van dezelfde kleur (andere dan de natuurlijke kleur van de vezels waaruit zij zijn samengesteld);

2. bestaande uit ongebleekte of gebleekte garens en gekleurde garens;

3. bestaande uit jaspé- of melangegarens.

(In alle gevallen worden de garens gebruikt voor de zelfkanten en de stukeinden buiten beschouwing gelaten);

h. bedrukte weefsels (10):

weefsels aan het stuk, bedrukt, ook indien vervaardigd van verschillend gekleurde garens.

(Als bedrukte weefsels worden eveneens aangemerkt: weefsels voorzien van dessins die, bijvoorbeeld, zijn aangebracht met penseel of verfspuit, door middel van transfers, met scheerhaar of door batikken.)

Het merceriseren beïnvloedt geenszins de indeling van garens en weefsels volgens vorenstaande definities.

De vorenstaande definities onder d tot en met h zijn mutatis mutandis van toepassing op brei- en haakwerk aan het stuk;

ij. platbinding (11; 12):

een weefselstructuur waarin iedere inslagdraad afwisselend over en onder de achtereenvolgende kettingdraden en iedere kettingdraad afwisselend over en onder de achtereenvolgende inslagdraden gaat.

1
Toelichting EG

Zie voor de uitleg van de begrippen ‘ongebleekt’, ‘gebleekt’, ‘gekleurd (geverfd of bedrukt)’ voor garens en de begrippen ‘ongebleekt’, ‘gebleekt’, ‘geverfd’, ‘van verschillend gekleurd garen’ of ‘bedrukt’ voor weefsels de Aanvullende aantekeningen 1 a tot en met 1 h IDR op afdeling XI. Algemene opmerkingen sub 4.

2 t/m 5
Gereserveerd
6
EG Verordening

Een opgedrukte vermelding geeft een product niet de kenmerken van een bedrukt weefsel. Zie Verordening (EG) nr. 961/2000, punten 1, 2, 3, 4 en 5, in aant. 3 op respectievelijk post 52.11, 55.12, 55.14 en 55.15.

7
Aanvullende toelichting IDR

Weefsels van verschillend gekleurd garen

Weefsels die geheel of gedeeltelijk bestaan uit in verschillende kleuren bedrukte garens of uit garens bedrukt in verschillende nuances van dezelfde kleur, worden aangemerkt als ‘weefsels van verschillend gekleurd garen’ en niet als ‘geverfde weefsels’ of ‘bedrukte weefsels’. Algemene opmerkingen sub I C.

8 en 9
Gereserveerd
10
EG Verordening

Een weefsel waarop de versieringen slechts door een rijgsteek zijn bevestigd en die, indien men er slechts gering aan trekt al loslaten, kan niet als borduurwerk worden aangemerkt. Zie Verordening (EG) nr. 1966/94, punt 1, in aant. 3 op post 54.07.

11
Aanvullende toelichting IDR

Weefselbindingen
De ‘platbinding’ is omschreven in de Aanvullende aantekening 1 ij IDR op afdeling XI als ‘een weefselstructuur waarin iedere inslagdraad afwisselend over en onder de achtereenvolgende kettingdraden en iedere kettingdraad afwisselend over en onder de achtereenvolgende inslagdraden gaat’. Het weefpatroon van deze binding wordt hierna weergegeven:

De platbinding is de eenvoudigste en meest gebruikte binding. De weefsels met platbinding hebben aan beide zijden hetzelfde uiterlijk, omdat aan beide zijden evenveel ketting- als inslagdraden zichtbaar zijn.

Bij weefsels met keperbinding wordt de eerste kettingdraad gebonden door de eerste inslagdraad, de tweede kettingdraad door de tweede inslagdraad, de derde kettingdraad door de derde inslagdraad enz. Het telgetal voor deze binding is 1, zowel voor de ketting- als voor de inslagdraden.

Het rapport van deze binding, dat wil zeggen het aantal kettingdraden en inslagdraden dat nodig is voor deze binding, is altijd meer dan 2. De dichtste keperbinding is de binding waarbij de inslagdraad over 2 kettingdraden loopt. Dit is een drieschachtskeperbinding. Bij een vierschachtskeperbinding loopt de inslagdraad over 3 kettingdraden.

