Hoofdstuk 91

Uurwerken

1
Toelichting IDR

Dit hoofdstuk heeft betrekking op toestellen, die in hoofdzaak dienen voor het meten van de tijd of voor het uitvoeren van verrichtingen die verband houden met de tijd. Het omvat zakhorloges, stophorloges, polshorloges en dergelijke horloges, die op of aan de persoon kunnen worden gedragen, klokken, pendules, wekkers, scheepschronometers en dergelijke, klokjes voor vervoermiddelen, tijdmeters en controleapparaten en tijdschakelaars, alsmede, in algemene zin, delen van bedoelde toestellen.

Genoemde toestellen mogen zijn vervaardigd van ongeacht welke stof (edele metalen daaronder begrepen). Zij mogen eveneens zijn versierd of bezet met echte of gekweekte parels, met natuurlijke, synthetische of gereconstrueerde edelstenen of halfedelstenen, enz. (zie de toelichtingen IDR op de posten 91.11 en 91.12).

Combinaties van horloges of klokken met een ander voorwerp (bijvoorbeeld een meubel, lamp, inktstel, presse-papier, blocnote, tabakspot, aansteker, handtas, poederdoos, sigarettenkoker, vulpotlood, wandelstok) moeten worden ingedeeld aan de hand van de algemene bepalingen voor de toepassing van de nomenclatuur. Horloges, klokken, enz. met binnenverlichting worden evenwel steeds onder dit hoofdstuk ingedeeld.

Horloges, klokken en dergelijke toestellen bestaan uit twee hoofdbestanddelen, het uurwerk (ook drijfwerk of binnenwerk genoemd) en de kast.

Een mechanisch uurwerk (drijfwerk of binnenwerk) bestaat uit de volgende delen:

1. een frame of huis, dat in de regel is samengesteld uit een plaat en bruggen. De bruggen zijn met schroeven of met pennen op de plaat bevestigd. Sommige frames bevatten, naast de gewone platen en bruggen, een of meer extra-platen of kloven (bijvoorbeeld tegenkloven, drangkloven voor de wijzerplaat, afdekkloven voor de onderzijde), bedoeld om bepaalde delen van een uurwerk op hun plaats te houden (raderwerk, wekkermechanisme, enz.);

2. een aandrijfmechanisme, gewoonlijk bestaande uit gewichten of uit veren. De nodige energie wordt ook wel ontleend aan bijvoorbeeld elektrische stroom of atmosferische druk- en temperatuurschommelingen;

3. een raderwerk, bestaande uit in elkaar grijpende tandwielen en pignons (rondsels), die de energie van het aandrijfmechanisme overbrengen en zodoende de tijdsmeting mogelijk maken;

4. een wijzerwerk, om de beweging van de minuutwijzer over te brengen op de uurwijzer. In de uurwerken met een drangkloof voor de wijzerplaat is het raderwerk in het algemeen geplaatst tussen deze kloof en de eigenlijke plaat;

5. een echappement, om de slinger of onrust in beweging te brengen en om het raderwerk met de regulator te controleren.

Echappementen komen voor als ankerechappementen, penechappementen, cilinderechappementen, chronometerechappementen, enz.;

6. een regulator, die dient om de beweging van het door het aandrijfwerk in beweging gebrachte uurwerk te regelen. De regulator kan bestaan uit een slinger, een onrust met spiraalveer, een diapason, een piëzo-elektrisch kristal of enig ander systeem voor tijdsdeelbepaling;

7. een mechanisme voor het gelijkzetten en opwinden (met knop, ketting, wip, enz.).

Het volledige uurwerk (binnenwerk) wordt met de wijzerplaat en de wijzers in een kast gemonteerd.

De onrust, de bewegende delen van het echappement en het raderwerk bewegen op zeer fijne taatsen. In gewone horloges draaien deze taatsen rechtstreeks op het metaal van de plaat en van de bruggen; in de betere soorten draaien zij in lagers (uurwerksteentjes) van natuurlijke of synthetische edelstenen of halfedelstenen, ter vermindering van slijtage.

