met een zwavelgehalte van niet meer dan 0,2 gewichtspercent

 
    Print     PDF

2710 2019 10

met een zwavelgehalte van niet meer dan 0,2 gewichtspercent

Invoer

Recht derde landen
0%
Preferentiële en Aanvullende rechten
BTW
21%
Invoerregelingen
Maatregelen
Opmerking

Producten die voldoen aan de omschrijving in artikel 25, van de Wet op de accijns worden als minerale oliën aangemerkt. In verband daarmede dient bij het brengen in het vrije verkeer de accijns van minerale oliën te worden geheven.

Indien voor de desbetreffende minerale oliën geen tarief is vastgesteld, is (op grond van artikel 28, eerste lid, van de Wet op de accijns) het in artikel 27, eerste dan wel derde lid van de Wet op de accijns voor de gelijkwaardige brandstof geldende tarief van toepassing.

Onder bepaalde voorwaarden kan vrijstelling van accijns worden verleend (Hoofdstuk V, van de Wet op de accijns). Zo zijn o.a. vrijgesteld minerale oliën die kennelijk niet zijn bestemd om te worden gebruikt als brandstof voor verwarming, als motorbrandstof of als additief in motorbrandstoffen.

Voor een overzicht van accijnzen, tarieven en te gebruiken aanvullende codes zie de bijlage in:

Hoofdmenu / Gebruikstarief & Toelichting / Bijlagen en overige content / Bijlage G. Overzicht accijnzen en verbruiksbelastingen

De aanvullende codes voor de heffing op minerale oliën gelden tevens voor de energiebelasting (EB) en de voorraadheffing aardolieproducten (VA).

Uitvoer

Uitvoerregelingen

Toelichting

1
Toelichting IDR

I. Primaire producten

Het eerste deel van deze post heeft betrekking op producten die andere bewerkingen hebben ondergaan dan die genoemd in de toelichting op post 27.09.

Deze post omvat:

A. aardoliën en oliën uit bitumineuze mineralen, waarvan bepaalde laagkokende fracties zijn afgedistilleerd, een proces, dat topping of skimming wordt genoemd, alsmede lichte, halfzware en zware oliën, zijnde fracties met een min of meer lang kooktraject, die zijn verkregen door distillatie of door raffinering van ruwe aardoliën of van ruwe oliën of van ruwe oliën uit bitumineuze mineralen. Bedoelde oliën, die vloeibaar tot dik-vloeibaar zijn, bestaan voornamelijk uit niet-aromatische koolwaterstoffen, zoals paraffinische, cyclanische (naftenische).

Van de producten die door gefractioneerde distillatie worden gewonnen, kunnen worden genoemd:

1. benzine (petroleumether daaronder begrepen);

2. white spirit;

3. kerosine (gewoonlijk petroleum of lamppetroleum genoemd);

4. gasolie;

5. stookolie;

6. spindeloliën en andere smeeroliën;

7. zogenaamde paraffineoliën en vaselineoliën (medicinale oliën of white oils).

Bedoelde oliën blijven ook onder deze post ingedeeld indien zij gezuiverd zijn op ongeacht welke wijze (door behandeling met logen, zuren, selectieve oplosmiddelen, zinkchloride, bleekaarde, door rectificeren, enz.), mits zij door deze bewerking niet zijn omgezet in geïsoleerde, chemisch welbepaalde verbindingen, in zuivere of handelszuivere staat (hoofdstuk 29).

B. soortgelijke oliën, waarin het gewicht van de niet-aromatische bestanddelen dat van de aromatische bestanddelen overtreft, en die verkregen zijn door distillatie van lage-temperatuur-steenkoolteer, door hydrogenering of volgens andere werkwijze (kraken, reforming, enz.).

Hieronder worden onder meer ingedeeld alkylenen van gemengde samenstelling, zoals tripropyleen, tetrapropyleen, di-isobutyleen, tri-isobutyleen, enz. Dit zijn mengsels van onverzadigde acyclische koolwaterstoffen (bijvoorbeeld octylenen, nonylenen, homologen en isomeren daarvan) en verzadigde acyclische koolwaterstoffen.

Zij worden verkregen hetzij door het polymeriseren (tot een zeer lage polymerisatiegraad) van propyleen, van isobutyleen of van andere ethyleenkoolwaterstoffen, hetzij door afscheiding (bijvoorbeeld door gefractioneerde distillatie) uit bepaalde producten die afkomstig zijn van het kraken van minerale oliën.

Alkylenen van gemengde samenstelling worden hoofdzakelijk gebruikt voor chemische synthese, als oplosmiddel of als verdunningsmiddel. In verband met hun hoog octaangetal kunnen zij eveneens, na toevoeging van daartoe geëigende additieven, met benzine worden vermengd.

