Jurisprudentie

  • De rechtbank Noord-Holland heeft op 28 december 2021 uitspraak gedaan in de zaak HAA 20/294 betreffende de indeling van zogenoemde egmented ringmagnets (niet gemagnetiseerd en wel gemagnetiseerd) en irregular blockmagnets in GN. Niet in geschil is dat de goederen ingedeeld moeten worden in GN-postonderverdeling 8505 1100. In geschil is of in de UTB terecht is uitgegaan van indeling onder Taric-code 8505 1100 99 en dientengevolge geen aanspraak bestaat op de autonome tariefschorsing van Verordening (EU) Nr. 1387/2013. De rechtbank is dus van oordeel dat verweerder de goederen in de UTB terecht onder de door hem genoemde Taric-codes heeft ingedeeld. De rechtbank verklaart het beroep gegrond.

  • Door de rechtbank Noord-Holland zijn prejudiciële vragen gesteld met betrekking tot de indeling van krabpalen. Daarbij zijn vragen gesteld over de reikwijdte van GN-post 94.03 in hoeverre kattenkrabpalen, bestaand uit diverse materialen, bestemd om in (woon)ruimten op de vloer te worden geplaatst en daar te blijven, zodat katten erin kunnen klimmen, erop kunnen zitten en liggen en eraan kunnen krabben, niet onder deze GN-post. Daarnaast is de vraag gesteld in hoeverre twee indelingsverordeningen geldig zijn.

  • Met haar hogere voorziening verzoekt Eurofer, Association Européenne de l’Acier, AISBL, om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 12 maart 2020, Eurofer/Commissie (T‑835/17), waarbij haar beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van uitvoeringsverordening (EU) 2017/1795. Deze verordening van de Commissie van 5 oktober 2017 ziet op de instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde warmgewalste platte producten van ijzer, van niet-gelegeerd staal of van ander gelegeerd staal van oorsprong uit Brazilië, Iran, Rusland en Oekraïne, en tot beëindiging van het onderzoek naar de invoer van bepaalde warmgewalste platte producten van ijzer, van niet-gelegeerd staal of van ander gelegeerd staal van oorsprong uit Servië is verworpen. In haar arrest van 24 februari 2022 heeft het Hof van Justitie in zaak C‑226/20 P de hogere voorziening afgewezen.

  • Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 11 januari 2022 ter zake van verzoeken om terugbetaling in zaaknummer 20/00201 geoordeeld in een geschil of belanghebbende recht heeft op terugbetaling. Meer in het bijzonder is in geschil of een geldig Formulier A vereist is voor het verkrijgen van het preferentieel tarief en, zo ja, of aan dit vereiste is voldaan. Daarnaast houdt partijen verdeeld of de inspecteur in zijn uitspraak op het tegen de terugbetalingsbeschikking gerichte bezwaar tevens had moeten beoordelen of aanleiding bestond voor een terugbetaling van de verschuldigde rechten op grond van ‘bijzondere omstandigheden’ als bedoeld in Douanewetboek van de Unie. Ook het Hof Amsterdam oordeelt dat verweerder het verzoek om terugbetaling terecht heeft afgewezen. Het beroep dienen derhalve ongegrond te worden verklaard.

  • Het Gerechtshof Amsterdam heeft in de zaken 20/00202 tot en met 20/00207 op 11 januari 2022 geoordeeld dat in een geschil in hoeverre de UTB’s terecht aan belanghebbenden zijn uitgereikt. Meer in het bijzonder is in geschil of een geldig Formulier A vereist is voor het verkrijgen van het preferentieel tarief en, zo ja, of aan dit vereiste is voldaan. Nu belanghebbenden geen geldige Formulieren A hebben overgelegd bij hun aangiften is er naar aanleiding van die aangiften, anders dan belanghebbenden betogen, telkenmale een douaneschuld ontstaan.