van synthetische of kunstmatige vezels [Cat. 24]

 
    Print     PDF

6107 2200 00

van synthetische of kunstmatige vezels [Cat. 24]

Invoer

Eenheid
p/st (Aantal stuks NAR)
Recht derde landen
12%
Preferentiële en Aanvullende rechten
BTW
21%
Invoerregelingen
Maatregelen

Uitvoer

Uitvoerregelingen

Toelichting

1
Toelichting IDR

Deze post omvat twee groepen herenkleding van brei- of haakwerk, te weten slips, onderbroeken en dergelijke (onderkleding) en nachthemden, pyjama’s, badjassen (strandjassen daaronder begrepen), kamerjassen en dergelijke artikelen.

Van deze post zijn uitgezonderd borstrokken en onderhemden (post 61.09).

3
EG-verordeningen

Een T-shirt en een pantalon van een set van twee kledingstukken, moeten afzonderlijk onder de posten 61.09 en 61.04 worden ingedeeld. De indeling als pyjama is uitgesloten omdat het onderhavige kledingstel niet kan worden aangemerkt als uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd om te worden gedragen als nachtkleding. De set bestaat uit:

a. een lichtgewicht, tweekleurig gestreept kledingstuk van breiwerk (60% katoen, 40% polyester) (zie afbeelding 1 hierna), met lange nauwsluitende mouwen, bestemd om het bovenlichaam te bedekken tot onder de taille.

Afb. 1. 

Het kledingstuk heeft een ronde hals, voorzien van een ribboord en is aan de onderzijde en aan de uiteinden van de mouwen omgezoomd. De onderzijde van het kledingstuk heeft zijsplitten van ongeveer 6 cm. Voorts is het kledingstuk ter hoogte van de zijsplitten voorzien van sierknopen, evenals van geborduurde versieringen ter hoogte van de borst (T-shirt);

b. een pantalon van effen breiwerk (60% katoen, 40% polyester) (zie afbeelding 2 hierna), door de aanwezigheid van elastiek nauwsluitend in de taille.

Afb. 2.

De uiteinden van de broekspijpen zijn voorzien van dezelfde sierknopen als de knopen op het deel voor het bovenlichaam.

De indeling is vastgesteld op basis van de algemene bepalingen 1 en 6 voor de toepassing van de gecombineerde nomenclatuur, Aantekening 14 IDR op afdeling XI en, ten behoeve van de pantalon, Aantekening 9 IDR op hoofdstuk 61, alsmede de teksten van post 61.04, onderverdeling 6104 6200, post 61.09 en onderverdeling 6109 1000. Zie eveneens de toelichting IDR op post 61.09 ten behoeve van het T-shirt. Verordening (EEG) 13 april 1993, nr. 893/93, punt 2 (PbEG 1993, nr. L 93).

De integrale tekst van de verordening is opgenomen in onderdeel VI.

Een pullover en een broek van een set van twee kledingstukken, moeten afzonderlijk onder de posten 61.10 en 61.04 worden ingedeeld. De indeling als nachtkleding is uitgesloten omdat van de onderhavige kledingstukken niet kan worden verondersteld dat ze bestemd zijn om uitsluitend of hoofdzakelijk als nachtkleding te worden gedragen. Het betreft een set van twee kledingstukken, opgemaakt voor de verkoop in het klein, bestaande uit:

a. een lichtgewicht pullover van brei- of haakwerk (80% katoen, 20% polyester) (zie afbeelding 3 hierna), effen rood gekleurd, bestemd om het bovenlichaam te bedekken, zonder opening, met lange mouwen en een ronde, aansluitende halsopening.

Afb. 3. 

Het kledingstuk heeft aangezette ribboorden aan de halsopening, aan de uiteinden van de mouwen en aan de onderzijde, alsmede een opgestikte versiering aan de voorzijde. Aan de binnenzijde is ter hoogte van de nek, van dezelfde stof als die van de broek, een stukje stof ingenaaid;

b. een lichtgewicht, veelkleurig geruite broek van brei- of haakwerk (80% katoen, 20% polyester) (zie afbeelding 4 hierna), reikend van het middel tot aan de enkels, zonder opening aan het middel. Het kledingstuk is nauwsluitend in het middel door middel van een elastiek en heeft geribde boorden aan de uiteinden van de broekspijpen. Het heeft ook twee ophanglusjes ter hoogte van het middel.

Afb. 4. 