Onder deze post vallen niet, vloeibare synthetische polyolefinen, die voor minder dan 60% van hun volume overdistilleren bij 300 °C, herleid tot een druk van 1013 millibar (101,3 kPa) met toepassing van een lage-drukdistillatiemethode (hoofdstuk 39).

Van deze post zijn eveneens uitgezonderd oliën, waarin het gewicht van de aromatische bestanddelen dat van de niet-aromatische bestanddelen overtreft, ook indien die oliën zijn verkregen door het kraken van aardolie of volgens een andere werkwijze (post 27.07).

C. de oliën bedoeld bij de letters A en B hiervoor, die beter geschikt zijn gemaakt voor bepaalde doeleinden door toevoeging van een gering percentage diverse zelfstandigheden, alsmede preparaten, bevattende als basisbestanddeel 70 of meer gewichtspercenten oliën bedoeld bij de letters A en B, voor zover bedoelde preparaten in de nomenclatuur niet elders zijn genoemd noch elders onder zijn begrepen.

Als voorbeelden daarvan kunnen worden genoemd:

1. benzine, waaraan een gering percentage antiklopmiddelen (zoals tetraethyllood en dibroomethaan) en antioxidanten (zoals butylpara-aminofenol) is toegevoegd;

2. smeermiddelen, bestaande uit mengsels van smeeroliën met andere producten (producten ter verbetering van het smerend vermogen (zoals plantaardige oliën en vetten), antioxidanten, roestwerende middelen, antischuimmiddelen (zoals siliconen) enz.). Tot deze groep behoren: compoundoliën, zogenaamde HD-oliën (heavy duty oliën, dat wil zeggen smeeroliën voor hoge belasting), grafietoliën (suspensies van grafiet in aardoliën of in oliën uit bitumineuze mineralen), speciale cilinderoliën, smoutoliën, alsmede smeervetten (ook consistentvetten genoemd) bestaande uit smeeroliën met 10 tot 15% calcium-, aluminium- of lithiumzeep, enz. (kalkvetten, aluminiumvetten, enz.);

3. transformatoroliën en schakeloliën, die niet om hun smerend vermogen worden gebruikt en bestaan uit stabiele, speciaal geraffineerde oliën, waaraan antioxidanten, zoals di-tert-butylparakresol, zijn toegevoegd;

4. boor-, draai- of snijoliën (koeloliën), die voornamelijk dienen bij metaalbewerking om het gereedschap en het werkstuk af te koelen en die bestaan uit zware oliën, waaraan ongeveer 10 tot 15 gewichtspercenten emulgeermiddelen, zoals alkalische sulforicinaten, zijn toegevoegd en die voor het gebruik in water geëmulgeerd worden;

5. reinigende oliën of spoeloliën, die gebruikt worden voor het reinigen van motoren en andere apparaten. Zij bestaan uit zware oliën, waaraan gewoonlijk geringe hoeveelheden peptisatiemiddelen zijn toegevoegd; zij dienen ter verwijdering van slib, gom, koolaanslag, enz.;

6. oliën, voor het insmeren van vormen, waardoor keramische artikelen, betonnen palen, enz. gemakkelijker uit de vorm kunnen worden verwijderd. Zij kunnen bestaan uit zware oliën, waaraan plantaardige vetten zijn toegevoegd in een verhouding van bijvoorbeeld 10%;

7. vloeistoffen voor hydraulische krachtoverbrenging, bestaande uit zware oliën, waaraan onder meer producten ter verbetering van de viscositeit, roestwerende middelen en anti-schuimmiddelen zijn toegevoegd;

8. mengsels van biodiesel, bevattende 70 of meer gewichtspercenten aardolie of olie uit bitumineuze mineralen. Biodiesel en mengsels hiervan die minder dan 70 gewichtspercenten aardolie of olie uit bitumineuze mineralen bevatten, worden evenwel onder post 38.26 ingedeeld.

II. Afvalolie

Als ‘afvalolie’ worden aangemerkt, afvalstoffen die hoofdzakelijk aardolie of olie uit bitumineuze mineralen bevatten (zoals omschreven in Aantekening 2 IDR op hoofdstuk 27), ook indien gemengd met water. Tot deze afvalstoffen behoren onder meer:

1. afvalstoffen van aardolie of dergelijke olie, die niet langer geschikt zijn voor hun oorspronkelijk gebruik (bijvoorbeeld afgewerkte smeerolie, afgewerkte hydraulische olie en afgewerkte transformatorolie). Afvalolie bevattende polychloorbifenylen (PCB’s), polychloorterfenylen (PCT’s) of polybroombifenylen (PBB’s) hoofdzakelijk afkomstig van het verwijderen van dergelijke chemische producten uit elektrische installaties, zoals warmtewisselaars, transformatoren of schakel- en verdeeltoestellen;

2. slib afkomstig uit opslagtanks voor aardolie, dat hoofdzakelijk dergelijke olie bevat en een hoge concentratie additieven (bijvoorbeeld chemicaliën), van de soort gebruikt bij het vervaardigen van primaire producten;

3. afvalolie in de vorm van emulsies in water of van mengsels met water, zoals die afkomstig van het lekken van olie, van het reinigen van opslagtanks of van het gebruik van boor-, draai- of snijoliën bij machinale bewerkingen;

4. afvalolie verkregen bij de productie, het samenstellen en het gebruik van inkt, kleurstoffen, pigmenten, verf, lak en vernis.

