Jurisprudentie

  • De Hoge Raad heeft op 24 december 2021 arrest gewezen in de zaak 19/03745 op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 4 juli 2019, nr. 18/00307, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 16/1830) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven bindende tariefinlichting. Het Hof heeft vastgesteld dat de bovenzijde van de deurmat uit textielmateriaal bestaat. Daarvan uitgaande heeft het Hof terecht geoordeeld dat de deurmat bij toepassing van aantekening 1 op hoofdstuk 57 van de GN voldoet aan de bewoordingen van post 57.05 van de GN. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

  • Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 3 december 2020 uitspraak gedaan in de gevoegde zaaknr. 17/00404 en 17/00405 betreffende de indeling van scheepscasco’s van de GN-onderverdelingen 8901 20 10 en 8901 90 10. In de zaak 21/00175 heeft de Hoge Raad op 24 december 2021 de middelen over de uitspraak van het Hof beoordeeld en vastgesteld dat de uitkomst hiervan is dat deze middelen niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak.

  • De Rechtbank Noord-Holland heeft op 28 februari 2020 in de zaaknummers HAA 15/2908 en HAA 19/3713 geoordeeld dat verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, zodat moet worden aangenomen dat het Form A geldig is en de bevestigingsmiddelen de (preferentiële) oorsprong Indonesië hebben en niet van Chinese oorsprong zijn. De utb is dan ook ten onrechte uitgereikt. De terugbetaling berust op de vernietiging van een uitnodiging tot betaling die is vastgesteld in strijd met het Unierecht. Daarom moeten de onverschuldigd betaalde bedragen aan douanerechten en antidumpingrechten bij terugbetaling moeten worden vermeerderd met rente daarover.

  • De rechtbank Noord-Holland heeft op 28 februari 2020 uitspraak gedaan in de zaaknummers HAA 15/2343 en HAA 19/3924. Daarbij heeft de rechtbank vastgesteld dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de bevestigingsmiddelen de oorsprong China hebben. Omdat niet aan de voorwaarden voor toepassing van het lagere tarief is voldaan, heeft verweerder het juiste (algemene) tarief aan antidumpingrecht toegepast. Omdat verweerder bij de berekening van de verschuldigde antidumpingrechten is uitgegaan van een onjuiste douanewaarde (gebaseerd op CIF in plaats van op DDP) is het beroep in zoverre gegrond.

  • Partijen zijn het oneens over de juiste tariefindeling van air loungers. In 2017 heeft verzoekster air loungers uit China ingevoerd en deze voor het vrije verkeer aangegeven onder respectievelijk de codes 9404 9090 en 3926 9092 van de gecombineerde nomenclatuur (GN). Het Hof van Justitie is gevraagd ion hoeverre deze air loungers moeten worden ingedeeld onder GN-onderverdeling 9401 8000?