Bij keperbindingen vormen zich door de getrapte wijze van ‘binding’ strepen en ribben, die diagonaal van de ene zelfkant naar de andere lopen en de indruk geven dat het een diagonaal weefsel betreft. Er wordt onderscheid gemaakt tussen inslagkeper waarbij de inslagdraden beter zichtbaar zijn en kettingkeper waarbij de kettingdraden beter zichtbaar zijn. Deze keperbindingen hebben beide een goede kant en een andere kant. Er bestaat echter ook een keperbinding, gelijkzijdige of dubbelkeper, waarbij beide kanten gelijk zijn.

Gelijkzijdige keper heeft altijd een even bindingsrapport. De ketting- of inslagflottering is aan beide kanten gelijk, alleen de keperlijn is omgekeerd. Het eenvoudigste is de gelijkzijdige vierschachtskeper: iedere kettingdraad loopt over 2 inslagdraden en daarna onder de volgende 2 inslagdraden.

Opgemerkt wordt dat, als gevolg van de restrictieve omschrijving van bepaalde onderverdelingen in de posten 52.08, 52.09, 52.10, 52.11, 55.13 en 55.14, alleen daaronder worden ingedeeld ‘drie- en vierschachtskeperbindingen’, gelijkzijdige vierschachtskeper daaronder begrepen, die overeenkomen met de hierna volgende weefpatronen:

drieschachtskeper

vierschachtskeper

gelijkzijdige vierschachtskeper

Als denim bedoeld bij de onderverdelingen 5209.42 en 5211.42 worden niet aangemerkt vierschachtsgelijkzijdige keper, omdat deze onderverdelingen uitsluitend kettingkeperbindingen omvatten (zie Aanvullende aantekening 1 IDR op hoofdstuk 52). Naast de drie- of vierschachtskettingkeperbinding valt onder deze onderverdelingen eveneens weefsel met vierkantskruiskettingkeperbinding waarvan het weefpatroon hierna is aangegeven:

Algemene opmerkingen sub I C.

12
Toelichting EG

Zie voor de uitleg van het begrip ‘binding’ de aanvullende toelichting IDR (algemene opmerkingen) sub I C op afdeling XI (opgenomen in aant. 11 op Aanvullende aantekening 1 IDR). Algemene opmerkingen sub 5.

2.

2.

A. Producten bedoeld bij de hoofdstukken 56 tot en met 63, bestaande uit twee of meer textielstoffen, worden aangemerkt als geheel samengesteld uit de textielstof die, overeenkomstig aantekening 2 op deze afdeling, bepalend zou zijn voor de indeling van de goederen bedoeld bij de hoofdstukken 50 tot en met 55 of post 58.09 en die zijn samengesteld uit diezelfde textielstoffen (3).

B. Voor de toepassing van deze regel wordt:

a. in daartoe aanleiding gevende gevallen, alleen rekening gehouden met het gedeelte dat, aan de hand van algemene regel 3 voor de interpretatie van de nomenclatuur, de indeling bepaalt;

b. voor de textielproducten bestaande uit een grondweefsel bedekt met een pool of met lussen, geen rekening gehouden met het grondweefsel (1);

c. voor borduurwerk bedoeld bij post 58.10, en voor artikelen daarvan, alleen rekening gehouden met het grondweefsel. Voor de indeling van etskant of ander borduurwerk zonder zichtbaar grondweefsel, en van artikelen daarvan, wordt echter alleen rekening gehouden met de borduurgarens (2; 3).

1
Aanvullende toelichting IDR

Producten bedoeld bij de hoofdstukken 56 tot en met 63 bedekt met een pool of met lussen. De bepalingen van Aanvullende aantekening 2 B b IDR op afdeling XI zijn eveneens van toepassing indien het grondweefsel gedeeltelijk zichtbaar is op de met een pool of met lussen bedekte zijde. Algemene opmerkingen sub II.

2
Toelichting EG

In Aanvullende aantekening 2 IDR op afdeling XI is bepaald welke regels dienen te worden gevolgd voor de indeling binnen de posten van de hoofdstukken 56 tot en met 63 ten aanzien van textielwaren die uit twee of meer textielstoffen bestaan. Deze producten moeten worden ingedeeld onder de onderverdeling die betrekking heeft op de textielstof die in de samenstelling met het hoogste gewicht voorkomt, waarbij in voorkomende gevallen rekening dient te worden gehouden met het bepaalde in Aantekening 2 B IDR op afdeling XI.

