Jurisprudentie

  • In 2018 heeft het Hof Amsterdam in de zaak 17/00031 geoordeeld over de indeling van
    tonijnvlees, waarbij het de vraag was in hoeverre een “chunk” moet worden aangemerkt
    als 'bevroren filet van een tonijn' of als 'ander visvlees'. Volgens het Hof was het
    fabricageproces (of de volgorde van versnijden) niet relevant voor de indeling. De
    Hoge Raad heeft op 8 november 2019 in de zaak 18/00768 arrest gewezen ter zake van de
    tariefindeling van ‘tonijnchunks’ waarbij het de vraag was of tonijnchunks moeten
    worden ingedeeld als ‘ander visvlees’ of als ‘bevroren filet van een tonijn’. De Hoge
    Raad heeft het beroep van belanghebbende in cassatie ongegrond verklaard.

  • In zaak C‑395/17 heeft het Hof van Justitie op 31 oktober 2019 geoordeeld ter zake
    van een verzoek van de Europese Commissie om vast te stellen dat het Koninkrijk der
    Nederlanden de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens door niet
    te hebben voorzien in de compensatie van het verlies aan eigen middelen die hadden
    moeten zijn vastgesteld en voor de begroting van de Europese Unie. Volgens het Hof is
    het Koninkrijk der Nederlanden de verplichtingen niet nagekomen door het verlies aan
    eigen middelen niet te compenseren dat is ontstaan wegens de onregelmatige afgifte
    door de autoriteiten van Curaçao en Aruba van certificaten inzake goederenverkeer
    EUR.1 die bij de invoer van melkpoeder en rijst uit Curaçao en van gries en griesmeel
    uit Aruba zijn overlegd.

  • Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 11 juni 2019 uitspraak gedaan in hoger beroep in
    de gevoegde zaken 18/00231 tot en met 18/00234 met betrekking tot de indeling van
    schoonmaakdoekjes onder GN-onderverdeling 6003 3090 of in de GN-onderverdeling 6307
    1010. Het Hof is op basis van de Engelse en Franse taalversies van aantekening 7 op
    afdeling XI van de GN van oordeel dat geen sprake is van geconfectioneerde artikelen.
    Artikelen dienen te worden ingedeeld onder post 60.03. Beroep gegrond.

  • De Hoge Raad heeft op 15 juni 2018 in zaaknummer 16/03249 arrest gewezen op het
    beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het
    Gerechtshof Amsterdam van 19 mei 2016, nr. 14/00384 op het hoger beroep tegen een
    uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland betreffende aan belanghebbende uitgereikte
    uitnodigingen tot betaling van antidumpingrechten en compenserende rechten. De Hoge
    Raad heeft op 15 juni 2018 in zaaknummer 16/03249 arrest gewezen ter zake van
    antidumpingrechten en compenserende rechten. Ondanks bindende oorsprongsinlichting
    had het Hof moeten beoordelen of met de productie van de biodiesel in Canada
    ontwijking is beoogd van antidumping- en antisubsidiëringsmaatregelen van de Unie.

    Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 13 juni 2019 uitspraak gedaan in de zaak onder nr.
    18/00375 met betrekking tot antidumpingrechten en compenserende rechten. Daarbij
    heeft het Hof gemeend dat belanghebbende heeft het vermoeden dat met de bewerking van
    de biodiesel in Canada enkel ontduiking van antidumpingrechten en compenserende
    rechten is beoogd ontzenuwd, en dat aan de bewerking ook een economisch
    gerechtvaardigd motief ten grondslag heeft gelegen. Het Hof vernietigt de uitspraak
    van de rechtbank, vernietigt de uitspraak op bezwaar en vernietigt de UTB’s.

  • In de zaak onder nummer 19/00036 heeft het Gerechtshof Amsterdam op 9 juli 2019
    geoordeeld in een geschil in hoeverre de producten vallen onder de tariefschorsing
    van Verordening (EU) Nr. 1387/2013 voor ‘siliconen bevattende 50 of meer
    gewichtspercenten xyleen van een soort gebruikt voor de vervaardiging van duurzame
    chirurgische implantaten’. Volgens het Hof voldoen de producten van belanghebbende
    wél aan de bewoordingen van de destijds geldende tariefschorsing; het hoger beroep
    gegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd.