Jurisprudentie

  • In zaak C‑574/17 P heeft het Hof van Justitie op 25 juli 2018 arrest gewezen in een
    hogere voorziening van de Europese Commissie die strekt tot vernietiging van het
    arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 19 juli 2017, Combaro/Commissie
    (T‑752/14), waarbij het besluit C(2014) 4908 final van de Commissie van 16 juli 2014
    houdende vaststelling dat de kwijtschelding van rechten bij invoer van textiel uit
    Letland met oorsprongscertificaten in een bijzonder geval (REM 05/2013) niet
    gerechtvaardigd is, nietig heeft verklaard. Het Hof oordeelt dat Combaro niet heeft
    aangetoond dat de Commissie in het litigieuze besluit ten onrechte tot de conclusie
    is gekomen dat niet het bewijs van het bestaan van een bijzondere situatie in de zin
    van artikel 239 van het douanewetboek was geleverd, en derhalve dat het eerste
    onderdeel van het als enige door Combaro in eerste aanleg aangevoerde middel moet
    worden afgewezen. Voornoemd arrest wordt vernietigd, het beroep van Combaro SA wordt
    verworpen.

  • In PbEU C 257 van 20 juli 2018 zijn aanbevelingen gepubliceerd van het Hof van
    Justitie van de Europese Unie betreffende de essentiële kenmerken van de prejudiciële
    procedure zijn en met welke punten de nationale rechterlijke instanties rekening
    moeten houden voordat zij zich tot het Hof wenden.

  • Eerder had de Rechtbank Noord Holland al geoordeeld dat een afgegeven
    invoercertificaat niet geldt voor de gehele contingentperiode; de datum van afgifte
    is een vanaf-datum. Het Gerechtshof Amsterdam heeft de uitspraak van de Rechtbank
    bevestigd. De Hoge Raad heeft op 13 juli 2018 in de zaak nr. 17/02659 arrest gewezen
    op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam. De
    middelen kunnen niet tot cassatie leiden.

  • Op 12 juli 2018 heeft het Hof van Justitie arrest gewezen in de gevoegde zaken
    C‑397/17 en C‑398/17, betreffende twee verzoeken om een prejudiciële ingediend door
    de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel (België) betreffende de
    uitlegging van de postonderverdelingen 7307 11 en 7307 19 10 van de gecombineerde
    nomenclatuur. Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van twee gedingen tussen
    Profit Europe NV en de Belgische Staat over de tariefindeling van hulpstukken van
    gietijzer voor brandinstallaties. Daarbij heeft het Hof geoordeeld dat de
    gecombineerde nomenclatuur aldus moet worden uitgelegd dat gegoten hulpstukken voor
    buisleidingen, van nodulair gietijzer, moeten worden ingedeeld in postonderverdeling
    7307 19 90 van de gecombineerde nomenclatuur.

  • Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 3 augustus 2016 in hoger beroep in de zaak
    15/00170 (www.inenuitvoer.nl 2016/3329) geoordeeld dat de ongeldigverklaring c.q.
    intrekking van de Formulieren A op zichzelf reeds voldoende grondslag vormt voor
    navordering van de niet-geheven douanerechten/ antidumpingrechten. Antidumpingrecht
    komt niet in mindering op de douanewaarde. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
    In cassatie heeft de Hoge Raad op 29 juni in zaaknummer geoordeeld dat - ook indien
    de verkoper wist dat de opgegeven oorsprong vals was - de nagevorderde
    antidumpingrechten - vanwege de voorwaarde Delivered Duty Paid - toch in mindering op
    de overeengekomen transactieprijs worden gebracht

    .