Horloges, klokken en dergelijke toestellen kunnen zijn voorzien van een slagwerk, schelwerk (wekkermechanisme) of klokkenspel. Elk van deze inrichtingen vereist een afzonderlijk drijfwerk.

Mechanische horloges, klokken en dergelijke toestellen worden met de hand, dan wel elektrisch of automatisch opgewonden.

Van de elektrische (elektronische daaronder begrepen) klokken, die eveneens tot dit hoofdstuk behoren, kunnen worden genoemd:

A. zelfstandige toestellen die op droge batterijen of een accumulator lopen, met geringe gangreserve (slechts enkele minuten). Zij hebben een gewoon binnenwerk met een van een spiraalveer voorziene onrust of een slinger. De veer wordt op gezette tijden opgewonden door een elektromagneet;

B. zelfstandige toestellen, die zijn aangesloten op het lichtnet, met een grote gangreserve (meerdere uren). Zij hebben eveneens een gewoon binnenwerk met een van een spiraalveer voorziene onrust of een slinger, terwijl een elektromotor (synchroonmotor, inductiemotor, enz.) op gezette tijden de veer opwindt of het gewicht optrekt;

C. zelfstandige toestellen, die op droge batterijen of een accumulator lopen of zijn aangesloten op het lichtnet en die zijn voorzien van een langs elektromagnetische weg in beweging gehouden slinger;

D. zelfstandige toestellen, die op droge batterijen lopen of op een accumulator zijn aangesloten met een regulator (diapason, piëzo-elektrisch kristal, enz.), waarvan de trillingen worden onderhouden door een elektronisch circuit;

E. synchroonklokken, die worden aangesloten op een wisselstroomnet met geregeld periodental. Zij hebben derhalve geen regulator en bestaan enkel uit een motor en een raderwerk.

Moederkloksystemen zijn nader omschreven in de toelichting IDR op post 91.05.

Sommige klokken zijn speciaal ingericht om met afstandbediening te worden gelijkgezet. Algemene opmerkingen.

1. Aantekeningen IDR

1 (1). Dit hoofdstuk omvat niet:

a. glazen voor horloges, klokken en dergelijke, alsmede gewichten voor klokken (in te delen naar de stof waaruit zij vervaardigd zijn);

b. horlogekettingen (post 71.13 of 71.17);

c. delen voor algemeen gebruik in de zin van aantekening 2 op afdeling XV, van onedel metaal (afdeling XV) en dergelijke artikelen van kunststof (hoofdstuk 39) of van edel metaal of van metaal geplateerd met edel metaal (in het algemeen post 71.15); veren voor uurwerken (onrustveren daaronder begrepen) behoren echter tot post 91.14;

d. kogels voor kogellagers (post 73.26 of 84.82);

e. artikelen bedoeld bij post 84.12 die gemaakt zijn om zonder echappement te lopen;

f. kogellagers (post 84.82);

g. artikelen bedoeld bij hoofdstuk 85, nog niet onderling of met andere elementen samengebouwd tot uurwerken of tot delen die uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd zijn voor uurwerken (hoofdstuk 85).

1
Toelichting IDR

Naast de uitzonderingen die in de toelichting IDR op de verschillende posten zijn opgenomen, zijn van dit hoofdstuk uitgezonderd:

a. zonnewijzers en zandlopers (in te delen naar aard en samenstelling);

b. muziekautomaten (zingende vogels en dergelijke) en muziekdozen, zonder wijzerplaat (post 92.08);

c. speelgoedhorloges en -klokken en toebehoren voor kerstboomversiering, zoals horloges en pendules zonder binnenwerk (post 95.03 of post 95.05);

d. automaten en mechanische blikvangers, voor etalages (post 96.18);

e. kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten (hoofdstuk 97). Algemene opmerkingen.

2.

2. Post 91.01 omvat uitsluitend horloges waarvan de kast geheel uit edel metaal of uit metaal geplateerd met edel metaal bestaat, of uit genoemde materialen gecombineerd met echte of gekweekte parels, of met natuurlijke, synthetische of gereconstrueerde edelstenen of halfedelstenen, bedoeld bij de posten 71.01 tot en met 71.04. Horloges met een kast van onedel metaal met inlegwerk van edel metaal worden ingedeeld onder post 91.02.

