Jurisprudentie

  • De rechtbank Noord-Holland heeft op 12 januari 2021 uitspraak in de zaak HAA 18/4843 gedaan ter zake van antidumping- en compenserende rechten en de oorsprong van zonnepanelen. De rechtbank heeft daarbij geoordeeld dat niet Taiwan, maar China het land van oorsprong is. Verweerder heeft recht op verdediging van eiseres en motiveringsbeginsel niet geschonden en heeft voldaan aan zijn bewijslast. OLAF is bevoegd en het rapport van OLAF kan in principe als bewijs dienen. In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam heeft op 23 juni 2022 in zaaknummer 21/00161 geoordeeld dat het hoger beroep ongegrond is. Ook het Hof ziet geen aanleiding de door OLAF in Taiwan vergaarde informatie (zowel tijdens als na het bezoek aan Taiwan) als bewijsmiddel uit te sluiten en is tevens van oordeel dat de inspecteur voor alle in de UTB betrokken zonnepanelen is geslaagd in de op hem rustende last te bewijzen dat zij van Chinese oorsprong zijn. Daarmee volgt het Hof de uitspraak van de rechtbank.

  • Het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba heeft op 7 september 2022 in de zaaknummers AUA202002435 en AUA202002436 geoordeeld dat voor heffing van accijns op gedistilleerd niet zonder meer kan worden aangesloten bij de producten die voor de heffing van invoerrechten worden ingedeeld onder de tariefpost 22.08. Het Gerecht leidt uit de tekst van de artikelen 5 en 6 Landsverordening accijns op gedistilleerd (LvAG) af dat onder gedistilleerd dienen te worden begrepen, de alcoholische dranken die grotendeels gedistilleerde alcohol bevatten. Gedistilleerde alcohol wordt verkregen door destillatie. Beoordeeld moet worden of de BLL-dranken en de BJJ-dranken grotendeels (voor meer dan 50% van het totale alcoholpercentage) gedistilleerde alcohol bevatten. Van de samenstelling van de dranken heeft de Inspecteur voor elk product een rapport van het Nederlandse Douane Laboratorium overgelegd. Hieruit volgt niet dat de dranken grotendeels gedistilleerde alcohol bevatten. De UTB’s dienen voor zover zij betrekking hebben op de heffing van gedistilleerdaccijns te vervallen.

  • Volgens de rechtbank moesten de producten in het geding als “Hulpstukken (fittings) voor buisleidingen” worden aangemerkt. De rechtbank volgde daarmee eiseres in haar standpunt dat de indeling daarvan, dient plaats te vinden onder post 73.07. Voor de heffing van antidumpingrechten is dan geen plaats, waaruit voortvloeit dat ook voor het in rekening gebrachte bedrag ter zake van rente op achterstallen geen plaats is. Het Gerechtshof Amsterdam heeft echter op 14 juni 2022 in zaaknummer 21/00224 in hoger beroep geoordeeld dat de “pijpnippels” uitsluitend vatbaar zijn voor indeling onder post 73.06. Bij deze stand van het geding is tussen partijen niet in geschil dat indeling dient plaats te vinden in de GN-onderverdelingen 7306 3041 (indien verzinkt) en 7306 3049 (indien niet verzinkt), zodat belanghebbende terecht is uitgenodigd tot betaling van antidumpingrechten. De slotsom is dat het hoger beroep van de inspecteur gegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd.

  • Bij Besluit nr. 1/2022 van de Stabilisatie- en associatieraad EU-Kosovo van 29 april 2022 (PbEU L 252 van 30 september 2022) is de wijziging gepubliceerd van de Stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en Kosovo anderzijds, door de vervanging van protocol III betreffende het begrip “producten van oorsprong”

  • In geschil is of de UTB terecht is opgelegd. Belanghebbende stelt samengevat dat de ingevoerde voertuigen voorzien zijn van een hybride aandrijvingssysteem en daarom onderworpen zijn aan een tarief van 12%. De Inspecteur stelt samengevat dat de voertuigen mild-hybride voertuigen zijn, die niet volledig kunnen worden aangedreven door de elektromotor en zij hebben een invoertarief van 50%. De Inspecteur heeft de voertuigen terecht ingedeeld in post 8703.2394. Daarbij hoort een tarief van 50% aan invoerrechten. In de zaken onder de nrs. AUA202103014 en AUA202103015 heeft het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba op 18 augustus 2022 geoordeeld dat de UTB terecht is opgelegd. Het beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard.