Hoofdstuk 64

Schoeisel, beenkappen en dergelijke artikelen; delen daarvan

1
Toelichting IDR

Behoudens enige uitzonderingen (zie in het bijzonder de uitzonderingen die zijn opgesomd aan het slot van de toelichting IDR (algemene opmerkingen) in aant. 1 op Aantekening 1 IDR op hoofdstuk 64), omvat dit hoofdstuk onder de posten 64.01 tot en met 64.05 verschillende soorten schoeisel (overschoenen daaronder begrepen) ongeacht de vorm, afmetingen, gebruiksdoelein- den, wijze van vervaardiging en de stoffen waarvan zij zijn vervaardigd.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk omvat het begrip ‘schoeisel’ echter niet, wegwerpschoeisel van niet-solide materiaal (papier, vellen van kunststof, enz.) zonder aangezette zolen. Deze producten worden ingedeeld naar het materiaal waarvan zij zijn vervaardigd.

A. Het begrip schoeisel strekt zich uit van sandalen met bovenstukken enkel van vervangbare banden of linten tot lieslaarzen, waarvan de schacht tot aan de lies reikt en voorzien kan zijn van een riem of ander bevestigingsmiddel voor het ophouden. De volgende soorten van schoeisel kunnen worden genoemd:

1. lage schoenen van de gebruikelijke typen, met hoge of lage hakken;

2. bottines (hoge schoenen), werkschoenen, jachtschoenen en ander dergelijk sterk schoeisel, halflaarsjes, laarzen (waaronder ook dij- en lieslaarzen), dus schoeisel waarvan het bovendeel tot boven de enkel reikt;

3. sandalen (hielleders en bindzolen of voetzolen daaronder begrepen), espadrilles (schoenen met een bovenstuk van canvas en zolen van gevlochten plantaardige stoffen), tennisschoenen, joggingschoenen, badschoenen en dergelijk vrijetijdsschoeisel;

4. speciaal sportschoeisel, waarbij een onderscheid kan worden gemaakt tussen enerzijds sportschoeisel voorzien van of uitgerust met voorzieningen voor het bevestigen van punten (spikes), spijkertjes (sprigs), klemmen, dwarsreepjes en dergelijke, en anderzijds schaatsschoenen, skischoenen en zogenaamde snowboardschoenen, worstelschoenen, boksschoenen en wielrenschoenen (zie Aanvullende aantekening 1 IDR op dit hoofdstuk).

Schaatsschoenen met aangezette schaatsen (ijs- en rolschaatsen) worden echter onder post 95.06 ingedeeld;

5. dansschoenen;

6. huisschoeisel (bijvoorbeeld pantoffels);

7. schoeisel uit één stuk, verkregen door het mouleren van rubber of kunststof of door het bewerken van een blok hout;

8. schoeisel speciaal gemaakt voor bescherming tegen water, olie, vet, chemicaliën of koude;

9. overschoenen die over de schoenen worden gedragen en soms niet voorzien zijn van een hiel;

10. wegwerpschoeisel, met aangezette zool, in het algemeen bestemd voor eenmalig gebruik.

B. Dit hoofdstuk heeft betrekking op schoeisel van allerlei materialen (rubber, leder, kunststof, hout, kurk, textielstoffen – vilt en gebonden textielvlies daaronder begrepen –, bont, vlechtstoffen, enz.), doch met uitzondering van schoeisel uit asbest. Bedoeld schoeisel mag, ongeacht in welke verhouding, materialen bedoeld bij hoofdstuk 71 bevatten.

De indeling van schoeisel onder de posten 64.01 tot en met 64.05 wordt bepaald door de aard van het materiaal waaruit de buitenzool en het bovendeel zijn samengesteld.

C. Onder de term buitenzool in de zin van de posten 64.01 tot en met 64.05 wordt verstaan dat deel van het schoeisel (ander dan een aangezette hak) dat gedurende het gebruik in aanraking komt met de grond. Bij de indeling wordt de aard van de buitenzool bepaald door het materiaal dat met het grootste oppervlak met de grond in aanraking komt. Bij het bepalen van de aard van de buitenzool worden toebehoren of versterkingen die zijn aangezet en die de zool gedeeltelijk bedekken buiten beschouwing gelaten (zie Aantekening 4 b IDR op dit hoofdstuk). Deze toebehoren of versterkingen omvatten punten, dwarsreepjes, nagels, schoenbeslag en soortgelijke voorzieningen (daaronder begrepen een dunne laag scheerhaar van textiel (bijvoorbeeld voor het verkrijgen van een dessin) of een verwijderbaar textielmateriaal, aangebracht op de zool maar niet daarin ingebed).

Indien het schoeisel uit één stuk is vervaardigd (bijvoorbeeld klompen), zonder aangezette zool, wordt de indeling bepaald door de aard van het materiaal waaruit het onderste gedeelte van het schoeisel is samengesteld.

D. Bij de indeling van schoeisel onder een van de posten van dit hoofdstuk moet eveneens rekening worden gehouden met de aard van het bovendeel. Als bovendeel worden aangemerkt die delen van het schoeisel die zich boven de zool bevinden. Bij bepaald schoeisel, met gemouleerde kunststof zool of bij mocassins zoals gedragen door Indianen wordt echter één en hetzelfde stuk grondstof gebruikt om de zool en het gehele bovendeel of een gedeelte daarvan te vormen, zodat het moeilijk is de scheidingslijn te trekken tussen de zool en het bovendeel. In dergelijke gevallen zal als bovendeel worden aangemerkt dat deel van het schoeisel dat de zijkanten en de bovenkant van de voet bedekt. De afmeting van het bovendeel varieert sterk tussen de verschillende schoensoorten, van die welke de voet en het gehele been, de liezen daaronder begrepen (bijvoorbeeld visserslaarzen) bedekken tot die welke enkel bestaan uit riempjes of bandjes (bijvoorbeeld sandalen).

