Jurisprudentie

  • In de zaak C-62/20 is het Hof van Justitie de vraag gesteld in hoeverre geschaafde
    houten planken waarbij bij de vier hoeken een afronding werd aangebracht over de
    gehele lengte van de plank, dienen te worden beschouwd als zijnde 'over de gehele
    lengte geprofileerd' en bijgevolg te worden ingedeeld onder tariefpost 44.09 of dat
    het afronden van de hoeken niet worden beschouwd als 'over de gehele lengte
    geprofileerd' en de goederen bijgevolg dienen te worden ingedeeld onder tariefpost
    44.07?

  • Rechtbank Noord-Holland heeft op 4 maart 2020 in de zaak AWB - 17 _ 2686 geoordeeld
    dat bij een verzoek tot terugbetaling van de antidumpingrechten het beroep op de in
    artikel 120 van het DWU genoemde billijkheid faalt. In dit artikel worden twee
    cumulatieve vereisten voor de terugbetaling van invoerrechten om reden van
    billijkheid genoemd. Eiseres heeft nagelaten de vereiste bijzondere omstandigheden
    nader te onderbouwen. De stelling van eiseres, dat verweerder de procedure voor
    terugbetaling en kwijtschelding zoals omschreven in het DWU heeft geschonden, is niet
    terecht.

  • In de zaak C-941/19 Samohýl group is de indeling in geschil van een goed verkrijgbaar
    in pipetten van 0,5 ml, dat de werkzame stof Fipronilum (fipronil) per pipet 50 mg
    bedraagt en waarbij de overige oplosmiddelen butylhydroxyanisol E 320,
    butylhydroxytolueen E 321,

    benzylalcohol en diethyleenglycolmonoethylether zijn. Het middel is bedoeld voor
    katten, wordt aangebracht op de huid en moet worden gebruikt voor de behandeling van
    aanvallen van vlooien (die binnen 24 uur worden geëlimineerd) en teken (die binnen 48
    uur of een week worden geëlimineerd). De vraag luidt of dit goed overeenkomstig de
    voorschriften van het Unierecht moet worden ingedeeld onder post 30.04
    (geneesmiddelen) of veeleer onder post 38.08 (insectendodende middelen en acariciden)
    van de gecombineerde nomenclatuur.

  • In zaak C‑192/19 heeft het Hof van Justitie betreffende een verzoek om een
    prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van aanvullende aantekening 1 op
    hoofdstuk 89 van de gecombineerde nomenclatuur, ingediend door het gerechtshof
    Amsterdam (Nederland) in de procedure Rensen Shipbuilding BV op 11 maart 2020
    geoordeeld. Het gebezigde begrip „schepen, ontworpen en gebouwd voor de vaart in
    volle zee” strekt zich niet uit tot schepen waarmee ten gevolge van de eigenschappen
    die inherent zijn aan de bouw ervan, bij moeilijke weersomstandigheden tot slechts
    ongeveer 21 zeemijl uit de kust kan worden gevaren.

  • In de Hof van Justitie zaak C‑160/18 betreffende een verzoek om de uitlegging van
    bepalingen voor de toepassing van de aanvullende invoerrechten in de sector
    slachtpluimvee, ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden bij beslissing van 23
    februari 2018, is de uitnodiging tot betaling van aanvullende invoerrechten voor
    bevroren pluimveevlees uit Brazilië in het geding. Het Hof heeft op 11 maart 2020
    geoordeeld de enkele omstandigheid dat in de Unie ingevoerde goederen met verlies
    zijn verkocht, namelijk tegen een lagere prijs dan de in de douaneaangifte vermelde
    cif invoerprijs, niet volstaat om vast te stellen dat de cif invoerprijs niet juist
    is gebleken, wanneer de importeur bewijst dat uit het geheel van voorwaarden
    waaronder deze goederenzending is afgehandeld, blijkt dat deze prijs juist is.
    Ingeval de importeur niet heeft kunnen bewijzen dat de in de douaneaangifte vermelde
    cif invoerprijs juist is, moeten de douaneautoriteiten deze prijs bij de heffing van
    aanvullende rechten buiten beschouwing laten en gebruik moeten maken van de methoden
    voor de vaststelling van de douanewaarde van ingevoerde goederen die zijn neergelegd
    in de artikelen 29 tot en met 31 van het Communautair Douanewetboek.