Bij de toepassing van deze regels moet evenwel het bepaalde in de letters a tot en met c van Aanvullende aantekening 2 B IDR op afdeling XI in aanmerking worden genomen. Algemene opmerkingen sub 2.

3
EG-verordeningen

Een gordijn van borduurwerk waarvan het grondweefsel, dat 90,2% van het totaalgewicht uitmaakt, bestaat uit 52,7% linnen en 47,3% katoen, moet onder post 63.03 worden ingedeeld. Zie Verordening (EEG) nr. 3295/93, punt 2, in aant. 3 op post 63.03.

Een massageband, onder meer bestaande uit een breiwerk van ramee (dat in gewicht overheerst) en katoen, moet, met toepassing van Aanvullende aantekening 2 IDR op afdeling XI, onder post 63.02 worden ingedeeld als een artikel van andere textielstoffen dan van katoen. Zie Verordening (EG) nr. 92/97, punt 5, in aant. 3 op post 63.02.

Een artikel bestaande uit een platte doek in de vorm van een vogel moet onder meer met toepassing van Aanvullende aantekening 2 A IDR op afdeling XI, onder post 63.07 worden ingedeeld. Zie Verordening (EU) nr. 671/2013 in aant. 3 op post 63.07.


 

1. Deze afdeling omvat niet:

a. dierlijk haar voor borstelwerk (post 05.02), paardenhaar (crin) en afval daarvan (post 05.11);

b. mensenhaar en werken daarvan (posten 05.01, 67.03 en 67.04); filterdoeken en persdoekenen persdoeken van mensenhaar, van de soort gewoonlijk gebruikt in oliepersen of voor dergelijk technisch gebruik, behoren evenwel tot post 59.11;

c. linters van katoen en andere plantaardige producten, bedoeld bij hoofdstuk 14;

d. asbest bedoeld bij post 25.24, alsmede werken van asbest en andere producten bedoeld bij post 68.12 of 68.13;

e. artikelen bedoeld bij post 30.05 of 30.06; garens gebruikt voor het schoonmaken tussen de tanden (floszijde), opgemaakt voor de verkoop in het klein, bedoeld bij post 33.06;

f. lichtgevoelig textiel bedoeld bij de posten 37.01 tot en met 37.04;

g. monofilamenten waarvan de grootste afmeting van de dwarsdoorsnede meer dan 1 mm bedraagt, strippen en artikelen van dergelijke vorm (bijvoorbeeld kunststro) met een schijnbare breedte van meer dan 5 mm, van kunststof (hoofdstuk 39), alsmede vlechten, weefsels en ander mandenmakerswerk van deze artikelen (hoofdstuk 46);

h. weefsels, brei- en haakwerk, vilt en gebonden textielvlies, geïmpregneerd met kunststof, voorzien van een deklaag van kunststof of met inlagen van kunststof, alsmede werken daarvan, bedoeld bij hoofdstuk 39;

ij. weefsels, brei- en haakwerk, vilt en gebonden textielvlies, geïmpregneerd met rubber, voorzien van een deklaag van rubber of met inlagen van rubber, alsmede werken daarvan, bedoeld bij hoofdstuk 40;

k. niet-onthaarde huiden en vellen (hoofdstuk 41 of 43) en werken van bont of van namaakbont, bedoeld bij post 43.03 of 43.04;

l. artikelen van textielstoffen, bedoeld bij post 42.01 of 42.02;

m. producten en artikelen, bedoeld bij hoofdstuk 48 (bijvoorbeeld cellulosewatten);

n. schoeisel en delen daarvan, beenkappen, slobkousen en dergelijke artikelen, bedoeld bij hoofdstuk 64;

o. hoofddeksels, haarnetjes daaronder begrepen, alsmede delen daarvan, bedoeld bij hoofdstuk 65;

p. artikelen bedoeld bij hoofdstuk 67;

q. textielstoffen bedekt met schuur-, slijp- of polijstmiddelen (post 68.05), alsmede koolstofvezels en werken daarvan bedoeld bij post 68.15;

r. glasvezels en werken daarvan; etskant en borduurwerk zonder zichtbaar grondweefsel, vervaardigd met borduurgaren van glasvezels (hoofdstuk 70);

s. artikelen bedoeld bij hoofdstuk 94 (bijvoorbeeld meubelen, artikelen voor bedden, lichtarmaturen en verlichtingstoestellen);

t. artikelen bedoeld bij hoofdstuk 95 (bijvoorbeeld speelgoed, spellen, sportartikelen, netten);

u. artikelen bedoeld bij hoofdstuk 96 (bijvoorbeeld borstels, reisnaaigarnituren, treksluitingen, inktlinten voor schrijfmachines, maandverbanden en tampons, luiers en inlegluiers);

v. artikelen bedoeld bij hoofdstuk 97.