3.

3 (1). Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden als ‘horloge-uurwerken’ aangemerkt, uurwerken die worden geregeld door een van een spiraalveer voorziene onrust, een kwartskristal of een ander systeem voor tijdsdeelbepaling, met een aanwijsplaat of met een systeem waarop een mechanische aanwijzing kan worden aangesloten. De dikte van deze uurwerken mag niet meer dan 12 mm bedragen en de breedte, de lengte of de diameter niet meer dan 50 mm.

1
Toelichting IDR

Voor de toepassing van Aantekening 3 IDR op dit hoofdstuk, waarin horloge-uurwerken worden omschreven, zijn de volgende meetmethoden van toepassing:

a. meten van de dikte

De dikte van het uurwerk is de afstand van het buitenste vlak van de wijzerplaatsteun (of van het zichtbare oppervlak van de aanwijsplaat indien deze in het uurwerk is ingebouwd) tot het verste tegenoverliggend buitenste vlak, zonder rekening te houden met schroeven, moeren of andere vaste delen die boven dit vlak uitsteken.

b. meten van de breedte, lengte of diameter

De breedte, lengte of diameter (bepaald door hun symmetrische as) dient, al naar gelang het geval te worden gemeten zonder rekening te houden met de opwindas of opwindkroon. Algemene opmerkingen.

4.

4. Behoudens het bepaalde in aantekening 1 hiervoor, worden uurwerken en delen, die zowel in uurwerken als in andere artikelen (bijvoorbeeld in meet- en precisie-instrumenten) kunnen worden gebezigd, onder hoofdstuk 91 ingedeeld.


UURWERKEN

AANTEKENINGEN

1. Dit hoofdstuk omvat niet:

a. glazen voor horloges, klokken en dergelijke, alsmede gewichten voor klokken (in te delen naar de stof waaruit zij vervaardigd zijn);

b. horlogekettingen (post 71.13 of 71.17);

c. delen voor algemeen gebruik in de zin van aantekening 2 op afdeling XV, van onedel metaal (afdeling XV) en dergelijke artikelen van kunststof (hoofdstuk 39) of van edel metaal of van metaal geplateerd met edel metaal (in het algemeen post 71.15); veren voor uurwerken (onrustveren daaronder begrepen) behoren echter tot post 91.14;

d. kogels voor kogellagers (post 73.26 of 84.82);

e. artikelen bedoeld bij post 84.12 die gemaakt zijn om zonder echappement te lopen;

f. kogellagers (post 84.82);

g. artikelen bedoeld bij hoofdstuk 85, nog niet onderling of met andere elementen samengebouwd tot uurwerken of tot delen die uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd zijn voor uurwerken (hoofdstuk 85).

2. Post 91.01 omvat uitsluitend horloges waarvan de kast geheel uit edel metaal of uit metaal geplateerd met edel metaal bestaat, of uit genoemde materialen gecombineerd met echte of gekweekte parels, of met natuurlijke, synthetische of gereconstrueerde edelstenen of halfedelstenen, bedoeld bij de posten 71.01 tot en met 71.04. Horloges met een kast van onedel metaal met inlegwerk van edel metaal worden ingedeeld onder post 91.02.

3. Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden als 'horloge-uurwerken' aangemerkt, uurwerken die worden geregeld door een van een spiraalveer voorziene onrust, een kwartskristal of een ander systeem voor tijdsdeelbepaling, met een aanwijsplaat of met een systeem waarop een mechanische aanwijzing kan worden aangesloten. De dikte van deze uurwerken mag niet meer dan 12 mm bedragen en de breedte, de lengte of de diameter niet meer dan 50 mm.

4. Behoudens het bepaalde in aantekening 1 hiervoor, worden uurwerken en delen, die zowel in uurwerken als in andere artikelen (bij voorbeeld in meet- en precisie-instrumenten) kunnen worden gebezigd, onder hoofdstuk 91 ingedeeld.