Jurisprudentie

  • Bij Beschikking van 27 februari 2020 heeft het Hof van Justitie in de zaak C‑670/19, geoordeeld ter zake een verzoek om een prejudiciële beslissing betreffende de uitlegging van onderverdeling 8302 41 90 van de gecombineerde nomenclatuur in het kader van een geding over de tariefindeling van als gordijnroeden ingevoerde producten uit metaal. Volgens het Hof moeten gordijnroeden van onedele metalen behoren tot onderverdeling 8302 41 90, tenzij deze roedes bestaan uit profielen, buizen of staven die alleen maar op de gewenste lengte zijn gezaagd.

    In zaak C - 99/2 is een verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het hof van beroep van Alba Iulia, Roemenië. Het betreft wederom de uitlegging van tariefonderverdeling 8302 41 90 van de gecombineerde nomenclatuur met betrekking tot de tariefindeling van gordijnroeden van onderdelen, in de vorm van afgewerkte buizen en fittingen, geïmporteerd uit de Volksrepubliek China. Het hof van Justitie heeft geoordeeld dat onderdelen van gordijnroeden, in de vorm van afgewerkte buizen (geverfd, vernikkeld, verchroomd), onder postonderverdeling 8302 41 90 vallen, tenzij deze afgewerkte buizen bestaan in profielen, buizen en staven die alleen maar op de gewenste lengte zijn gezaagd. Het staat aan de verwijzende rechter om dat na te gaan voor de tariefindeling van de producten.

  • In zaak C‑772/19 heeft het Hof van Justitie op 25 februari 2021 arrest gewezen,
    betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van post
    87.05 van de gecombineerde nomenclatuur. Volgens het Hof moet de gecombineerde
    Nomenclatuur aldus worden uitgelegd dat post 87.05 niet ziet op voertuigen die zijn
    ontworpen voor het slepen en duwen van luchtvaartuigen, ook wel vliegtuigslepers
    genoemd, die onder post 87.01 van deze nomenclatuur vallen.

  • Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 23 mei 2017 uitspraak gedaan betreffende een
    uitnodiging tot betaling van douanerechten en antidumpingrechten. Volgens het Hof
    heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat het aanslagbiljet binnen drie jaar na het
    ontstaan van de schuld is verzonden, zodat deze niet door verjaring is teniet gegaan.
    De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie gegrond verklaard en de uitspraak van het
    gerechtshof vernietigt. Het gerechtshof Amsterdam heeft op 5 januari 2021 in
    zaaknummer 20/00119 geoordeeld dat het hoger beroep van de inspecteur ongegrond is en
    dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

  • Het gerechtshof Amsterdam heeft op 29 september 2020 uitspraak gedaan in het hoger
    beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland met betrekking tot de
    ontvankelijkheid bezwaarschrift en douaneschuldenaar in verband met onttrekking en
    het douanetoezicht doordat bevroren knoflook meerdere malen werd gebruikt voor de
    aanzuivering van T1-documenten voor verse knoflook. De slotsom is dat het hoger
    beroep gegrond is, doch enkel voor zover de zaak onder nummer 18/00498 betreft.

  • Belanghebbende exploiteert een hotel in Aruba. Zij heeft investeringen verricht ter
    renovatie van de hotelkamers en heeft daarvoor goederen ingevoerd. In geschil is of
    voor de invoerrechten het tarief van 22% of 12% van toepassing is. Het Gerecht in
    Eerste Aanleg van Aruba heeft op 5 februari 2021 in zaaknummer AUA202000956
    geoordeeld dat - anders dan de Inspecteur voorstaat –de minister met het uitvaardigen
    van de beleidsregel van 3 december 2015 niet het bij belanghebbende gewekte
    vertrouwen heeft beëindigd. Redengevend daarvoor is dat het een algemene beleidsregel
    betreft die niet aan belanghebbende zelf is gericht. Bovendien betreft deze
    beleidsregel slechts een nadere invulling van de eerdere beleidsregel van 28 juni
    2013 waarop de individuele toezegging van de minister nu juist was gebaseerd. Van een
    wijziging van standpunt is daarom geen sprake.