Indien het bovendeel bestaat uit verschillende materialen wordt de indeling bepaald door het materiaal dat aan de buitenzijde het grootste oppervlak beslaat, zonder rekening te houden met de aanwezigheid van toebehoren of versterkingen, zoals enkelstukjes, beschermende of versierende strippen of randen, andere versieringen (bijvoorbeeld kwastjes, pompons, vlechten), gespen, knopen, oogjes, veters of treksluitingen. Bij de indeling wordt geen rekening gehouden met een eventuele voering.

E. Ten slotte wordt opgemerkt dat voor de toepassing van dit hoofdstuk als ‘rubber’ en ‘kunststof’ eveneens worden aangemerkt weefsel en andere dragers van textiel met een deklaag van rubber of kunststof die met het blote oog kan worden waargenomen, waarbij een eventuele kleurverandering buiten beschouwing blijft.

F. Naast het bepaalde in letter E hiervoor wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk als textiel aangemerkt, de vezels, garens, weefsels, brei- en haakwerk, vilt, gebonden textielvlies, koord, kabel en touw, enz., bedoeld bij de hoofdstukken 50 tot en met 60.

G. Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden als ‘leder’ aangemerkt de producten bedoeld bij de posten 41.07 en 41.12 tot en met 41.14.

H. De onderste delen van laarzen of ander schoeisel, bestaande uit niet-complete of niet-afgewerkte bovendelen met een aangezette buitenzool, die de enkel niet bedekken, worden aangemerkt als zijnde schoeisel (en niet als delen van schoeisel). Dit schoeisel kan worden afgewerkt door de bovenrand eenvoudigweg af te zetten met een bies en het van een sluiting te voorzien. Algemene opmerkingen.

1. Aantekeningen IDR

1 (1).

Dit hoofdstuk omvat niet:

a. wegwerpartikelen om de voeten of het schoeisel te bedekken, van niet duurzaam materiaal (bijvoorbeeld papier, vellen van kunststof), zonder aangezette zool (indeling naar het materiaal waarvan zij zijn vervaardigd);

b. schoeisel van textielstoffen, zonder aangelijmde, aangenaaide of anderszins aangezette buitenzool (afdeling XI) (3);

c. gedragen schoeisel bedoeld bij post 63.09;

d. artikelen van asbest (post 68.12);

e. orthopedisch schoeisel en andere orthopedische artikelen, alsmede delen daarvan (post 90.21);

f. schoeisel dat het karakter heeft van speelgoed, alsmede schaatsschoenen met aangezette schaatsen (ijs- en rolschaatsen); scheenbeschermers en dergelijke beschermende artikelen voor de sportbeoefening (hoofdstuk 95) (3).

1
Toelichting IDR

Van dit hoofdstuk zijn eveneens uitgezonderd:

a. schoeisel van textiel zonder aangelijmde, aangenaaide of anderszins aan het bovendeel bevestigde of aangezette buitenzool (afdeling XI);

b. schoeisel dat duidelijk sporen van gebruik draagt en wordt aangeboden in bulk, dan wel in balen, in zakken of in dergelijke verpakkingsmiddelen (post 63.09);

c. schoeisel van asbest (post 68.12);

d. orthopedisch schoeisel (post 90.21);

e. schoeisel met het karakter van speelgoed, alsmede schaatsschoenen met aangezette schaatsen (ijs- en rolschaatsen), en voorts scheenbeschermers en dergelijke beschermende artikelen voor de sportbeoefening (hoofdstuk 95). Algemene opmerkingen.

2
Gereserveerd
3
EG-verordeningen

Schaatsschoenen, niet voorzien van schaatsen, moeten onder onderverdeling 6402 1900 worden ingedeeld. Zie Verordening (EEG) nr. 440/89 in aant. 3 op post 64.02.

Een paar dansschoentjes (speelgoed) dat tegelijk wordt ingevoerd met een handtas, een rok en een toverstafje kan, onder meer gelet op Aantekening 1 f IDR op hoofdstuk 64, niet onder hoofdstuk 64 worden ingedeeld. Alle artikelen waren samen verpakt voor de verkoop in het klein. Zie Verordening nr. 347/2001, punt 1, in aant. 3 op post 95.03.

Een zogenaamde sneeuwschoen moet onder post 95.06 worden ingedeeld. Zie Verordening (EG) nr. 384/2004, punt 3, in aant. 3 op post 95.06.

Een zogenoemde dansschoen moet onder post 64.05 worden ingedeeld. Het artikel is niet uitgesloten van hoofdstuk 64 op grond van Aantekening 1 b IDR op hoofdstuk 64, omdat delen van de buitenzool aan het artikel zijn genaaid. Bovendien wordt door het gerimpelde voorste deel een relatief harde zool in een ronde vorm voor de tenen gecreëerd. Zie Verordening (EU) 2018/1209 in aant. 3 op post 64.05.

2.

2.