De indeling is vastgesteld op basis van de algemene bepalingen 1 en 6 voor de toepassing van de gecombineerde nomenclatuur, Aantekening 14 IDR en Aanvullende aantekening 2 A IDR op afdeling XI, Aantekeningen 3 b en 9 IDR op hoofdstuk 61, alsmede de teksten van de posten 61.04 en 61.10 en de onderverdelingen 6104 6200, 6110.20 en 6110 2099.

Vanwege hun algemeen aanzien en in het bijzonder de aanwezigheid op het bovenstuk van een te omvangrijke opgenaaide versiering en het aan de binnenzijde, ter hoogte van de nek, ingenaaide stuk stof, kan niet worden verondersteld dat deze kledingstukken bestemd zijn om uitsluitend of hoofdzakelijk te worden gedragen als nachtkleding. Verordening (EG) 11 juni 1997, nr. 1054/97, punt 5 (PbEG 1997, nr. L 154).

De integrale tekst van de verordening is opgenomen in onderdeel VI.

Een pullover en een broek van een set van twee kledingstukken, moeten afzonderlijk onder de posten 61.10 en 61.04 worden ingedeeld. De indeling als nachtkleding is uitgesloten omdat van de onderhavige kledingstukken niet kan worden verondersteld dat ze bestemd zijn om uitsluitend of hoofdzakelijk als nachtkleding te worden gedragen. Het betreft een set van twee kledingstukken, opgemaakt voor de verkoop in het klein, bestaande uit:

a. een lichtgewicht pullover van brei- of haakwerk (80% katoen, 20% polyester) (zie afbeelding 5 hierna), vervaardigd uit twee verschillende stukken stof (de ene effen blauw, de andere rood en wit gestreept), bestemd om het bovenlichaam te bedekken, zonder opening, met effen gekleurde lange mouwen.

Afb. 5.

Het kledingstuk heeft aangezette ribboorden aan de uiteinden van de mouwen en aan de onderzijde. Het heeft ook een ronde, aansluitende halsopening met twee aangezette ribboorden van verschillende kleur, een opgedrukt siermotief van voren, alsmede twee sierstiknaden rond de armsgaten;

b. een lichtgewicht broek van brei- of haakwerk (80% katoen, 20% polyester) (zie afbeelding 6 hierna), vervaardigd van dezelfde twee stoffen als die van het bovendeel, reikend van het middel tot aan de enkels, zonder opening aan het middel.

Afb. 6.

Het kledingstuk is nauwsluitend in het middel door middel van een elastiek en heeft geribde boorden aan de uiteinden van de broekspijpen. Het heeft over de gehele lengte van het linker been een ingezette strook van de gestreepte stof. Het heeft ook twee siernaden langs deze strook, alsmede twee ophanglusjes ter hoogte van het middel.

De indeling is vastgesteld op basis van de algemene bepalingen 1 en 6 voor de toepassing van de gecombineerde nomenclatuur, Aantekening 14 IDR en Aanvullende aantekening 2 A IDR op afdeling XI, Aantekeningen 3 b en 9 IDR op hoofdstuk 61, alsmede de teksten van de posten 61.04 en 61.10 en de onderverdelingen 6104 6200, 6110.20 en 6110 2099. Zie ook de toelichting IDR op post 61.12.

Vanwege hun algemeen aanzien en in het bijzonder de aanwezigheid op het bovenstuk van een te omvangrijke opgedrukte versiering, de dubbele ribboord aan de halsopening en de sierstiknaden en, voor het deel van het onderlichaam, de ingezette strook en de twee sierstiknaden, kan niet worden verondersteld dat deze kledingstukken bestemd zijn om uitsluitend of hoofdzakelijk te worden gedragen als nachtkleding. Verordening (EG) 11 juni 1997, nr. 1054/97, punt 6 (PbEG 1997, nr. L 154).

De integrale tekst van de verordening is opgenomen in onderdeel VI.

Een T-shirt en een korte broek van een samenstel van twee kledingstukken, opgemaakt voor de verkoop in het klein, moeten afzonderlijk onder de posten 61.09 en 61.04 worden ingedeeld. De indeling als pyjama is uitgesloten omdat de kledingstukken niet bestemd zijn om uitsluitend of hoofdzakelijk als nachtkleding te worden gedragen. Het samenstel bestaat uit:

a. een effen gekleurd kledingstuk van lichtgewicht brei- of haakwerk (100% katoen) (zie afbeelding 7 hierna), bestemd om het bovenlichaam te bedekken, met een ronde halsopening met een aangezette ribboord, zonder opening in de halsboord, met korte mouwen en met een zoom onderaan het kledingstuk en aan de uiteinden van de mouwen.