2. A. Textielwaren bedoeld bij de hoofdstukken 50 tot en met 55 of bij post 5809 of 5902, bestaande uit twee of meer textielstoffen, worden ingedeeld als zouden zij geheel bestaan uit de textielstof die in gewicht overheerst over elk van de andere textielstoffen.

Indien geen van de textielstoffen in gewicht overheerst, worden de textielwaren ingedeeld alsof zij volledig uit de textielstof bestaan die valt onder de post die, van de gelijkelijk in aanmerking komende posten, in volgorde van nummering het laatst is geplaatst.

B. Voor de toepassing van deze regel geldt bovendien het volgende:

a. omwoeld paardenhaar (post 51.10) en metaalgarens (post 56.05), worden geacht voor hun totale gewicht één textielstof te zijn; de draden van metaal worden, voor de indeling van de weefsels waarin zij zijn verwerkt, aangemerkt als textiel;

b. bij de indeling wordt in de eerste plaats het van toepassing zijnde hoofdstuk vastgesteld en daarna de van toepassing zijnde post van dat hoofdstuk, waarbij alle textielstoffen, die niet tot dat hoofdstuk behoren, buiten beschouwing worden gelaten;

c. de hoofdstukken 54 en 55 worden aangemerkt als één enkel hoofdstuk, indien de textielwaren zowel textielstoffen bedoeld bij de hoofdstukken 54 en 55 als bedoeld bij andere hoofdstukken bevatten;

d. de textielstoffen bedoeld bij een zelfde hoofdstuk of bij eenzelfde post, worden als één textielstof aangemerkt.

C. De in de letters A en B vervatte regels gelden ook ten aanzien van de garens bedoeld bij de aantekeningen 3, 4, 5 of 6

hierna.

3. A. In deze afdeling worden, behoudens de in letter B hierna gemaakte uitzonderingen, aangemerkt als 'bindgaren, touw en

kabel', de garens (eendraads, getwijnd of gekabeld):

a. van zijde of van afval van zijde, van meer dan 20.000 decitex;

b. van synthetische of van kunstmatige vezels (die verkregen uit meer dan een monofilament bedoeld bij hoofdstuk 54 daaronder begrepen), van meer dan 10.000 decitex;

c. van hennep of van vlas:

- gepolijst of geglansd, van 1.429 decitex of meer;

- niet gepolijst en niet geglansd, van meer dan 20.000 decitex;

d. van kokosvezels, samengesteld uit drie of meer draden;

e. van andere plantaardige vezels, van meer dan 20.000 decitex;

f. die zijn gewapend met metaaldraad.

B. De in letter A vervatte regels gelden niet ten aanzien van:

a. garens van wol, van haar of van paardenhaar en papiergarens, andere dan die gewapend met metaaldraad;

b. kabel van synthetische of kunstmatige filamenten, bedoeld bij hoofdstuk 55 en multifilamenten zonder twist of met twist van minder dan 5 toeren (slagen) per meter, bedoeld bij hoofdstuk 54;

c. poil de Messine (crin de Florence) bedoeld bij post 50.06 en monofilamenten bedoeld bij hoofdstuk 54;

d. metaalgarens bedoeld bij post 56.05; de indeling van met metaaldraad gewapende textielgarens is geregeld onder letter A, f) hiervoor;

e. chenillegarens, omwoelde garens en kettingsteekgarens, bedoeld bij post 56.06.

4. A. Voor de toepassing van de hoofdstukken 50, 51, 52, 54 en 55 worden, behoudens de in letter B hierna gemaakte uitzonderingen, aangemerkt als 'opgemaakt voor de verkoop in het klein', de garens (eendraads, getwijnd of gekabeld) die zijn opgemaakt:

a. op kaarten, klossen, buisjes en dergelijke opwindmiddelen met een gewicht (het gewicht van het opwindmiddel meegerekend) van niet meer dan:

1) 85 g voor zijde, voor afval van zijde en voor synthetische of kunstmatige filamenten;

2) 125 g voor andere textielstoffen;

b. in bollen, kluwens of strengen met een gewicht van niet meer dan:

1) 85 g voor synthetische of kunstmatige filamenten van minder dan 3.000 decitex, voor zijde en voor afval van zijde;

2) 125 g voor andere garens van minder dan 2.000 decitex;

3) 500 g voor andere garens;

c. in strengen, die door een of meer verdeeldraden zijn onderverdeeld in van elkaar gescheiden strengetjes van gelijk gewicht, dat niet hoger is dan:

1) 85 g voor zijde, voor afval van zijde en voor synthetische of kunstmatige filamenten;

2) 125 g voor andere garens.