Als ‘delen’ in de zin van post 64.06 worden niet aangemerkt: schoenpinnen, schoenspijkers, zoolbeslag en dergelijk beslag, oogjes, haken, gespen, galons, pompons, veters en andere versieringsartikelen en passementwerk, die worden ingedeeld onder de posten die daarvoor in aanmerking komen, en evenmin schoenknopen (post 96.06).

3.

3 (3).

Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden:

a. als ‘rubber’ of ‘kunststof’ eveneens aangemerkt, textiel met een deklaag van rubber of van kunststof, die aan de buitenzijde zichtbaar is met het blote oog; voor de toepassing van deze bepaling wordt de door de bedoelde bewerkingen veroorzaakte kleurverandering buiten beschouwing gelaten;

b. als ‘leder’ aangemerkt de producten bedoeld bij de posten 41.07 en 41.12 tot en met 41.14.

1 en 2
Gereserveerd
3
EG Verordening

Een buitenzool van weefsel van katoen die aan de zijde, die in aanraking komt met de grond, bekleed is met een zichtbare laag kunststof, moet als een buitenzool van kunststof worden aangemerkt. Verordening (EEG) 24 februari 1989, nr. 489/89 (PbEG 1989, nr. L 57).

De integrale tekst van de verordening is opgenomen in onderdeel VI.

4.

4 (2).

Met inachtneming van het bepaalde in aantekening 3 op dit hoofdstuk:
a. wordt de aard van het bovendeel bepaald door de stof die het grootste gedeelte van de buitenzijde van het bovendeel uitmaakt; toebehoren en versterkingen zoals boordsel, enkelstukken, versieringen, gespen, oogjes of soortgelijke voorzieningen worden daarbij buiten beschouwing gelaten (3; 4; 5);
b. wordt de aard van de buitenzool bepaald door het materiaal dat met het grootste oppervlak in aanraking komt met de grond; toebehoren en versterkingen, zoals punten, dwarsreepjes, nagels, schoenbeslag of soortgelijke voorzieningen worden daarbij buiten beschouwing gelaten (5; 7; 8).

1
Gereserveerd
2
Toelichting EG

1. Zie voor de toepassing van de begrippen ‘buitenzool' en ‘bovendeel' de toelichting IDR, letters C en D (algemene opmerkingen) op hoofdstuk 64 (opgenomen in aant. 1 op het opschrift).

Verder geldt voor bovendelen' die uit twee of meer materialen zijn samengesteld (Aantekening 4 a IDR en Aanvullende aantekening 1 EG op hoofdstuk 64), het volgende:

a. Het bovendeel' is het deel van het schoeisel dat de zijkanten en de bovenkant van de voet en soms het been bedekt. Het reikt tot en is bevestigd aan de zool. Het kan ook tot in de zool reiken.

De samenstellende materialen van het bovendeel zijn de materialen waarvan het oppervlak gedeeltelijk of volledig zichtbaar is aan de buitenzijde van het schoeisel. Een voering is daarom geen bovendeel. De materialen van het bovendeel zijn aan elkaar bevestigd.

Na het verwijderen van de toebehoren en de versterkingen mag bij de berekening van het totale oppervlak van de materialen die het bovendeel vormen geen rekening worden gehouden met de oppervlakken onder de elkaar overlappende gedeelten waar de materialen aan elkaar bevestigd zijn.

Zo is bijvoorbeeld bij leder (A) en textiel (B) het oppervlak (C) het gedeelte van het textiel (B) dat onder het overlappende leder (A) ligt. Er mag geen rekening worden gehouden met het oppervlak van het textiel (C) bij de berekening van het totale oppervlak van de materialen die het bovendeel vormen.

Er mag geen rekening worden gehouden met bevestigingssystemen, zoals bijvoorbeeld veters, klittenbandsluitingen, enz. (zie de toelichting IDR, letter D, laatste alinea (algemene opmerkingen) op hoofdstuk 64).

b. De voering' kan van elk materiaal zijn vervaardigd. Zij kan uit een of meer materialen bestaan. De voering komt in aanraking met de voet en dient als schokdemper, als bescherming, of slechts als versiering. De voering is niet zichtbaar aan de buitenzijde van het schoeisel, met uitzondering van bijvoorbeeld de vulling langs de schachtrand.

c. Toebehoren' en versterkingen' worden gedefinieerd in Aantekening 4 a IDR op hoofdstuk 64, in Aanvullende aantekening 1 EG op hoofdstuk 64 en in de toelichting IDR, letter D, laatste alinea (algemene opmerkingen) op hoofdstuk 64.

Toebehoren hebben in het algemeen een decoratieve functie en versterkingen hebben een beschermende of versterkende functie. Omdat versterkingen bevestigd zijn aan het bovendeel om extra sterkte te geven, zijn zij bevestigd aan de buitenzijde van het bovendeel en niet slechts aan de voering. Een deel van de voering mag zich onder de versterking bevinden, mits de versterkende functie hierdoor niet wordt verminderd. Toebehoren en versterkingen die aan het bovendeel zijn bevestigd, kunnen ook aan de zool zijn bevestigd of tot in de zool reiken. Materiaal wordt niet aangemerkt als een toebehoren of als een versterking, maar wordt aangemerkt als een deel van het bovendeel als de onderliggende materialen niet op een duurzame wijze aan elkaar bevestigd zijn (genaaide naden zijn een voorbeeld van een duurzame bevestigingswijze).

In de zin van Aantekening 4 a IDR op hoofdstuk 64, kunnen als soortgelijke voorzieningen' bijvoorbeeld worden aangemerkt logo’s of neuskappen.

