Hof Amsterdam doet uitspraak douanewaarde en oorsprong textiel

Het Gerechtshof Amsterdam heeft in de zaken onder nrs. 16/00536 en 16/00537op 28 juni
2018 uitspraak gedaan in het hoger beroep in de zaken met kenmerken HAA 13/4953 en
13/4954 van de rechtbank Noord-Holland. Voor wat betreft de douanewaarde heeft het
Hof geoordeeld dat het onbekend is wat de kwaliteit en de spreiding in
transactiewaarden van de onderwerpelijke invoerzendingen is geweest. Het toepassen
van genoemde gemiddelden is naar ’s Hofs oordeel in de gegeven omstandigheden
alleszins redelijk, te meer nu de inspecteur zich in casu niet – zoals gebruikelijk –
heeft beperkt tot CBS-gegevens, maar ook acht heeft geslagen op gemiddelden uit
Nederlandse en Duitse invoersystemen en de waarden uit laatstgenoemde bronnen heeft
toegepast indien dat voor belanghebbende een gunstiger resultaat opleverde dan de
gegevens van het CBS. Het hoger beroep van belanghebbende faalt in zoverre. Met
betrekking tot de oorsprong stelt het Hof dat de stukken van het geding niet tot een
andere conclusie leiden dan dat er nimmer transacties hebben plaatsgevonden tussen de
(vermeende) Bengaalse producenten enerzijds en [Y AB] en [A Ltd] anderzijds. Uit deze
vaststelling volgt reeds dat de Form A’s niet kunnen dienen als bewijs van de
preferentiële Bengaalse oorsprong.