van katoen [Cat. 74]

 
    Print     PDF

6104 2200 00

van katoen [Cat. 74]

Invoer

Eenheid
p/st (Aantal stuks NAR)
Recht derde landen
12%
Preferentiële en Aanvullende rechten
BTW
21%
Tariefcontingenten
Invoerregelingen
Maatregelen

Uitvoer

Uitvoerregelingen

Toelichting

1
Toelichting IDR

De toelichting op post 61.03 is van overeenkomstige toepassing op de artikelen bedoeld bij deze post.

Alle samenstellende delen van mantelpakken en broekpakken moeten van een stof van dezelfde structuur, kleur en samenstelling zijn; zij moeten eveneens van dezelfde stijl en van gelijke of verenigbare maat zijn. Zij mogen evenwel zijn voorzien van boordsel (strook stof genaaid in de naad) van een andere stof.

Indien verschillende delen ontworpen om het onderlichaam te bedekken samen worden aangeboden, bijvoorbeeld een rok of een broekrok en een broek, wordt de rok of de broekrok aangemerkt als het essentiële deel; de andere delen dienen afzonderlijk in beschouwing te worden genomen.

Voor de toepassing van deze post worden echter als ‘ensembles voor dames of voor meisjes’ aangemerkt, stellen of assortimenten van verscheidene kledingstukken (andere dan de artikelen bedoeld bij de posten 61.07, 61.08 en 61.09), gemaakt van dezelfde stof, opgemaakt voor de verkoop in het klein en bestaande uit:

- een kledingstuk ontworpen om het bovenlichaam te bedekken, met dien verstande dat een pullover als tweede kledingstuk voor het bovenlichaam aanwezig mag zijn, uitsluitend in het geval van een twinset, en dat een vest als tweede kledingstuk voor het bovenlichaam in andere gevallen aanwezig mag zijn, en

- een of twee verschillende kledingstukken ontworpen om het onderlichaam te bedekken, zijnde een lange broek, een zogenaamde Amerikaanse overall, een korte broek (andere dan zwembroek), een rok of een broekrok, ook indien met schouderbanden of borststuk.

Alle samenstellende delen van een ensemble dienen van dezelfde structuur, stijl, kleur en samenstelling, alsmede van gelijke of verenigbare maat te zijn. Als ensembles worden niet aangemerkt trainingspakken en skipakken, bedoeld bij post 61.12 (zie Aantekening 3 b IDR op dit hoofdstuk).

Van deze post zijn uitgezonderd onderjurken en onderrokken (post 61.08).

3
EG-verordeningen

1. Japonnen

Een lichtgewicht kledingstuk (zie afbeelding 4) moet als japon onder onderverdeling 6104 4200 worden ingedeeld.

Het betreft een kledingstuk van breiwerk (100% katoen), bestemd om het bovenlichaam te bedekken en reikend tot halverwege de dij. Het heeft een ronde wijde halsopening, korte wijde mouwen en is aan de onderzijde voorzien van zijsplitten van ongeveer 12 cm. De halsopening, de uiteinden van de mouwen en de onderzijde van het kledingstuk zijn afgezet met een gebreide bies van 1 cm. De indeling is vastgesteld op basis van de algemene bepalingen 1 en 6 voor de toepassing van de gecombineerde nomenclatuur en de teksten van post 61.04 en onderverdeling 6104 4200. De indeling als nachthemd is uitgesloten omdat het betreffende kledingstuk op grond van zijn objectieve kenmerken zowel in bed als op andere plaatsen kan worden gedragen en derhalve niet bestemd is om uitsluitend of hoofdzakelijk als nachthemd te worden gedragen. Verordening (EEG) 21 maart 1989, nr. 812/89, punt 1 (PbEG 1989, nr. L 86).

De integrale tekst van de verordening is opgenomen in onderdeel VI.

Een lichtgewicht kledingstuk (zie afbeelding 5) moet als japon onder onderverdeling 6104 4200 worden ingedeeld.

Het betreft een kledingstuk van breiwerk (100% katoen), bestemd om het bovenlichaam te bedekken en reikend tot halverwege de dij. Het heeft een ronde halsopening, korte wijde mouwen en is aan de onderzijde voorzien van zijsplitten van ongeveer 16 cm.

De halsopening, de uiteinden van de mouwen en de onderzijde van het kledingstuk zijn afgezet met een gebreide bies. De voorzijde is voorzien van een opgenaaide versiering. De indeling is vastgesteld op basis van de algemene bepalingen 1 en 6 voor de toepassing van de gecombineerde nomenclatuur en de teksten van post 61.04 en onderverdeling 6104 4200. De indeling als nachthemd is uitgesloten omdat het betreffende kledingstuk op grond van zijn objectieve kenmerken zowel in bed als op andere plaatsen kan worden gedragen en derhalve niet bestemd is om uitsluitend of hoofdzakelijk als nachthemd te worden gedragen. Verordening (EEG) 21 maart 1989, nr. 812/89, punt 2 (PbEG 1989, nr. L 86).

De integrale tekst van de verordening is opgenomen in onderdeel VI.

Een lichtgewicht kledingstuk (zie afbeelding 6) moet als japon onder onderverdeling 6104 4200 worden ingedeeld.

Het betreft een kledingstuk van breiwerk (100% katoen), bestemd om het bovenlichaam te bedekken en reikend tot halverwege de dij. Het heeft een ronde halsopening, korte wijde mouwen en is aan de onderzijde voorzien van zijsplitten van ongeveer 13 cm.

De halsopening en de uiteinden van de mouwen zijn afgezet met een gebreide bies en aan de onderzijde is het kledingstuk omgezoomd. De indeling is vastgesteld op basis van de algemene bepalingen 1 en 6 voor de toepassing van de gecombineerde nomenclatuur en de teksten van post 61.04 en onderverdeling 6104 4200. De indeling als nachthemd is uitgesloten omdat het betreffende kledingstuk op grond van zijn objectieve kenmerken zowel in bed als op andere plaatsen kan worden gedragen en derhalve niet bestemd is om uitsluitend of hoofdzakelijk als nachthemd te worden gedragen. Verordening (EEG) 21 maart 1989, nr. 812/89, punt 3 (PbEG 1989, nr. L 86).

De integrale tekst van de verordening is opgenomen in onderdeel VI.

Een lichtgewicht, wijd kledingstuk (zie afbeelding 1) moet als japon onder onderverdeling 6104 4200 worden ingedeeld.

Het betreft een kledingstuk van breiwerk (100% katoen), bestemd om het bovenlichaam te bedekken, reikend tot halverwege de dij. Het

kledingstuk heeft een ronde, wijde halsopening met wijde korte mouwen en is omgezoomd aan de onderzijde. De uiteinden van de mouwen zijn afgezet met een gebreide ribboord. Het kledingstuk is eveneens voorzien van een strikceintuur die in de linker zijnaad is genaaid ter hoogte van de taille. De indeling is vastgesteld op basis van de algemene bepalingen 1 en 6 voor de toepassing van de gecombineerde nomenclatuur en de teksten van post 61.04 en onderverdeling 6104 4200. De indeling als nachthemd is uitgesloten omdat het betreffende kledingstuk op grond van zijn objectieve kenmerken zowel in bed als op andere plaatsen kan worden gedragen en derhalve niet bestemd is om uitsluitend of hoofdzakelijk als nachthemd te worden gedragen. Verordening (EEG) 28 februari 1989, nr. 548/89, punt 1 (PbEG 1989, nr. L 60).

De integrale tekst van de verordening is opgenomen in onderdeel VI.

Een lichtgewicht, wijd kledingstuk (zie afbeelding 2) moet als japon onder onderverdeling 6104 4300 worden ingedeeld.

Het betreft een kledingstuk van breiwerk (65% polyester, 35% katoen), bestemd om het bovenlichaam te bedekken, reikend tot halverwege de dij. Het kledingstuk heeft een ronde, wijde halsopening en zeer korte wijde mouwen en is omgezoomd aan de onderzijde. De halsopening en de uiteinden van de mouwen zijn afgezet met een gebreide bies. Het is voorzien van een strikceintuur en ter hoogte van de taille zijn in de zijnaden lussen aangebracht ten behoeve van de ceintuur. De indeling is vastgesteld op basis van de algemene bepalingen 1 en 6 voor de toepassing van de gecombineerde nomenclatuur en de teksten van post 61.04 en onderverdeling 6104 4300. De indeling als nachthemd is uitgesloten omdat het betreffende kledingstuk op grond van zijn objectieve kenmerken zowel in bed als op andere plaatsen kan worden gedragen en derhalve niet bestemd is om uitsluitend of hoofdzakelijk als nachthemd te worden gedragen. Verordening (EEG) 28 februari 1989, nr. 548/89, punt 2 (PbEG 1989, nr. L 60).