Afb. 7. 

Het kledingstuk is aan de voorzijde voorzien van een decoratieve opdruk met tekst (T-shirt);

b. een effen gekleurd kledingstuk van lichtgewicht brei- of haakwerk (100% katoen) (zie afbeelding 8 hierna), bestemd om het onderlichaam te bedekken vanaf het middel tot aan de knieën, elk been afzonderlijk omhullend, zonder opening in de taille.

Afb. 8. 

Het kledingstuk is voorzien van elastiek in de taille. De broekspijpen zijn aan de uiteinden gezoomd. Het kledingstuk is onder aan de linker broekspijp voorzien van een opdruk (korte broek).

De indeling is vastgesteld op basis van de algemene bepalingen 1 en 6 voor de toepassing van de gecombineerde nomenclatuur, Aantekening 14 IDR op afdeling XI, de Aantekeningen 3 b en 9 IDR op hoofdstuk 61, alsmede de teksten van de posten 61.04 en 61.09 en de onderverdelingen 6104 6200 en 6109 1000. Indeling als een ensemble is op grond van Aantekening 3 b IDR op hoofdstuk 61 uitgesloten. De indeling als pyjama is uitgesloten omdat de kledingstukken niet bestemd zijn om uitsluitend of hoofdzakelijk als nachtkleding te worden gedragen. Verordening (EG) 19 november 2002, nr. 2049/2002 (PbEG 2002, nr. L 316).

De integrale tekst van de verordening is opgenomen in onderdeel VI.

Een effen gekleurd kledingstuk van lichtgewicht breiwerk (zie ook afbeeldingen 9a tot en met 9c hierna) moet als onderbroek voor heren onder onderverdeling 6107 1200 worden ingedeeld.

Afb. 9a. Afb. 9b.
Afb. 9c. 
 

Het betreft een kledingstuk vervaardigd van synthetische vezels (90% polyamide, 10% elastomeergaren), bestemd om het onderlichaam te bedekken vanaf het middel tot halverwege de dij, elk been afzonderlijk omhullend, voorzien van een opening aan de voorzijde zonder sluiting en zonder opening in de taille. Het is voorzien van elastiek in de taille en de broekspijpen zijn aan de onderzijde gezoomd.

Aan beide zijden van het kledingstuk bevinden zich opgenaaide zakken, voorzien van een ritssluiting. In iedere zak bevindt zich een in serie geproduceerd uitneembaar ovalen inzetstuk. De buitenzijde van de inzetstukken is gemaakt van een harde kunststof en de binnenzijde is bekleed met schuimrubber. Zij zijn zodanig vormgegeven dat ze bij een val verwondingen aan de heupen voorkomen. Zij vangen klappen op de heupen op.

De indeling is vastgesteld op basis van algemene bepalingen 1, 3 b en 6 voor de toepassing van de gecombineerde nomenclatuur, op basis van de eerste alinea van Aantekening 9 IDR op hoofdstuk 61, alsmede van de teksten van post 61.07 en onderverdeling 6107 1200.

De inzetstukken zijn bedoeld om bij een val verwondingen aan de heupen te voorkomen. Het kledingstuk kan daarom niet worden ingedeeld bij post 90.21 als een 'orthopedisch artikel of toestel' omdat de inzetstukken noch lichamelijke misvormingen voorkomen of verhelpen, noch delen van het lichaam ondersteunen of op hun plaats houden zoals bedoeld in de eerste alinea van Aantekening 6 IDR op hoofdstuk 90.

Bij het artikel ontbreken de wezenlijke kenmerken van de goederen bedoeld in hoofdstuk 90, die worden gekenmerkt door hun ‘zorgvuldige vervaardiging en hun grote gebruiksprecisie' (zie punt 37 van het arrest van het Europees Hof van Justitie in de gevoegde zaken C-260/00 tot en met C-263/00 van 7 november 2002 (opgenomen in aant. 4 op Aantekening 1 IDR op hoofdstuk 90 en in aant. 4 op post 90.21) en de toelichting IDR, eerste alinea, op hoofdstuk 90, algemene opmerkingen, onder I).

