Jurisprudentie

  • Het gerechtshof Amsterdam heeft op 8 maart 2022 in de zaak met de kenmerken 20/00671 tot en met 20/00674 geoordeeld dat de rechtbank, gelet op de overwegingen van de Hoge Raad, met juistheid heeft geoordeeld dat aan belanghebbende over de periode van 1 mei 2016 tot de datum van terugbetaling van de douanerechten, een rente dient te worden vergoed die gelijk is aan de invorderingsrente als bedoeld in artikel 28c IW.

  • Het gerechtshof Amsterdam heeft op 1 maart 2022 in zaaknummer 21/00113 uitspraak gedaan ter zake van de indeling in de GN van puffy stickers en letter stickers. Het Hof oordeelt dat de ‘puffy stickers’ zijn bedrukt met verschillende illustraties die de vormen herkenbaar maken als de voorwerpen die zij uitbeelden. Het drukwerk is hierdoor meer dan bijkomstig voor het primaire gebruik van de stickers, zodat zij moeten worden ingedeeld als drukwerk in post 49.11. Het hoger beroep van de inspecteur faalt in zoverre. Het vorenoverwogene geldt echter niet voor de letter stickers. De opdruk is hierdoor slechts bijkomstig voor het primaire gebruik van de letter stickers, zodat zij niet als drukwerk kunnen worden ingedeeld in post 49.11. De letter stickers zijn naar ’s Hofs oordeel enkel vatbaar voor indeling in (rest)post 39.26 als andere producten van kunststof en meer in het bijzonder van postonderverdeling 3926 9097.

  • Het Hof van Justitie heeft op 7 april 2022 in de zaak C‑668/20 arrest gewezen naar aanleiding van een verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de codes 1302 19 05, 3301 90 30 en 3302 10 90 van de gecombineerde nomenclatuur, alsook van artikel 27, lid 1, onder e), van richtlijn 92/83/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 betreffende de harmonisatie van de structuur van de accijns op alcohol en alcoholhoudende dranken. Een product dat uit ongeveer 85 % ethanol, 10 % water, 4,8 % droog residu en gemiddeld 0,5 % vanilline bestaat en verkregen wordt door een met behulp van ethanol uit vanillestokjes geëxtraheerd tussenproduct met het oog op standaardisering te verdunnen in water en ethanol, moet onder GN code 1302 19 05 worden ingedeeld.

  • De rechtbank Noord-Holland heeft op 29 maart 2022 in de zaak HAA 19/20 zich gebogen over de vraag in hoeverre het ingevoerde tabaksproduct aangemerkt als rooktabak in de zin van de Wet op de Accijns. In zijn beschouwing ten aanzien van de indeling van de Gecombineerde Nomenclatuur (GN) concludeert het Douane Laboratorium dat het product bestaat uit tabak en dat het zonder verdere behandeling rookbaar is. Op grond van bijlage A van de EU-toelichting op post 2403 kan dit product aangemerkt worden als rooktabak, aldus het Douane Laboratorium. In zijn beschouwing ten aanzien van de Wet op de Accijns (hierna: WA) geeft hij aan dat de tabak geschikt is om te worden gerookt en kan worden aangemerkt als rooktabak. Het Douane Laboratorium heeft geadviseerd de goederen in te delen onder GN-code 2403 1990. Verweerder heeft echter zijn stelling dat geen sprake is van afvallen van tabak, maar van tabak die kwalificeert als rooktabak in de zin van de accijnswetgeving naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt.

  • Door het gerechtshof Amsterdam zijn prejudiciële vragen gesteld met betrekking tot de indeling van satellietontvangtoestellen (inenuitvoer.nl 2022-8849). Gelet op de rechtspraak van het Hof twijfelt de verwijzende rechter over de uitleg van algemene indelingsregel 2a, meer in het bijzonder over het antwoord op de vraag of, in de omstandigheden van de onderhavige zaken, de in twee afzonderlijke aangiften voor het vrije verkeer aangegeven onderdelen van satellietontvangtoestellen moeten worden ingedeeld als satellietontvangtoestel in niet-gemonteerde staat.