De integrale tekst van de verordening is opgenomen in onderdeel VI.

Een lichtgewicht, wijd kledingstuk (zie afbeelding 3) moet als japon onder onderverdeling 6104 4300 worden ingedeeld.

Het betreft een kledingstuk van breiwerk (100% synthetische vezels), bestemd om het bovenlichaam te bedekken, reikend tot halverwege de dij. Het kledingstuk heeft een ronde, wijde halsopening en zeer korte wijde mouwen. Het is omgezoomd aan de onderzijde. De halsopening en de uiteinden van de mouwen zijn afgezet met gebreide bies. Ter hoogte van de taille is in de linker zijnaad een strikceintuur van textiel genaaid. De indeling is vastgesteld op basis van de algemene bepalingen 1 en 6 voor de toepassing van de gecombineerde nomenclatuur en de teksten van post 61.04 en onderverdeling 6104 4300. De indeling als nachthemd is uitgesloten omdat het betreffende kledingstuk op grond van zijn objectieve kenmerken zowel in bed als op andere plaatsen kan worden gedragen en derhalve niet bestemd is om uitsluitend of hoofdzakelijk als nachthemd te worden gedragen. Verordening (EEG) 28 februari 1989, nr. 548/89, punt 3 (PbEG 1989, nr. L 60).

De integrale tekst van de verordening is opgenomen in onderdeel VI.

Een lichtgewicht ruimvallend kledingstuk (zie afbeelding 8) moet als japon onder onderverdeling 6104 4200 worden ingedeeld.

Het betreft een ruimvallend kledingstuk van effen breiwerk (100% katoen), bedoeld om het bovenlichaam te bedekken, reikend tot halverwege het bovenbeen. Het kledingstuk heeft korte mouwen en is voorzien van een ronde wijde halsopening, die met een gebreide boord is afgezet. De onderzijde van het kledingstuk en de uiteinden van de mouwen zijn omgezoomd. De indeling is vastgesteld op basis van de algemene bepalingen 1 en 6 voor de toepassing van de gecombineerde nomenclatuur, alsmede de teksten van post 61.04 en onderverdeling 6104 4200. Verordening (EEG) 9 oktober 1992, nr. 2949/92, punt 1 (PbEG 1992, nr. L 296).

De integrale tekst van de verordening is opgenomen in onderdeel VI.

Een lichtgewicht ruimvallend kledingstuk (zie afbeelding 9) moet als jurk onder onderverdeling 6104 4200 worden ingedeeld.

Het betreft een ruimvallend kledingstuk vervaardigd van twee verschillend bedrukte breiwerken (100% breiwerk), bestemd om het bovenlichaam te bedekken en reikend tot halverwege de dij. Het kledingstuk heeft een ronde wijde halsopening met een gedeeltelijke opening aan de voorzijde met een knoopsluiting rechts over links, korte wijde mouwen, aan de voorzijde een gedrukte versiering en twee zijsplitten aan de onderzijde. De halsopening en de onderzijde zijn voorzien van een gebreide bies. De indeling is vastgesteld op basis van de algemene bepalingen 1 en 6 voor de toepassing van de gecombineerde nomenclatuur en de teksten van post 61.04 en onderverdeling 6104 4200. Verordening (EG) 28 juli 1994, nr. 1966/94, punt 3 (PbEG 1994, nr. L 198).

De integrale tekst van de verordening is opgenomen in onderdeel VI.

Een lichtgewicht ruimvallend kledingstuk (zie afbeelding 10) moet als jurk onder onderverdeling 6104 4200 worden ingedeeld.

Het betreft een ruimvallend kledingstuk van brei- of haakwerk (100% katoen), bestemd om het bovenlichaam te bedekken tot halverwege het bovenbeen. Het kledingstuk heeft een ronde halsopening met een aangezette ribboord waarvan de linkerzijde gedeeltelijk over de rechterzijde valt, korte wijde mouwen en opgedrukte versieringen aan de voorzijde. Het kledingstuk heeft twee zijsplitten, is aan de onderzijde omgezoomd en heeft eveneens een afneembare capuchon die met knopen aan de kraag kan worden bevestigd. De indeling is vastgesteld op basis van de algemene bepalingen 1 en 6 voor de toepassing van de gecombineerde nomenclatuur en de teksten van post 61.04 en onderverdeling 6104 4200.

Rekening houdend met het algemeen aanzien moet het kledingstuk worden aangemerkt als een jurk. De kraag waarvan de linkerzijde gedeeltelijk over de rechterzijde valt, is enkel voor versiering. Verordening (EG) 22 maart 1996, nr. 511/96, punt 1 (PbEG 1996, nr. L 76).

De integrale tekst van de verordening is opgenomen in onderdeel VI.

Een lichtgewicht, ruimvallend kledingstuk (zie afbeelding 13) moet als japon onder onderverdeling 6104 4200 worden ingedeeld.

Afb. 13.

 

Het betreft een ruimvallend kledingstuk van breiwerk (100% katoen), van effen gekleurde stof, rechtvallend, bestemd om het lichaam te bedekken en reikend tot halverwege het bovenbeen (totale lengte = 96 cm). Het heeft een ronde ruimvallende halsopening en korte mouwen. De uiteinden van de mouwen en de onderzijde van het kledingstuk zijn omgezoomd en de onderzijde is voorzien van zijsplitten van ongeveer 8 cm.

De voorzijde is voorzien van borduurwerk. De indeling is vastgesteld op basis van de algemene bepalingen 1 en 6 voor de toepassing van de gecombineerde nomenclatuur en de teksten van de post 61.04 en onderverdeling 6104 4200.

Zie tevens de toelichting EG op de onderverdelingen 6104 4100 tot en met 6104 4900.

Indeling als nachthemd is uitgesloten omdat het betreffende kledingstuk, op grond van haar objectieve kenmerken, zowel in bed als op andere plaatsen kan worden gedragen en derhalve niet bestemd is om uitsluitend of hoofdzakelijk als nachtkleding te worden gedragen.

Vanwege de lengte kan het kledingstuk niet worden ingedeeld onder post 61.09. Verordening (EG) 9 maart 1999, nr. 516/1999, punt 2 (PbEG 1999, nr. L 61).

De integrale tekst van de verordening is opgenomen in onderdeel VI.

Een kledingstuk (zie afbeelding 14), zoals hierna omschreven, moet als jurk onder onderverdeling 6104 4200 worden ingedeeld.

Afb. 14.

 

Het betreft een kledingstuk van brei- of haakwerk (100% katoen), lichtgewicht en ruimvallend, met over het hele kledingstuk opgedrukte siermotieven, reikend tot halverwege de dij (totale lengte 90 cm). Het kledingstuk heeft een ronde halsopening met een boord van opgestikt brei- of haakwerk, korte mouwen, een zoom aan het uiteinde van de mouwen en aan de onderzijde, en is aan de onderzijde voorzien van zijsplitten van ongeveer 10 cm.

De indeling is vastgesteld op basis van de algemene bepalingen 1 en 6 voor de toepassing van de gecombineerde nomenclatuur en de teksten van post 61.04 en onderverdeling 6104 4200.

Zie eveneens de toelichting EG op de onderverdelingen 6104 4100 t/m 6104 4900.

De indeling als nachthemd is uitgesloten omdat het betreffende kledingstuk, op grond van zijn objectieve kenmerken, zowel in bed als op andere plaatsen kan worden gedragen en derhalve niet ervoor bestemd is om uitsluitend of hoofdzakelijk als nachthemd te worden gedragen. Vanwege zijn lengte kan dit kledingstuk niet worden ingedeeld onder post 61.09. Verordening (EG) 14 juni 1999, nr 1218/1999, punt 2 (PbEG 1999, nr. L 148).

De integrale tekst van de verordening is opgenomen in onderdeel VI.

Een kledingstuk (zie afbeelding 15), zoals hierna omschreven, moet als jurk onder onderverdeling 6104 4200 worden ingedeeld.

Afb. 15.

Het betreft een kledingstuk van brei- of haakwerk (100% katoen), lichtgewicht en ruimvallend, met over het hele kledingstuk opgedrukte siermotieven, reikend tot onder de knieën (totale lengte 120 cm), zonder mouwen. Het kledingstuk heeft een ruime en ronde halsopening met een boord van opgestikt brei- of haakwerk. Aan de onderzijde is het kledingstuk gezoomd en heeft het zijsplitten van ongeveer 22 cm.

De indeling is vastgesteld op basis van de algemene bepalingen 1 en 6 voor de toepassing van de gecombineerde nomenclatuur en de teksten van post 61.04 en onderverdeling 6104 4200.

Zie eveneens de toelichting EG op de onderverdelingen 6104 4100 t/m 6104 4900.

De indeling als nachthemd is uitgesloten omdat het betreffende kledingstuk, op grond van zijn objectieve kenmerken, zowel in bed als op andere plaatsen kan worden gedragen en derhalve niet bestemd is om uitsluitend of hoofdzakelijk als nachthemd te worden gedragen. Vanwege zijn lengte kan dit kledingstuk niet worden ingedeeld onder post 61.09. Verordening (EG) 14 juni 1999, nr. 1218/1999, punt 3 (PbEG 1999, nr. L 148).

De integrale tekst van de verordening is opgenomen in onderdeel VI.

Een lichtgewicht ruimvallend kledingstuk (zie afbeelding 16) moet als jurk onder onderverdeling 6104 4200 worden ingedeeld.

Afb. 16. 

Het betreft een ruimvallend effen gekleurd kledingstuk van breiwerk (100% katoen), met een rechte snit, met de opdruk ‘Don’t wake the sleepy lion’ en andere siermotieven gedrukt op de voorzijde en de mouwen, reikend tot halverwege het bovenbeen (totale lengte 90 cm). Het kledingstuk heeft een ronde halsopening, zonder opening, met een boord van opgestikt breiwerk, korte mouwen en is omgezoomd aan het uiteinde van de mouwen en aan de onderzijde. De indeling is vastgesteld op basis van de algemene bepalingen 1 en 6 voor de toepassing van de gecombineerde nomenclatuur, Aantekening 9 IDR op hoofdstuk 61, alsmede de teksten van post 61.04 en onderverdeling 6104 4200.

Zie tevens de toelichting EG op de onderverdelingen 6104 4100 tot en met 6104 4900.

Indeling als nachthemd is uitgesloten, omdat het betreffende kledingstuk op grond van zijn objectieve kenmerken zowel in bed als op andere plaatsen kan worden gedragen en derhalve niet ervoor bestemd is om uitsluitend of hoofdzakelijk als nachtkleding te worden gedragen.

Vanwege zijn lengte kan het kledingstuk niet worden ingedeeld onder post 61.09. Verordening (EG) 27 december 2000, nr. 2855/2000, punt 2 (PbEG 2000, nr. L 332).

De integrale tekst van de verordening is opgenomen in onderdeel VI.

Een lichtgewicht ruimvallend kledingstuk (zie afbeelding 17) moet als jurk onder onderverdeling 6104 4200 worden ingedeeld.

Afb. 17.

Het betreft een lichtgewicht ruimvallend effen gekleurd kledingstuk van breiwerk (100% katoen), met een rechte snit, met korte mouwen, met een siermotief en de opdruk ‘Good night’ gedrukt op de voorzijde, reikend tot halverwege het bovenbeen (totale lengte 90 cm). Het kledingstuk heeft een ronde halsopening, zonder opening, met een halfrond inzetstuk in een contrasterende kleur aan de binnenzijde op de rug. Het heeft bovendien een boord van opgestikt breiwerk aan de uiteinden van de mouwen, gemaakt van dezelfde stof maar van een contrasterende kleur. Het kledingstuk heeft sierstiksels aan de halsopening en aan de onderzijde. De indeling is vastgesteld op basis van de algemene bepalingen 1 en 6 voor de toepassing van de gecombineerde nomenclatuur, Aantekening 9 IDR op hoofdstuk 61, alsmede de teksten van post 61.04 en onderverdeling 6104 4200.

Zie tevens de toelichting EG op de onderverdelingen 6104 4100 tot en met 6104 4900.

Indeling als nachthemd is uitgesloten, omdat het betreffende kledingstuk op grond van zijn objectieve kenmerken zowel in bed als op andere plaatsen kan worden gedragen en derhalve niet ervoor bestemd is om uitsluitend of hoofdzakelijk als nachtkleding te worden gedragen.

Vanwege zijn lengte kan het kledingstuk niet worden ingedeeld onder post 61.09. Verordening (EG) 27 december 2000, nr. 2855/2000, punt 3 (PbEG 2000, nr. L 332).

De integrale tekst van de verordening is opgenomen in onderdeel VI.

Een lichtgewicht ruimvallend kledingstuk (zie afbeelding 18) moet als meisjesjurk onder onderverdeling 6104 4200 worden ingedeeld.

Afb. 18.