Bij het bepalen van de aard van het bovendeel' wordt een lip die geheel of gedeeltelijk wordt bedekt (binnentong) buiten beschouwing gelaten.

Zie de hiernavolgende afbeelding, waarbij de stippellijn de binnentong voorstelt.

Onderstaande afbeeldingen en tekst dienen als voorbeeld bij het bepalen van het materiaal waarvan het bovendeel' is vervaardigd:

De schoen in bovenstaande afbeeldingen is vervaardigd uit leder en textiel. Voor het bepalen van het materiaal van het bovendeelʼ, in de zin van hoofdstuk 64 en voor het uitsluiten van toebehoren' en versterkingen', dienen de volgende overwegingen te worden gemaakt:

1. en 2. Wanneer de lederen neuskap (1) en het voorblad (2) worden verwijderd, verschijnt het textiel dat zich daaronder bevindt (en dat niet tot de voering behoort). Aangezien de lederen gedeelten (1 en 2) een beschermende functie hebben, worden zij beschouwd als versterkingen. Omdat het textiel dat zich onder de lederen gedeelten (1 en 2) bevindt gedeeltelijk zichtbaar is aan het oppervlak, dient het te worden beschouwd als een deel van het bovendeel.

3. Bij verwijdering van het lederen gedeelte (3) wordt een textieloppervlak zichtbaar (in de afbeelding aangeduid met A) en een gedeelte met materiaal van de voering dat daaronder zit. Aangezien het textiel niet volledig tot gedeelte (3) reikt, de voering niet wordt beschouwd aangemerkt als bovendeel en er onder het leder voornamelijk voeringmateriaal zit, biedt het lederen gedeelte geen versterking aan enig deel van het bovendeel en moet daarom als een deel van het bovendeel worden aangemerkt.

4. Dit lederen gedeelte (4) is genaaid op een textielgedeelte en overlapt (A) ook het lederen gedeelte (3). Aangezien er gedeeltelijk zichtbaar textiel zit onder gedeelte (4) en een gedeeltelijk zichtbaar lederen gedeelte (3) onder het overlappende gedeelte (A) en aangezien het lederen gedeelte (4) extra versterking biedt aan de zijde van het bovendeel, wordt dit gedeelte (4) beschouwd als versterking. Het lederen gedeelte (3) en het textielmateriaal onder gedeelte (4), met uitzondering van het textieloppervlak onder gedeelte (3), dienen derhalve te worden beschouwd als delen van het bovendeel.

5. Wanneer dit lederen gedeelte (5) wordt verwijderd, verschijnt gedeeltelijk het textiel dat zich daaronder bevindt. Aangezien het lederen gedeelte (5) het bovenste deel van de hiel versterkt en aangezien zich daaronder gedeeltelijk zichtbaar textiel bevindt, dient het leder te worden beschouwd als versterking.

6. Wanneer de lederen hielkap (6) wordt verwijderd, verschijnt een gedeelte van de voering en wordt het textiel gedeeltelijk zichtbaar. Aangezien het textiel niet tot onder het leer reikt, heeft de lederen hielkap (6) geen versterkende functie voor het bovenmateriaal en wordt de kap derhalve beschouwd als deel van het bovendeel (en niet als versterking).

7. Wanneer dit lederen gedeelte (7) wordt verwijderd, verschijnt gedeeltelijk het textiel dat zich daaronder bevindt. Aangezien het lederen gedeelte (7) extra versterking biedt aan de zijde van het bovendeel, dient het leer te worden beschouwd als versterking.

8. Wanneer het lederen logo (8) wordt verwijderd, verschijnt gedeeltelijk het textiel dat zich daaronder bevindt. Aangezien een logo een soortgelijke voorziening is in de zin van Aantekening 4 a IDR op hoofdstuk 64, is het geen deel van het bovendeel.

Bij het berekenen van de percentages van de lederen gedeelten en de percentages van de textieloppervlakken die zijn geïdentificeerd als gedeelten van het bovendeel, blijkt dat het textiel overheerst (70% textiel). De schoen wordt daarom ingedeeld als schoeisel met bovendeel van textiel.

2. Het begrip `rubber', in de zin van de gecombineerde nomenclatuur, is omschreven in Aantekening 1 IDR op hoofdstuk 40; Aantekening 3 a IDR op hoofdstuk 64 breidt het begrip ten behoeve van dit hoofdstuk uit.

3. Het begrip 'kunststof', in de zin van de gecombineerde nomenclatuur, is omschreven in Aantekening 1 IDR op hoofdstuk 39; Aantekening 3 a IDR op hoofdstuk 64 breidt het begrip ten behoeve van dit hoofdstuk uit.

4. Het begrip `leder' in de zin van dit hoofdstuk wordt gedefinieerd in Aantekening 3 b IDR op hoofdstuk 64.

5. Het begrip `textiel' wordt gedefinieerd in de toelichting IDR, letters E en F (algemene opmerkingen) op hoofdstuk 64.

Vezels (bijvoorbeeld scheerhaar), garens, weefsels, brei- en haakwerk, vilt, gebonden textielvlies, koord, kabel, touw, enz., bedoeld bij de hoofdstukken 50 tot en met 60, worden derhalve aangemerkt als 'textiel' in de zin van hoofdstuk 64. Wat de weefsels vallende onder hoofdstuk 59 betreft, zijn de Aantekeningen IDR op hoofdstuk 59 alleen van toepassing indien ze niet in strijd zijn met de bepalingen van Aantekening 3 a IDR op hoofdstuk 64. Algemene opmerkingen.

