Hof van Justitie oordeelt over de wijze van berekening van aanvullende invoerrechten en de douanewaarde

In de Hof van Justitie zaak C‑160/18 betreffende een verzoek om de uitlegging van
bepalingen voor de toepassing van de aanvullende invoerrechten in de sector
slachtpluimvee, ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden bij beslissing van 23
februari 2018, is de uitnodiging tot betaling van aanvullende invoerrechten voor
bevroren pluimveevlees uit Brazilië in het geding. Het Hof heeft op 11 maart 2020
geoordeeld de enkele omstandigheid dat in de Unie ingevoerde goederen met verlies
zijn verkocht, namelijk tegen een lagere prijs dan de in de douaneaangifte vermelde
cif invoerprijs, niet volstaat om vast te stellen dat de cif invoerprijs niet juist
is gebleken, wanneer de importeur bewijst dat uit het geheel van voorwaarden
waaronder deze goederenzending is afgehandeld, blijkt dat deze prijs juist is.
Ingeval de importeur niet heeft kunnen bewijzen dat de in de douaneaangifte vermelde
cif invoerprijs juist is, moeten de douaneautoriteiten deze prijs bij de heffing van
aanvullende rechten buiten beschouwing laten en gebruik moeten maken van de methoden
voor de vaststelling van de douanewaarde van ingevoerde goederen die zijn neergelegd
in de artikelen 29 tot en met 31 van het Communautair Douanewetboek.