B. De in letter A vervatte regels gelden niet ten aanzien van:

a. eendraadgarens, ongeacht de textielstof waaruit zij zijn vervaardigd, met uitzondering van:

1) eendraadsgarens van wol of van fijn haar, ongebleekt;

2) eendraadsgarens van wol of van fijn haar, gebleekt, geverfd of bedrukt, van meer dan 5.000 decitex;

b. getwijnde of gekabelde garens, ongebleekt:

1) van zijde of van afval van zijde, ongeacht de opmaak;

2) van andere textielstoffen (met uitzondering van wol en van fijn haar) in strengen;

c. getwijnde of gekabelde garens, van zijde of van afval van zijde, gebleekt, geverfd of bedrukt, van niet meer dan 133 decitex;

d. eendraadsgarens, getwijnde of gekabelde garens, ongeacht de textielstof waaruit zij zijn vervaardigd, opgemaakt:

1) op gekruisgehaspelde strengen;

2) op een opwindmiddel of op enigerlei andere wijze, waaruit het gebruik van die garens in de textielindustrie blijkt (bijvoorbeeld op buisjes voor twijnmachines, op cops, op spoelen of op kegelvormige pijpjes, dan wel als cocons voor borduurmachines).

5. Voor de toepassing van de posten 52.04, 54.01 en 55.08 worden als 'naaigarens' aangemerkt, getwijnde of gekabelde garens, die aan de volgende voorwaarden voldoen:

a. opgemaakt op een opwindmiddel (bijvoorbeeld klossen of buisjes) met een gewicht (het gewicht van het opwindmiddel meegerekend) van niet meer dan 1.000 g;

b. geappreteerd met het oog op hun gebruik als naaigaren; en

c. met een 'Z'-eindtwist.

6. Voor de toepassing van deze afdeling worden als 'garens met een hoge sterktegraad' aangemerkt, garens met een sterktegraad, uitgedrukt in cN/tex (centinewton per tex), van meer dan:

- voor eendraadsgarens van nylon of van andere polyamiden, alsmede van polyesters: 60 cN/tex

- voor getwijnde of gekabelde garens, van nylon of van andere polyamiden,

alsmede van polyesters: 53 cN/tex

- voor eendraadsgarens, alsmede voor getwijnde of gekabelde garens, van viscoserayon: 27 cN/tex

7. Voor de toepassing van deze afdeling worden aangemerkt als 'geconfectioneerd':

a. artikelen, die anders dan vierkant of rechthoekig zijn gesneden;

b. artikelen geproduceerd in de afgewerkte staat en gereed voor gebruik of bruikbaar zijn nadat ze zijn gescheiden door het enkel doorsnijden van de niet-geweven verbindende draden, niet genaaid of anderszins aanvullend bewerkt, zoals bepaalde droogdoeken, handdoeken, tafellakens, (vierkante) halsdoeken en dekens;

c. op maat gesneden artikelen met ten minste een thermisch gelaste boord met een zichtbaar spits toelopende of gecomprimeerde rand en met de andere boorden behandeld zoals beschreven in een van de alinea's van deze aantekening, maar met uitzondering van weefsels waarvan de randen door middel van thermosnijden of op een andere eenvoudige manier zijn afgezet om rafelen te voorkomen; 

d. artikelen, waarvan de boorden zijn gezoomd, ongeacht op welke wijze, ook indien met een rolnaad, alsmede artikelen afgezet met geknoopte franje die is verkregen, hetzij met behulp van de draden van het weefsel zelf, hetzij door het aanbrengen van draden; weefsels aan het stuk waarvan de randen wegens het ontbreken van zelfkanten zijn afgezet om rafelen te voorkomen, worden echter niet als 'geconfectioneerd' aangemerkt;

e. artikelen, die zijn gesneden, ongeacht in welke vorm, en die, door het uittrekken van draden, van motieven, enz. zijn voorzien;

f. artikelen, die zijn aaneengenaaid, aaneengelijmd of anderszins aaneengezet (met uitzondering van stukken van een zelfde soort textiel, die aan de uiteinden zijn aaneengehecht ten einde een stuk met een grotere lengte te verkrijgen en met uitzondering van stoffen die bestaan uit twee of meer op elkaar gelegde en daarna aaneengestikte lagen textiel, ook indien met een tussenlaag van watten);

g. artikelen, in vorm gebreid of gehaakt, afzonderlijk aangeboden dan wel aangeboden in twee of meer eenheden aan het stuk.

