Bestuurlijke boete, bestreden besluit als ingetrokken beschouwd, proceskostenvergoeding

Print     PDF

Bestuurlijke boete. Het bestreden besluit wordt als ingetrokken beschouwd zoals bedoeld in art. 6:19, eerste lid, van de Awb. Geen integrale proceskostenvergoeding.


Uitspraak


Procesverloop

Verweerder heeft bij beschikking met dagtekening 29 november 2017 (hierna: de boetebeschikking) aan eiseres over de periode 1 november 2014 tot en met 31 december 2015 een bestuurlijke boete opgelegd van € [# 1].

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar afgewezen en de bestuurlijke boete gehandhaafd (hierna: het bestreden besluit).

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2021 te Haarlem. Namens eiseres zijn verschenen gemachtigde voornoemd tot bijstand vergezeld van mr. ing. [A] en [B] (stagiair bij gemachtigde). Namens verweerder zijn verschenen mr. [C] en [D]. De zaak is ter zitting gelijktijdig behandeld met de zaak HAA 18/2376. In deze zaak wordt beslist bij separate uitspraak van heden.


Overwegingen


Feiten

1. Verweerder heeft een administratieve controle ingesteld bij eiseres over de periode 15 mei 2014 tot en met 31 december 2015 en heeft zich daarbij gericht op de betrouwbaarheid van de administratie en de aanvullende aangifte, de vastleggingen van de goederenbeweging (inslag, opslag en uitslag), de daarvoor gebruikte automatiseringssystemen en de daarbij gehanteerde procedures. De bevindingen zijn opgenomen in het controlerapport van 28 juni 2017, controlenummer [# 2]. Naar aanleiding van deze bevindingen heeft verweerder aan eiseres een uitnodiging tot betaling uitgereikt (zaak HAA 18/2376).

2. Bij brieven van 29 juni 2017 en 13 juli 2017 heeft verweerder een kennisgeving verzonden van het voornemen om aan eiseres een bestuurlijke boete op te leggen.

3. Verweerder heeft op 29 november 2017 de boetebeschikking opgelegd.

4. Bij uitspraak op bezwaar van 22 juli 2020 heeft verweerder het bezwaar afgewezen.

5. Bij besluit van 18 oktober 2021 heeft verweerder de boetebeschikking vernietigd en heeft verweerder vastgesteld dat eiseres recht heeft op vergoeding van de kosten in bezwaar en beroep conform het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) en meegedeeld dat tot overmaking van deze vergoedingen opdracht zal worden gegeven.


Geschil en beoordeling van het geschil

6.1. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft het bezwaar of beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

6.2. De rechtbank stelt voorop dat het bestreden besluit een na bezwaar gehandhaafde bestuurlijke boetebeschikking op grond van douanewetgeving betreft. Met het besluit van 18 oktober 2021 heeft verweerder de boetebeschikking herroepen en daaraan mede gevolgen verbonden ten aanzien van de te vergoeden proceskosten in beroep. Hieruit kan niet anders worden begrepen en volgt dus dat verweerder het bestreden besluit niet langer handhaaft en dit besluit als ingetrokken moet worden beschouwd zoals bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb.

6.3. Gesteld noch gebleken is dat eiseres nog procesbelang heeft bij de behandeling van haar beroep tegen het bestreden besluit. Het beroep tegen het bestreden besluit is dan ook niet-ontvankelijk.

6.4. Eiseres heeft gesteld en onderbouwd dat zij – anders dan door verweerder toegekend bij besluit van 18 oktober 2021 – recht heeft op vergoeding van de integrale kosten van rechtsbijstand in de bezwaar- en beroepsfase en toekenning van immateriële schadevergoeding. Dit is nog in geschil, en partijen hebben belang bij een oordeel daarover in beroep.