Het betreft een lichtgewicht kledingstuk voor kinderen met een lichaamslengte van meer dan 86 cm (handelsmaat groter dan 86), gestreept, van breiwerk (60% katoen, 40% polyester), met een ruim- en rechtvallende snit, met de geborduurde woorden ‘Sleep wear’ en ander borduursel op de voorzijde, reikend tot op de knieën (totale lengte 82 cm). Het kledingstuk heeft korte mouwen en een ronde halsopening met een gedeeltelijke opening aan de voorzijde met een knoopsluiting (rechts over links) en een boord van opgestikt breiwerk. De halsopening, de uiteinden van de mouwen en de onderzijde van het kledingstuk zijn afgewerkt met een boord van opgestikt breiwerk met een decoratieve rand. De onderkant van het kledingstuk is rond en heeft zijsplitten met een lengte van ongeveer 10 cm. De indeling is vastgesteld op basis van de algemene bepalingen 1 en 6 voor de toepassing van de gecombineerde nomenclatuur, Aantekening 2 A IDR en Aanvullende aantekening 2 A IDR op afdeling XI, Aantekening 9 IDR op hoofdstuk 61, alsmede de teksten van post 61.04 en onderverdeling 6104 4200.

Zie tevens de toelichting EG op de onderverdelingen 6104 4100 tot en met 6104 4900.

Indeling als nachthemd is uitgesloten, omdat het betreffende kledingstuk op grond van zijn objectieve kenmerken zowel in bed als op andere plaatsen kan worden gedragen en derhalve niet ervoor bestemd is om uitsluitend of hoofdzakelijk als nachtkleding te worden gedragen.

Vanwege zijn lengte kan het kledingstuk niet worden ingedeeld onder post 61.09. Verordening (EG) 27 december 2000, nr. 2855/2000, punt 4 (PbEG 2000, nr. L 332).

De integrale tekst van de verordening is opgenomen in onderdeel VI.

2. Overige kleding

Een kledingstuk (zie afbeelding 11), zoals hierna omschreven, moet als jasje onder onderverdeling 6104 3100 worden ingedeeld.

Afb. 11.

Het betreft een kledingstuk van brei- of haakwerk (60% wol, 40% polyamide), effen gekleurd, met een dikte van 2,3 mm, zonder voering, met een kraag met revers, bestemd om het bovenlichaam te bedekken, vallende juist onder de heupen. Het heeft lange mouwen, een V-vormige halsopening, een volledige opening aan de voorzijde met een knoopsluiting rechts-over-links, zakken onder de taille en is aan de onderzijde omgezoomd. Het kledingstuk bestaat uit zes panden (twee fronten en vier rugstukken) die in de lengterichting aaneen zijn genaaid. Het heeft aan de binnenzijde ook nog schoudervullingen, alsmede twee coupenaden in de lengterichting vanaf de borst. De indeling is vastgesteld op basis van de algemene bepalingen 1 en 6 voor de toepassing van de gecombineerde nomenclatuur, Aanvullende aantekening 2 A IDR op afdeling XI, Aantekening 9 IDR op hoofdstuk 61 en de teksten van post 61.04 en onderverdeling 6104 3100.

In verband met zijn algemene aanzien en in het bijzonder het feit dat het kledingstuk een zekere stevigheid vertoont (dikke stof, zes panden en twee coupenaden), moet dit artikel worden ingedeeld als een jasje van post 61.04. Verordening (EG) 11 juni 1997, nr. 1054/97, punt 1 (PbEG 1997, nr. L 154).

De integrale tekst van de verordening is opgenomen in onderdeel VI.

Een kledingstuk (zie afbeelding 12), zoals hierna omschreven, moet als jasje onder onderverdeling 6104 3300 worden ingedeeld.

Afb. 12.

Het betreft een kledingstuk van brei- of haakwerk (70% acryl, 30% wol), effen gekleurd, met een dikte van 2,1 mm, zonder voering, met omgeslagen kraag, bestemd om het bovenlichaam te bedekken, vallende juist onder de taille. Het heeft lange mouwen, een V-vormige halsopening, een volledige opening aan de voorzijde met een knoopsluiting rechts-over-links, zakken onder de taille en is aan de onderzijde omgezoomd. Het kledingstuk bestaat uit zes panden (twee fronten en vier rugstukken) die in de lengterichting aaneen zijn genaaid. Het heeft aan de binnenzijde ook nog schoudervullingen, alsmede twee coupenaden in de lengterichting vanaf de borst. De indeling is vastgesteld op basis van de algemene bepalingen 1 en 6 voor de toepassing van de gecombineerde nomenclatuur, Aanvullende aantekening 2 A IDR op afdeling XI, Aantekening 9 IDR op hoofdstuk 61 en de teksten van post 61.04 en onderverdeling 6104 3300.

In verband met zijn algemene aanzien en in het bijzonder het feit dat het kledingstuk een zekere stevigheid vertoont (dikke stof, zes panden en twee coupenaden), moet dit artikel worden ingedeeld als een jasje van post 61.04. Verordening (EG) 11 juni 1997, nr. 1054/97, punt 2 (PbEG 1997, nr. L 154).

De integrale tekst van de verordening is opgenomen in onderdeel VI.

Een eenkleurig kledingstuk voor een kind (zie afbeelding 19), zoals hierna omschreven, moet onder onderverdeling 6104 5300 worden ingedeeld.

Afb. 19.

Het betreft een eenkleurig kledingstuk voor een kind, van netbreiwerk, bestemd om het onderlichaam te bedekken vanaf het middel tot hoog op het bovenbeen (100% synthetische vezels). Met elastiek in de taille en twee versierende stroken die aan de ceintuur zijn bevestigd, de een van netbreiwerk, de andere van breiwerk van 100% synthetische vezels. De randen van het kledingstuk zijn niet gezoomd. Een versiering van netbreiwerk in de vorm van een bloem is aangebracht op de voorzijde van het kledingstuk.

Het betreft een rok.

De indeling is vastgesteld op basis van de algemene bepalingen 1 en 6 voor de toepassing van de gecombineerde nomenclatuur en de teksten van post 61.04 en onderverdeling 6104 5300. Ingevolge Aantekening 1 e IDR op hoofdstuk 95 zijn van dit hoofdstuk uitgezonderd maskeradepakken, van textiel, bedoeld bij de hoofdstukken 61 en 62. Zie tevens de toelichting IDR, letter A, punt 3, op post 95.05.

Tegelijk met deze rok werden ingevoerd een toverstafje, een paar dansschoentjes en een handtas van doorzichtige kunststof. Alle artikelen waren samen verpakt voor de verkoop in het klein. Daar de goederen niet voorzien in een bepaalde behoefte of dienen om een bepaalde activiteit uit te voeren, konden de goederen niet worden aangemerkt als ‘goederen opgemaakt in stellen of assortimenten voor de verkoop in het klein’. Zij moeten onder hun ‘eigen post’ worden ingedeeld. Verordening (EG) 19 februari 2001, nr. 347/2001, punt 1 (PbEG 2001 nr. L 52).

De integrale tekst van de verordening is opgenomen in onderdeel VI.

Een op een vest (cardigan) gelijkend kledingstuk moet onder post 61.10 worden ingedeeld. Het kan niet als jasje worden aangemerkt in verband met het algemene aanzien en in het bijzonder met het feit dat de stof waaruit het kledingstuk is vervaardigd niet voldoende stevigheid vertoont om als zodanig te worden aangemerkt. Zie Verordening (EG) nr. 1054/97, punten 3 en 4, in aant. 3 op post 61.10.

Een pantalon van effen breiwerk, van een set van twee kledingstukken (een T-shirt en een pantalon), moet onder onderverdeling 6104 6200 worden ingedeeld. Zie Verordening (EEG) nr. 893/93, punt 2, in aant. 3 op post 61.07.

Een broek van brei-of haakwerk, van een set van twee kledingstukken (een pullover en een broek), moet onder onderverdeling 6104 6200 worden ingedeeld. Zie Verordening (EG) nr. 1054/97, punten 5 en 6, in aant. 3 op post 61.07.

Een effen gekleurde korte broek van brei- of haakwerk, van een set van twee kledingstukken (een T-shirt en een korte broek), moet onder onderverdeling 6104 6200 worden ingedeeld. Zie Verordening (EG) nr. 2049/2002 in aant. 3 op post 61.07.

4
Jurisprudentie

‘Jeans’-pantalons moeten als herenbovenkleding onder post 62.03 worden ingedeeld, indien zij van klassieke snit zijn en een voorsluiting van links naar rechts hebben. Zie HvJ nr. 222/85 in aant. 1 op Aantekening 8 IDR op hoofdstuk 62.

Een korte broek (zie afbeelding 7 aan het slot van deze post), zonder gulp of zakken, moet onder onderverdeling 6104.62 worden ingedeeld.