Bovendien zijn de inzetstukken niet op maat vervaardigd, noch kunnen zij aan de specifieke lichaamsbouw van individuele personen worden aangepast, waardoor het kledingstuk een 'gewoon product' is en ingevolge punt 37 van bovengenoemd arrest is uitgesloten van post 90.21.

Het artikel is een samengesteld werk bestaande uit een onderbroek van textiel en kunststof inzetstukken. Het is bedoeld als een onderbroek die ook bescherming biedt tegen bepaalde verwondingen. Derhalve wordt het wezenlijke karakter als bedoeld in de algemene bepaling 3 b verleend door de onderbroek en niet door de inzetstukken.

Het kledingstuk wordt ingedeeld als heren- of jongenskleding als bedoeld in Aantekening 9, eerste alinea, IDR op hoofdstuk 61 omdat de snit ervan (vooral de bijzondere vorm van de opening aan de voorzijde) duidelijk weergeeft dat het kledingstuk bestemd is voor heren. Verordening 16 maart 2006, nr. 437/2006 (PbEU 2006, nr. L 80).

De integrale tekst van de verordening is opgenomen in onderdeel VI.

4
Jurisprudentie

Als pyjama’s kunnen worden aangemerkt niet enkel combinaties van twee kledingstukken van brei- of haakwerk, die wegens hun algemeen aanzien uitsluitend bestemd zijn om in bed te worden gedragen, maar ook combinaties die hoofdzakelijk daartoe worden gebruikt. Voor indeling als pyjama is het niet voldoende, dat een combinatie van twee kledingstukken van brei- of haakwerk volgens de algemene verkeersopvatting in de betrokken lidstaat ten tijde van de inklaring ook in bed kan worden gedragen.

Deze uitspraak van het Hof kwam tot stand in een geschil over de toepassing van post 61.08 (pyjama’s en dergelijke artikelen van brei- of haakwerk voor dames of meisjes), maar gemeend wordt dat bij deze post hetzelfde standpunt kan worden ingenomen. HvJ 9 augustus 1994, nr. C-395/93 (PbEG 1994, nr. C 275 en UTC 1996/23).

10
Toelichting EG

Deze onderverdeling omvat onder andere pyjama’s voor heren of voor jongens, van brei- of haakwerk, waarvan, gezien de algemene kenmerken en de aard van de stof, kan worden verondersteld dat zij bestemd zijn om uitsluitend of hoofdzakelijk als nachtkleding te worden gedragen.

Pyjama’s bestaan uit twee kledingstukken, te weten:

- een kledingstuk bedoeld om het bovenlichaam te bedekken, in het algemeen van het type jasje, of van het type pullover of een dergelijk artikel;

- een kledingstuk in de vorm van een lange of een korte broek, van eenvoudige snit, zonder opening of voorzien van een opening aan de voorzijde.

De delen van een pyjama moeten van gelijke of verenigbare maat zijn en bij elkaar passen wat betreft de snit, de gebruikte materialen, de kleuren, de versieringen en de afwerking, zodat het duidelijk is dat zij zijn ontworpen om samen door een en dezelfde persoon te worden gedragen.

Pyjama’s moeten voor hun gebruik als nachtkleding een zeker comfort verschaffen door:

- de aard van de stof,

- hun in het algemeen ruime snit en

- de afwezigheid van tot ongemak leidende elementen, zoals grote of omvangrijke knopen, een overdaad aan garneringen of opgenaaide versieringen.

Nachtkleding uit één stuk van het type ‘overall’ die zowel het bovenlichaam als het onderlichaam bedekt en waarbij ieder been afzonderlijk wordt omhuld, valt onder onderverdeling 6107 9100 of 6107 9900.

11
Jurisprudentie

De term ‘nachthemden’ omvat onderkleding die vanwege haar objectieve kenmerken bestemd is om uitsluitend of hoofdzakelijk in bed te worden gedragen. HvJ 20 november 1997, nr. C-338/95 (PbEG 1998, nr. C 7 en UTC 1999/30).  OT.

Noot (1). Zie eveneens HvJ nr. C-395/93 in aant. 4 op deze post.

Noot (2). Deze uitspraak van het Hof kwam tot stand in een geschil over de toepassing van de onderverdeling voor nachthemden van niet-elastisch of van niet-gegummeerd brei- of haakwerk, voor dames, meisjes of kinderen, maar gemeend wordt dat bij deze post hetzelfde standpunt kan worden ingenomen.

Nieuws