Kosten van rechtsbijstand in bezwaar en proceskosten in beroep

7. Eiseres heeft verzocht om een integrale kostenvergoeding voor de bezwaar- en beroepsfase. Ter zitting heeft zij toegelicht dat een integrale kostenvergoeding passend is omdat er onvolkomenheden zijn geweest en verweerder in strijd met wettelijke bepalingen heeft gehandeld. Eiseres heeft voorts gesteld dat verweerder reeds veel eerder de boetebeschikking had kunnen vernietigen. Voorgaande heeft er volgens eiseres toe geleid dat er onnodige procedures moesten worden gevoerd en voor de verdediging buitenproportioneel veel werk moest worden verricht. De rechtbank begrijpt dit in die zin dat eiseres stelt dat zij recht heeft op een integrale kostenvergoeding onder andere omdat de handelswijze van verweerder ertoe heeft geleid dat eiseres het werk van verweerder heeft moeten doen omdat verweerder in gebreke bleef de op de zaak betrekking hebbende stukken te overleggen.

8. Eiseres doet voor de berekening van de kostenvergoeding in bezwaar en beroep een beroep op artikel 2, derde lid, van het Bpb. Dit artikellid ziet, blijkens de wetgevingsgeschiedenis (TK 1999-2000, 27024, nr. 3, blz. 7.), op uitzonderlijke, schrijnende gevallen, waarbij strikte toepassing van het Bpb evident onrechtvaardig zou zijn. Voor toekenning van een proceskostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Bpb is grond indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een (de) daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (HR 13 april 2007, nr. 41.235, ECLI:NL:HR:2007:BA2802 en herhaald in HR 6 februari 2009, 08/01915, ECLI:NL:HR:2009:BH1928) dan wel indien verweerder in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld (HR 4 februari 2011, nr. 09/02123, ECLI:NL:HR:2011:BP2975). De rechtbank is van oordeel dat geen van de hiervoor in de arresten omschreven situaties zich voordoet. De rechtbank stelt vast dat eiseres werk naar zich toegetrokken heeft door een grote hoeveelheid stukken over te leggen die zij beschouwt als op de zaak betrekking hebbende stukken. Dat had zij niet hoeven doen. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding voor een integrale vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in bezwaar. Ook de overige redenen die eiseres heeft aangevoerd voor een integrale vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in bezwaar geven hiertoe geen aanleiding. Over en weer hebben partijen elkaar veel werk bezorgd en elkaar lang vastgehouden in de procedure. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank evenmin aanleiding voor een boven-forfaitaire vergoeding van de proceskosten in beroep.

9. Verweerder heeft de kosten van bezwaar en beroep in het besluit van 18 oktober 2021 dan ook terecht vastgesteld conform het Bpb, hetgeen betreft de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand ten bedrage van € 2.026 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het hoorgesprek met een waarde per punt van € 265, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 748 en een wegingsfactor 1). Nu verweerder tevens tot overmaking hiervan heeft besloten, behoeft dit niet door de rechtbank te worden bepaald.


Immateriële schadevergoeding

10. Eiseres heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn van twee jaar voor het doen van een uitspraak in bezwaar en beroep.

11. Een uitspraak in eerste aanleg is niet binnen een redelijke termijn gedaan als de rechtbank niet binnen twee jaar na de ontvangst van het bezwaarschrift uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden (Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252).

12. Het bezwaarschrift is ingediend op 8 december 2017, de uitspraak op bezwaar is gedaan op 22 juli 2020 en de rechtbank doet uitspraak op 7 december 2021. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan de redelijke termijn verlengd zou moeten worden zijn gesteld noch gebleken. In deze zaak is daarom de redelijke termijn overschreden met (afgerond) 24 maanden. De overschrijding is geheel toe te rekenen aan de bezwaarfase. Gelet op het hiervoor overwogene bedraagt de immateriële schadevergoeding in deze zaak in totaal € 2.000 (4 x € 500 per half jaar) en dient deze door verweerder te worden vergoed.


Griffierecht

13. De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding op de voet van artikel 8:74, tweede lid, van de Awb verweerder op te dragen het door eiseres betaalde griffierecht van € 354 te vergoeden.


Beslissing

De rechtbank:

– verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk;

– verklaart het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 18 oktober 2021 ongegrond;

– veroordeelt verweerder tot vergoeding van de door eiseres geleden immateriële schade tot een bedrag van € 2.000;

– gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 354 vergoedt.