Jurisprudentie

  • Op 11 juni 2021 heeft de Hoge Raad in zaaknummer 20/02229 arrest gewezen op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 16 juni 2020, nrs. 19/00940 tot en met 19/00944, betreffende ten aanzien van belanghebbende gegeven bindende tariefinlichtingen ter zake van de tariefindeling van grote lcd-beeldschermen. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

  • De Rechtbank Noord-Holland heeft op 15 december 2020 in zaaknummer HAA 19/4697 geoordeeld dat het verzoek om terugbetaling terecht is afgewezen. Het achteraf ingediende FORM A, dat buiten de geldigheidsduur is ingediend, is niet aanvaard.

  • De Rechtbank Noord-Holland heeft op 20 mei 2021 in zaaknummer HAA 21/592 onder meer geoordeeld dat het zorgvuldigheids- en vertrouwensbeginsel niet geschonden en dat de verlengde navorderingstermijn, nu onjuiste aangifte kwalificeert als strafrechtelijk vervolgbare handeling, geen bezwaar ontmoet. Beroep op verjaring faalt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de douanewaarde op de juiste wijze heeft berekend door de relevante facturen steeds bij elkaar op te tellen.

  • Zaak C‑209/20 betreft een verzoek om een prejudiciële betreffende de uitlegging van artikel 24 van verordening (EEG) nr. 2913/92 (het communautair douanewetboek) in het kader van een geding over de heffing van antidumping- en compenserende rechten op zonnemodules die in het Verenigd Koninkrijk zijn ingevoerd. Uitvoeringsverordening nr. 1357/2013 heeft tot doel gehad de oorsprong te verduidelijken van zonnecellen, ‑modules en ‑panelen bij de vervaardiging waarvan meerdere derde landen betrokken zijn. De toepassing van deze uitvoeringsverordening heeft met name tot gevolg gehad dat zonnemodules en ‑panelen die in andere derde landen dan China zijn vervaardigd uit in China geproduceerde zonnecellen, worden onderworpen aan de antidumpingrechten en de compenserende rechten die waren ingesteld. Het Hof van Justitie heeft op 20 mei 2021 geoordeeld dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden die afbreuk kunnen doen aan de geldigheid van deze uitvoeringsverordening.

  • In zaak C‑87/20 betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing heeft het Hof van Justitie op 12 mei 2021 in het kader van een geding over de inbeslagneming van zes blikken steurkaviaar van elk 50 gram, omdat de betrokkene bij binnenkomst in het douanegebied van de Europese Unie geen invoervergunning had overgelegd, geoordeeld dat wanneer de hoeveelheid het douanegebied van de Unie binnengebrachte steurkaviaar het maximum van 125 gram per persoon overschrijdt en de importeur niet in het bezit is van een daarvoor afgegeven invoervergunning, de volledige hoeveelheid aldus ingevoerde steurkaviaar door de bevoegde douaneautoriteit in beslag moet worden genomen.