3
EG-verordeningen

Zie eveneens de EG-verordeningen, opgenomen in aant. 3 op Aanvullende aantekening 1 EG op dit hoofdstuk.

Een hoge sportschoen, moet als een schoen met een bovendeel van textiel worden ingedeeld, ondanks het feit dat het bovendeel voor 59% uit leer bestaat. Een gedeelte van het leer moet namelijk als versiering worden aangemerkt. Zie Verordening (EEG) nr. 650/90, punt 2, in aant. 3 op post 64.04.

Vrijetijdsschoeisel met een buitenzool van kunststof en met een bovendeel van leder, kunststof en textiel, moet onder post 64.03 worden ingedeeld. Het is geen schoeisel voor het beoefenen van een bepaalde tak van sport. Zie Verordening (EG) nr. 289/2000 in aant. 3 op post 64.03.

Vrijetijdsschoeisel voor kinderen, met een bovendeel bestaande uit een laag kunststof waarop aan de buitenzijde textielvezels met een lengte van niet meer dan 5 mm (scheerhaar) is vastgelijmd, moet onder post 64.04 worden ingedeeld. Het scheerhaar zoals bedoeld bij post 56.01 bepaalt de aard van het bovendeel in de zin van Aantekening 4 a IDR op hoofdstuk 64, omdat dit het enige materiaal is dat de buitenzijde van het bovendeel uitmaakt. Zie Verordening (EG) nr. 2343/2003 in aant. 3 op post 64.04.

Een bepaalde trainingsschoen die de enkel niet bedekt en die niet herkenbaar is als heren- of damesschoeisel, met een binnenzool van meer dan 24 cm, moet onder post 64.04 worden ingedeeld. De buitenzool is vervaardigd van rubber en de tussenzool van polymeren met een lage dichtheid. Zie Verordening (EU) nr. 757/2011 in aant. 3 op post 64.04.

4
Jurisprudentie

In een geschil over de vraag of het bovendeel van een schoen voor het grootste deel uit leer dan wel uit kunststof bestond, overwoog de TC onder meer het volgende. Dat uit de Aantekeningen 3 en 4 IDR op hoofdstuk 64 volgt dat bepalend is het grootste gedeelte stof van de zichtbare buitenzijde van het bovendeel, zodat de lagen die zich daaronder bevinden buiten beschouwing dienen te blijven. Dat uit de laatste zinsnede van Aantekening 4 IDR, punt a, bovendien volgt dat de aldaar bedoelde toebehoren en versterkingen niet mogen worden medegerekend, zodat de oppervlakte daarvan eerst van de totale oppervlakte van het bovendeel van de schoen moet worden afgetrokken en dat vervolgens van het resterende gedeelte van het bovendeel moet worden bepaald welke stof de grootste oppervlakte heeft. TC 18 maart 1991, nr. 12 607 (UTC 1991/26).

Damesschoeisel met een bovendeel bestaande uit leren riempjes en een zool van kunststof, moet onder post 64.03 worden ingedeeld. Zie TC 24 augustus 1999, nr. 0211/97 TC, in aant. 4 op post 64.03.

5
Nadere verwijzing

In de Aanvullende aantekeningen 1 en 2 EG op dit hoofdstuk zijn de begrippen versterkingen en aard van de buitenzool nader uitgewerkt.

6
Gereserveerd
7
EG-verordeningen

Schoeisel met bovendeel van textiel en met een buitenzool van kunststof waarop een 1 mm dikke laag weefsel van textiel is vastgeplakt, moet als schoeisel met een buitenzool van kunststof onder post 64.04 worden ingedeeld, ondanks het feit dat het textiel in aanraking komt met de grond. Zie Verordening (EG) nr. 2518/98, punt 4, in aant. 3 op post 64.04.

Schoeisel, van het type mocassin met bovendeel van leder en een buitenzool van kunststof bedekt met een laag textiel dat met de bodem in aanraking komt, moet onder post 64.03 worden ingedeeld. Zie Verordening (EG) nr. 1324/1999 in aant. 3 op post 64.03.

Pantoffels met een bovendeel van textiel (bad- of frotteerstof) en een buitenzool van kunststof waarvan het middengedeelte is bedekt met een dunne laag textiel, moeten onder post 64.04 worden ingedeeld. Het betreft schoeisel. Op de laag textiel, die 58% van het oppervlak van de buitenzool vertegenwoordigt, bevindt zich in reliëf een verzameling PVC-noppen. Zie Verordening (EG) nr. 292/2001 in aant. 3 op post 64.04.

Teenslippers met een buitenzool van kunststof en een bovendeel van banden die op drie punten aan de zool zijn bevestigd moeten onder post 64.04 worden ingedeeld. Het deel van de zool dat in aanraking komt met de grond is van kunststof in de zin van Aantekening 4 b IDR op hoofdstuk 64 en Aanvullende aantekening 1 EG op hoofdstuk 64. Zie Verordening (EG) nr. 872/2009 in aant. 3 op post 64.04.

Schoeisel dat de enkel bedekt, met een buitenzool van rubber waarvan het grootste gedeelte is weggesneden zodat inzetstukken met verschillende soorten buitenzolen in het uitgeholde gedeelte kunnen worden aangebracht, moeten onder post 64.03 worden ingedeeld. Zie Verordening (EG) nr. 895/2009 in aant. 3 op post 64.03.