8. Voor de toepassing van de hoofdstukken 50 tot en met 60:

a. hebben de hoofdstukken 50 tot en met 55 en 60, en voorzover uit de context niet het tegendeel blijkt, de hoofdstukken 56 tot en met 59 geen betrekking op artikelen die volgens aantekening 7 hiervoor, als geconfectioneerd zijn aan te merken;

b. de hoofdstukken 50 tot en met 55 en 60 omvatten geen artikelen bedoeld bij de hoofdstukken 56 tot en met 59.

9. Als weefsels in de zin van de hoofdstukken 50 tot en met 55 worden eveneens aangemerkt producten bestaande uit lagen evenwijdig liggende textieldraden, die zodanig op elkaar zijn geplaatst, dat de draden van de verschillende lagen elkaar onder een scherpe of een rechte hoek kruisen en op die kruispunten met behulp van een kleefstof of door thermisch lassen aan elkaar zijn gehecht.

10. Elastische producten bestaande uit textielstoffen gecombineerd met rubberdraden worden ingedeeld onder deze afdeling.

11. Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder 'geïmpregneerd' mede verstaan 'gedipt'.

12. Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder 'polyamiden' mede verstaan 'aramiden'.

13. In deze afdeling en, in voorkomend geval, elders in de nomenclatuur worden aangemerkt als ?elastomeergarens', filamentgarens (monofilamenten daaronder begrepen) van synthetische textielstoffen, andere dan getextureerde garens, die niet afbreken indien zij uitgerekt worden tot driemaal hun aanvankelijke lengte en die, na te zijn uitgerekt tot tweemaal hun aanvankelijke lengte, binnen vijf minuten weer krimpen tot een lengte niet groter dan anderhalfmaal hun aanvankelijke lengte.

14. Tenzij uit de context het tegendeel blijkt, worden kledingstukken van textiel die onder verschillende posten vallen, ingedeeld onder hun eigen post, zelfs indien zij zijn opgemaakt in stellen of assortimenten voor de verkoop in het klein. Voor de toepassing van deze aantekening worden onder 'kledingstukken van textiel' verstaan kledingstukken bedoeld bij de posten 61.01 tot en met 61.14 en 62.01 tot en met 62.11.

15. Behoudens het bepaalde in aantekening 1 op afdeling XI blijven textiel, kleding en andere artikelen van textiel, met chemische, mechanische of elektronische componenten voor een aanvullende functionaliteit, ook indien met ingebouwde componenten of binnenin de vezel of het weefsel, ingedeeld onder hun respectieve posten in afdeling XI mits zij het essentiële karakter van de goederen in deze afdeling behouden.  

AANVULLENDE AANTEKENINGEN

 

1. In deze afdeling en in voorkomend geval, elders in de nomenclatuur worden aangemerkt als:

a. 'ongebleekte garens':

1) garens die de natuurlijke kleur hebben van de vezels waaruit zij zijn samengesteld en die niet gebleekt, niet geverfd (ook niet in de massa) of niet bedrukt zijn;

2) garens met een vage kleur (grisaillegarens) vervaardigd van rafelingen.

Deze garens mogen zijn behandeld met een kleurloos appret of met een vluchtige kleurstof (die verdwijnt door het enkel wassen met zeep) en mogen in het geval van synthetische of kunstmatige vezels, in de specie zijn behandeld met een matteringsmiddel (bijvoorbeeld titaandioxide);

b. 'gebleekte garens':

1) garens die een bleekproces hebben ondergaan, of zijn vervaardigd van gebleekte vezels, of, voorzover niet anders is bepaald, wit zijn geverfd (ook indien in de massa), dan wel zijn behandeld met een wit appret;

2) garens bestaande uit een mengsel van ongebleekte en gebleekte vezels;