Het betreft een broek geheel vervaardigd uit breiwerk (100% katoen), in de taille voorzien van elastiek en met eenvoudig omgezoomde randen aan de uiteinden van de broekspijpen.

Dit kledingstuk maakt deel uit van een assortiment van twee stuks, waarvan het andere bestanddeel een kledingstuk is dat lijkt op een pullover, dezelfde kleur heeft, van dezelfde stof is vervaardigd, maar is voorzien van aangezette ribboorden die de broek niet heeft en die zijn vervaardigd van breiwerk (100% katoen) met een andere structuur, hetgeen de indeling van dit assortiment als ensemble uitsluit.

Toepassing van Aantekening 3 b IDR op hoofdstuk 61 en Aantekening 14 IDR op afdeling XI (IDR). Tarifering IDR 6104.62/1.

Zie eveneens tarifering IDR 6110.20/1 op post 61.10 in aant. 4 op die post.

Een als kindernachthemd aangeduid kledingstuk van katoen moet onder post 61.08 worden ingedeeld. Het kledingstuk is hier te lande uitsluitend bestemd om in bed te worden gedragen. Gebruik als japon is zeer onwaarschijnlijk. Zie TC 7 april 1998, nr. 0089/96 TC, in aant. 4 op post 61.08.

Een damesbroek vervaardigd uit een lichtgewicht gebreide stof (87% polyester en 13% elastaan), reikend tot aan de enkel (zie ook afbeelding 20 hierna), moet onder onderverdeling 6104.63 worden ingedeeld.

Afb. 20

Deze broek heeft een elastische heupband en is aan de onderkanten omgezoomd. De broek is onderdeel van een tweedelig dameskledingstuk, dat tevens bestaat uit een T-shirt met lange mouwen, dat gescheiden onder onderverdeling 6109.90 wordt ingedeeld. Beide kledingstukken worden gezamenlijk aangeboden, opgemaakt voor de verkoop in het klein.
Toepassing van de algemene bepalingen 1 (Aantekening 14 IDR op afdeling XI) en 6 voor de toepassing van de nomenclatuur (IDR). Tarifering IDR 6104.63/1 (PbEU 2016, nr. C 415).
Zie eveneens tarifering IDR 6109.90/2 op post 61.09 in aant. 4 op die post.

Colberts met lange mouwen, met een volledige opening aan de voorzijde die kan worden afgesloten door een ritssluiting moeten, naargelang van het geval, onder post 61.03, 61.04, 62.03 of 62.04 worden ingedeeld. De colberts maken geen deel uit van een kostuum.
De aanwezigheid van een rits sluit de indeling van het kledingstuk onder deze posten niet uit. Het colbert moet wel de snit en het algemene uiterlijk hebben van een colbert van deze posten en voldoen aan alle andere criteria voor kleding van deze posten (EG). Conclusie 192e vergadering Comité douanewetboek, afdeling Tarief- en statistieknomenclatuur.

 

5
Nadere verwijzing

Voor wat betreft het mogen voorkomen van versieringen en garneringen op de samenstellende delen van kostuums en ensembles wordt verwezen naar hetgeen hierover is opgemerkt in de toelichting nationaal opgenomen in aant. 5 op het opschrift van hoofdstuk 61.

Zie voor het onderscheid tussen korte broeken bedoeld bij deze post en zwembroeken bedoeld bij post 61.12, de toelichting EG op de onderverdelingen 6112 3110 tot en met 6112 3990 en 6112 4110 tot en met 6112 4990.

6
Nadere verwijzing

Ingevolge het bepaalde bij Aanvullende aantekening 1 EG op hoofdstuk 61 dienen de samenstellende delen van een ensemble als bedoeld bij Aantekening 3 b IDR op hoofdstuk 61 geheel te zijn vervaardigd van een en dezelfde stof.

De gebruikte stof kan, naar gelang van het geval, ongebleekt, gebleekt, geverfd, van verschillend gekleurd garen of bedrukt zijn.

Stellen en assortimenten vervaardigd van verschillende stoffen worden niet als ensemble aangemerkt, zelfs indien zij slechts in kleur verschillen.

Alle samenstellende delen van een ensemble dienen, opgemaakt voor de verkoop in het klein, samen als één enkele eenheid te worden aangeboden. Individuele verpakking of afzonderlijke etikettering van elk der samenstellende delen van zo’n enkele eenheid heeft geen invloed op de indeling als ensemble.