Een zogenoemde dansschoen moet onder post 64.05 worden ingedeeld. Aangezien het materiaal van het bovendeel ook deel uitmaakt van de zool, om de scheidingslijn tussen het bovendeel en de zool te trekken, wordt de zool geacht te bestaan uit het gedeelte van het schoeisel dat noch de zijkanten, noch de bovenkant van de voet bedekt.
De aard van de buitenzool wordt bepaald door het textiel, omdat dit het materiaal is waarvan het grootste oppervlak met de grond in aanraking komt wanneer het schoeisel in gebruik is (zoals gedragen wanneer men op de grond staat) in de zin van Aantekening 4 IDR op hoofdstuk 64. Zie Verordening (EU) 2018/1209 in aant. 3 op post 64.05.

8
Jurisprudentie

Een slipper van kunststof, voorzien van een dunne textiellaag op de buitenzool, moet onder post 64.02 worden ingedeeld. De op de buitenzool aangebrachte laag textiel moet buiten beschouwing worden gelaten. Zie TC 18 april 2000, nr. 0005/99 TC, in aant. 4 op post 64.02.

Een damesschoen met een bovendeel van leder en met een buitenzool van kunststof waarop een laag textiel van minder dan 1 mm is aangebracht, werd door de DK als een schoen van leder met een buitenzool van kunststof aangemerkt en onder post 64.03 ingedeeld. De laag textiel op de buitenzool van kunststof moet volgens de DK bij de beoordeling van het schoeisel buiten beschouwing worden gelaten. In verband hiermee komt post 64.05 (schoeisel met een bovendeel van leder en met een buitenzool van andere stoffen) niet in aanmerking. DK 2 april 2002, nr. 0052/2000 TC (Douanerechtspraak 2002/49).

Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van de DK nr. 0052/2000 TC (Douanerechtspraak 2002/49), waarbij in het geding was de indeling van schoeisel met een buitenzool van kunststof waarop, binnen de rand van de zool, een laag textiel met een dikte van minder dan 1 mm is aangebracht, onder onderverdeling 6403 9996 (voor heren) en 6403 9998 (voor dames).

De Hoge Raad oordeelde dat de douanekamer van het gerechtshof Amsterdam de rechter is die over de feiten oordeelt. Gelet op deze feiten oordeelde de Hoge Raad dat de douanekamer bij de uitlegging en de toepassing van de gecombineerde nomenclatuur geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het schoeisel moet worden ingedeeld onder post 64.03. De laag textiel bezit niet de kenmerken die gewoonlijk zijn vereist voor normaal gebruik van een buitenzool voor straatschoeisel en daarom moet dit voor de indeling buiten beschouwing blijven. HR 8 augustus 2003, nr. 38 230 (Douanerechtspraak 2003/74).

1. Aanvullende aantekening IDR

1 (3; 4).

Voor de toepassing van de onderverdelingen 6402.12, 6402.19, 6403.12, 6403.19 en 6404.11 wordt als ‘sportschoeisel’ uitsluitend aangemerkt:

a. schoeisel ontworpen voor sportbeoefening, voorzien van of uitgerust met voorzieningen voor het bevestigen van punten, spijkertjes, klemmen, dwarsreepjes en dergelijke (5);

b. schaatsschoenen, skischoenen, zogenaamde snowboardschoenen, worstelschoenen, boksschoenen en wielrenschoenen.

1 en 2
Gereserveerd
3
EG-verordeningen

Schaatsschoenen, niet voorzien van schaatsen, moeten onder post 64.02 worden ingedeeld. Zie Verordening (EEG) nr. 440/89 in aant. 3 op post 64.02.

Een hoge sportschoen moet als een schoen met een bovendeel van textiel worden ingedeeld, ondanks het feit dat het bovendeel voor 59% uit leer bestaat. Een gedeelte van het leer moet namelijk als versiering worden aangemerkt. Zie Verordening (EEG) nr. 650/90, punt 2, in aant. 3 op post 64.04.

Vrijetijdsschoeisel met een buitenzool van kunststof en met een bovendeel van leder, kunststof en textiel, moet onder post 64.03 worden ingedeeld. Het is geen schoeisel voor het beoefenen van een bepaalde tak van sport. Zie Verordening (EG) nr. 289/2000 in aant. 3 op post 64.03.

Een sandaal met een buitenzool van rubber, waarbij de grootste hoogte van de hak, met inbegrip van de zolen, minder dan 3 cm bedraagt en met een binnenzoollengte van 24 cm of meer, moet onder post 64.03 worden ingedeeld. De sandaal kan niet als sportschoen in de zin van Aanvullende aantekening 1 IDR op hoofdstuk 64 worden aangemerkt. Zie Verordening (EG) nr. 347/2001, punt 3, in aant. 3 op post 64.03.

4
Jurisprudentie

Een sandaal vervaardigd volgens een speciale techniek, waarvan het bovendeel bestaat uit riemen van textiel, met een buitenzool van rubber of kunststof en voorzien van schokdempend materiaal, en een sluiting van klittenband, moet onder post 64.04 worden ingedeeld. De sandaal kan niet als sportschoen in de zin van onderverdeling 6404.11 worden aangemerkt. Zie DK 1 oktober 2002, nr. 0099/90 170 DK, in aant. 4 op post 64.04.

5
Toelichting EG

Aanvullende aantekening 1 a IDR op dit hoofdstuk betreft alleen schoeisel dat voor beoefening van een specifieke sportactiviteit is ontworpen en waarvan de vaste of verwijderbare voorzieningen zoals genoemd in de Aanvullende aantekening, het gebruik voor alle andere doeleinden, in het bijzonder het wandelen op een geasfalteerd wegdek, bemoeilijken vanwege de hoogte, stijfheid, gladheid of dergelijke van de aangehechte hulpstukken. Toelichting EG op onderverdeling 6402 1900.

1. Aanvullende aantekening EG

1.

Voor de toepassing van aantekening 4, onder a, worden als ‘versterkingen’ aangemerkt alle stukken materiaal (bijvoorbeeld kunststof of leder) die, ter aanvullende versterking, de buitenzijde van het bovendeel bedekken, ook indien zij aan de zool zijn bevestigd. Na het verwijderen van de versterkingen dient het dan zichtbare materiaal het karakter te hebben van een bovendeel (niet dat van een voering), dat het schoeisel, met de oorspronkelijke sluitsystemen op hun plaats, voldoende grip op de voet biedt om de gebruiker in staat te stellen met het schoeisel te lopen..

Voor de vaststelling van de aard van het materiaal van het bovendeel moet met de delen die door toebehoren of versterkingen zijn bedekt rekening worden gehouden (3; 5).

1 en 2
Gereserveerd
3
EG-verordeningen

Trainingsschoenen met een bovendeel van kunststof (79%) en leder (21%), voorzien van een binnenvoering van textiel waarop de stukken kunststof en leder zijn vastgenaaid moeten als schoenen met een bovendeel van kunststof onder post 64.02 worden ingedeeld. Zie Verordening (EEG) nr. 3801/92, punt 1, in aant. 3 op post 64.02.

Trainingsschoenen met een bovendeel van kunststof, waarop aan de buitenzijde stukken leder zijn genaaid die ongeveer 40% van het oppervlak bedekken, moeten als schoenen met een bovendeel van kunststof onder post 64.02 worden ingedeeld. Zie Verordening (EEG) nr. 3801/92, punt 5, in aant. 3 op post 64.02.

Trainingsschoenen met een bovendeel van leder (84%) en kunststof (16%), voorzien van een binnenvoering van textiel, die als zodanig niet als deel van de buitenzijde van het bovendeel kan dienen, moeten als schoenen met een bovendeel van leder onder post 64.03 worden ingedeeld. Zie Verordening (EEG) nr. 3801/92, punt 2, in aant. 3 op post 64.03.

Trainingsschoenen met een bovendeel van textiel, waarop aan de buitenzijde, in uiteenlopende combinaties, stukken leder en/of met kunststof bedekt textiel zijn genaaid die tot ongeveer 70% van de oppervlakte bedekken, moeten als schoenen met een bovendeel van textiel onder post 64.04 worden ingedeeld. Zie Verordening (EEG) nr. 3801/92, punt 4, in aant. 3 op post 64.04.

Een trainingsschoen met een bovendeel van textiel waarop op verschillende plaatsen stukken leder (65%) en kunststof (18%) zijn genaaid, moet als een schoen met een bovendeel van textiel onder post 64.04 worden ingedeeld. Zie Verordening (EEG) nr. 3801/92, punt 6, in aant. 3 op post 64.04.

Een zogenaamde bergschoen met een bovendeel van textiel waarop stukken leder zijn genaaid, die ongeveer 80% van het oppervlak van de buitenzijde bedekken, moet als een schoen met een bovendeel van textiel onder post 64.04 worden ingedeeld. Zie Verordening (EEG) nr. 3801/92, punt 3, in aant. 3 op post 64.04.


Teenslippers
met een buitenzool van kunststof en een bovendeel van banden die op drie punten aan de zool zijn bevestigd moeten onder post 64.04 worden ingedeeld. Het deel van de zool dat in aanraking komt met de grond is van kunststof in de zin van Aantekening 4 b IDR op hoofdstuk 64 en Aanvullende aantekening 1 EG op hoofdstuk 64. Zie Verordening (EG) nr. 872/2009 in aant. 3 op post 64.04.

4
Gereserveerd
5
Nadere verwijzing

Zie eveneens de toelichting EG (algemene opmerkingen) opgenomen in aant. 2 op Aantekening 4 IDR op hoofdstuk 64.

2.

2 (3; 4).

Voor de toepassing van aantekening 4, onder b, worden onder een of meer lagen van textielstoffen, die niet de kenmerken bezitten die gewoonlijk zijn vereist voor normaal gebruik van een buitenzool (bijvoorbeeld duurzaamheid, sterkte, enz.), bij het bepalen van de aard van de buitenzool buiten beschouwing gelaten.

1 en 2
Gereserveerd
3
EG Verordening

Huisschoeisel met een zool die bestaat uit een laag soepele kunststof met celstructuur gevat tussen twee lagen textiel moet onder post 64.05 worden ingedeeld. De buitenste laag textiel bezit de kenmerken van duurzaamheid en/of sterkte die over het algemeen voor een normaal gebruik van een buitenzool zijn vereist. Gelet op deze kenmerken moet de buitenzool worden aangemerkt als een zool van textiel. Zie Verordening (EG) nr. 347/2001, punt 4, in aant. 3 op post 64.05.

4
Jurisprudentie

Een damesschoen met een bovendeel van leder en met een buitenzool van kunststof waarop een laag textiel van minder dan 1 mm is aangebracht, werd door de DK als een schoen van leder met een buitenzool van kunststof aangemerkt en onder post 64.03 ingedeeld. De laag textiel op de buitenzool van kunststof moet volgens de DK bij de beoordeling van het schoeisel buiten beschouwing worden gelaten. In verband hiermee komt post 64.05 (schoeisel met een bovendeel van leder en met een buitenzool van andere stoffen) niet in aanmerking. DK 2 april 2002, nr. 0052/2000 TC (Douanerechtspraak 2002/49).

Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van de DK nr. 0052/2000 TC (Douanerechtspraak 2002/49), waarbij in het geding was de indeling van schoeisel met een buitenzool van kunststof waarop, binnen de rand van de zool, een laag textiel met een dikte van minder dan 1 mm is aangebracht, onder onderverdeling 6403 9996 (voor heren) en 6403 9998 (voor dames).

De Hoge Raad oordeelde dat de douanekamer van het gerechtshof Amsterdam de rechter is die over de feiten oordeelt. Gelet op deze feiten oordeelde de Hoge Raad dat de douanekamer bij de uitlegging en de toepassing van de gecombineerde nomenclatuur geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het schoeisel moet worden ingedeeld onder post 64.03. De laag textiel bezit niet de kenmerken die gewoonlijk zijn vereist voor normaal gebruik van een buitenzool voor straatschoeisel en daarom moet dit voor de indeling buiten beschouwing blijven.'HR 8 augustus 2003, nr. 38 230 (Douanerechtspraak 2003/74).


1.Dit hoofdstuk omvat niet:

a.wegwerpartikelen om de voeten of het schoeisel te bedekken, van niet-duurzaam materiaal (bijvoorbeeld papier, vellen van kunststof), zonder aangezette zool (indeling naar het materiaal waarvan zij zijn vervaardigd);

b.schoeisel van textielstoffen, zonder aangelijmde, aangenaaide of anderszins aangezette buitenzool (afdeling XI);

c.gedragen schoeisel bedoeld bij post 63.09;

d.artikelen van asbest (post 68.12);

e.orthopedisch schoeisel en andere orthopedische artikelen, alsmede delen daarvan (post 90.21);

f.schoeisel dat het karakter heeft van speelgoed, alsmede schaatsschoenen met aangezette schaatsen (ijs- en rolschaatsen); scheenbeschermers en dergelijke beschermende artikelen voor de sportbeoefening (hoofdstuk 95).

2.Als 'delen' in de zin van post 64.06 worden niet aangemerkt : schoenpinnen, schoenspijkers, zoolbeslag en dergelijk beslag, oogjes, haken, gespen, galons, pompons, veters en andere versieringsartikelen en passementwerk, die worden ingedeeld onder de posten die daarvoor in aanmerking komen, en evenmin schoenknopen (post 96.06).

3.Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden:

a.als 'rubber' of 'kunststof' eveneens aangemerkt, textiel met een deklaag van rubber of van kunststof, die aan de buitenzijde zichtbaar is met het blote oog, voor de toepassing van deze bepaling wordt de door de bedoelde bewerkingen veroorzaakte kleurverandering buiten beschouwing gelaten;

b.als 'leder' aangemerkt de producten bedoeld bij de posten 41.07 en 41.12 tot en met 41.14.

4.Met inachtneming van het bepaalde in aantekening 3 op dit hoofdstuk:

a.wordt de aard van het bovendeel bepaald door de stof die het grootste gedeelte van de buitenzijde van het bovendeel uitmaakt; toebehoren en versterkingen zoals boordsel, enkelstukken, versieringen, gespen, oogjes of soortgelijke voorzieningen worden daarbij buiten beschouwing gelaten.

b.wordt de aard van de buitenzool bepaald door het materiaal dat met het grootste oppervlak in aanraking komt met de grond; toebehoren en versterkingen, zoals punten, dwarsreepjes, nagels, schoenbeslag of soortgelijke voorzieningen worden daarbij buiten beschouwing gelaten.

AANVULLENDE AANTEKENING

1.Voor de toepassing van de onderverdelingen 64.02.12, 64.02.19, 64.03.12, 64.03.19 en 64.04.11 wordt als'sportschoeisel' uitsluitend aangemerkt:

a.schoeisel ontworpen voor sportbeoefening, voorzien van of uitgerust met voorzieningen voor het bevesti-gen van punten, spijkertjes, klemmen, dwarsreepjes en dergelijke;

b.schaatsschoenen, skischoenen, zogenaamde snowboardschoenen, worstelschoenen, boksschoe-nen en wielrenschoenen.

AANVULLENDE AANTEKENINGEN (GN)

1.Voor de toepassing van aantekening 4 a) worden als 'versterkingen' aangemerkt alle stukken materiaal (bijvoorbeeld kunststof of leder) die, ter aanvullende versterking, de buitenzijde van het bovendeel bedekken, ook indien zij aan de zool zijn bevestigd. Na het verwijderen van de versterkin-gen dient het dan zichtbare materiaal het ka-rakter te hebben van een bovendeel (niet dat van een voering), dat het schoeisel, met de oorspronkelijke sluitsystemen op hun plaats, voldoende grip op de voet biedt om de gebruiker in staat te stellen met het schoeisel te lopen.

Voor de vaststelling van de aard van het materiaal van het bovendeel moet met de delen die door toebehoren of versterkingen zijn bedekt rekening worden gehouden'.

2.Voor de toepassing van aantekening 4, onder b), worden een of meer lagen van textielstoffen, die niet de kenmerken bezitten die gewoonlijk zijn vereist voor normaal gebruik van een buitenzool (bijvoorbeeld duurzaamheid, sterkte enz.), bij het bepalen van de aard van de buitenzool buiten beschouwing gelaten.