3) getwijnde of gekabelde garens bestaande uit ongebleekte en gebleekte garens;

c. 'gekleurde (geverfde of bedrukte) garens':

1) garens die, anders dan wit of met een vluchtige kleurstof zijn geverfd (ook indien in de massa) of zijn bedrukt, dan wel zijn vervaardigd van geverfde of bedrukte vezels;

2) garens bestaande uit een mengsel van verschillend gekleurde vezels of van een mengsel van ongebleekte of gebleekte vezels met gekleurde vezels (jaspé- en melangegarens), dan wel met tussenruimten in één of meer kleuren zijn bedrukt (zogenaamde chinégarens);

3) garens vervaardigd van bedrukte lonten of van bedrukte voorgarens;

4) getwijnde of gekabelde garens bestaande uit ongebleekte of gebleekte garens en gekleurde garens.

Vorenstaande definities zijn mutatis mutandis van toepassing op monofilamenten, strippen en artikelen van dergelijke vorm, bedoeld bij hoofdstuk 54;

d. 'ongebleekte weefsels':

weefsels vervaardigd van ongebleekte garens en die niet zijn gebleekt, noch geverfd of bedrukt. Deze weefsels mogen zijn behandeld met een kleurloos appret of met een vluchtige kleurstof;

e. 'gebleekte weefsels':

1) weefsels aan het stuk, die zijn gebleekt of, voorzover niet anders is bepaald, wit zijn geverfd dan wel zijn behandeld met een wit appret;

2) weefsels bestaande uit gebleekte garens;

3) weefsels bestaande uit ongebleekte en gebleekte garens;

f. 'geverfde weefsels':

1) weefsels aan het stuk, die anders dan wit (voorzover niet anders is bepaald), in een enkele kleur zijn geverfd of met een gekleurd appret, anders dan wit (voorzover niet anders is bepaald), zijn behandeld;

2) weefsels bestaande uit gekleurde garens van één kleur;

g. 'weefsels van verschillend gekleurd garen':

weefsels (andere dan bedrukte weefsels):

1) bestaande uit garens van verschillende kleuren of van nuances van dezelfde kleur (andere dan de natuurlijke kleur van de vezels waaruit zij zijn samengesteld);

2) bestaande uit ongebleekte of gebleekte garens en gekleurde garens;

3) bestaande uit jaspé- of melangegarens.

(In alle gevallen worden de garens gebruikt voor de zelfkanten en de stukeinden buiten beschouwing gelaten);

h. 'bedrukte weefsels':

weefsels aan het stuk, bedrukt, ook indien vervaardigd van verschillend gekleurde garens.

(Als bedrukte weefsels worden eveneens aangemerkt: weefsels voorzien van dessins die, bijvoorbeeld, zijn aangebracht met penseel of verfspuit, door middel van transfers, met scheerhaar of door batikken.)

Het merceriseren beïnvloedt geenszins de indeling van garens en weefsels volgens vorenstaande definities.

De vorenstaande definities onder d. tot en met h. zijn mutatis mutandis van toepassing op brei-en haakwerk aan het stuk.

ij. 'platbinding':

een weefselstructuur waarin iedere inslagdraad afwisselend over en onder de achtereenvolgende kettingdraden en iedere kettingdraad afwisselend over en onder de achtereenvolgende inslagdraden gaat.

2. A. Producten bedoeld bij de hoofdstukken 56 tot en met 63, bestaande uit twee of meer textielstoffen, worden aangemerkt als geheel samengesteld uit de textielstof die, overeenkomstig aantekening 2 op deze afdeling, bepalend zou zijn voor de indeling van de goederen bedoeld bij de hoofdstukken 50 tot en met 55 of post 58.09 en die zijn samengesteld uit diezelfde textielstoffen.

B. Voor de toepassing van deze regel wordt:

a. in daartoe aanleiding gevende gevallen, alleen rekening gehouden met het gedeelte dat, aan de hand van algemene regel 3 voor de interpretatie van de nomenclatuur, de indeling bepaalt;

b. voor de textielproducten bestaande uit een grondweefsel bedekt met een pool of met lussen, geen rekening gehouden met het grondweefsel;

c. voor borduurwerk bedoeld bij post 58.10, en voor artikelen daarvan, alleen rekening gehouden met het grondweefsel. Voor de indeling van etskant of van ander borduurwerk zonder zichtbaar grondweefsel, en voor artikelen daarvan, wordt alleen rekening gehouden met borduurgarens.