Van deze post zijn uitgezonderd:

a. slib van loodhoudende benzine en slib van loodhoudende antiklopmiddelen afkomstig uit opslagtanks van loodhoudende benzine en loodhoudende antiklopmiddelen, hoofdzakelijk bestaande uit lood, loodverbindingen en ijzeroxide. Dit slib bevat bijna geen aardolie en wordt doorgaans gebruikt voor terugwinning van lood of van loodverbindingen (post 26.20);

b. preparaten die minder dan 70 gewichtspercenten aardoliën of oliën uit bitumineuze mineralen bevatten, zoals de smoutmiddelen en andere smeermiddelen bedoeld bij post 34.03, alsmede de remvloeistoffen bedoeld bij post 38.19;

c. preparaten, die aardoliën of oliën uit bitumineuze mineralen bevatten, ongeacht in welke verhouding (ook 70 gewichtspercenten en meer), maar die genoemd of begrepen zijn onder posten met een meer specifieke omschrijving en die waarvan het hoofdbestanddeel bestaat uit andere producten dan aardoliën en oliën uit bitumineuze mineralen, zoals de roestwerende preparaten bedoeld bij post 34.03, die bestaan uit lanoline opgelost in white spirit en waarbij de lanoline het hoofdbestanddeel is van de preparaten en de white spirit maar een oplosmiddel is dat na gebruik verdampt. Dit geldt ook voor desinfecteermiddelen, insectendodende middelen, schimmelwerende middelen, enz. (post 38.08), dopes voor minerale olie (post 38.11), oplosmiddelen en verdunners, van gemengde samenstelling, voor vernis (post 38.14) en bepaalde preparaten bedoeld bij post 38.24, zoals startvloeistof voor benzinemotoren, die diëthylether, 70 of meer gewichtspercenten benzine en ook andere bestanddelen bevat en waarvan diëthylether het basisbestanddeel vormt.

2
Toelichting EG

Zie de Aantekeningen 2 en 3 IDR op hoofdstuk 27 en de toelichting EG daarop.

3
EG-verordeningen

Een product met de volgende samenstelling (in gewichtspercenten):
- ethylalcohol: 70 en
- benzine (brandstof voor wegvoertuigen) overeenkomstig EN 228: 30,
moet onder post 22.07 worden ingedeeld. Zie Verordening (EU) nr. 211/2012 in aant. 3 op post 22.07.

 Een bepaald bewerkt aromatisch petroleumdistillaatextract, moet onder post 27.07 worden ingedeeld. Het betreft een extract (treated distillate aromatic extract, TDAE) met de volgende fysisch-chemische eigenschappen:

- een gehalte aan aromatische bestanddelen tussen 74,2 en 75 gewichtspercenten, bepaald aan de hand van de chromatografiekolombehandeling zoals beschreven in bijlage A bij hoofdstuk 27 van de toelichting EG (opgenomen aan het slot van de Aantekeningen op dat hoofdstuk);
- een dichtheid bij 15 °C tussen 0,9521 en 0,9590 g/cm3;
- niet meer dan 4 % van het volume distilleert over bij 300 °C (methode ASTM D 86-67, EN ISO 3405).
TDAE is een extract dat het resultaat is van de raffinage van smeermiddelen uit vacuümdistillatieresiduen.
De aromatische bestanddelen worden geproduceerd als bijproduct bij de raffinage van smeeroliegrondstoffen en was.
Het product wordt gebruikt als weekmaker voor niet-gevulkaniseerde rubberverbindingen die grondstoffen vormen voor de vervaardiging van banden en andere gevulkaniseerde producten van rubber.
Aangezien het product niet rechtstreeks wordt verkregen uit distillatie of raffinage van ruwe aardolie of uit ruwe olie uit bitumineuze materialen en het gewicht van de aromatische bestanddelen in het product dat van de niet-aromatische overtreft, is indeling onder post 27.10 als aardolie en olie uit bitumineuze mineralen andere dan ruwe; preparaten bevattende als basisbestanddeel 70 of meer gewichtspercenten aardolie of olie uit bitumineuze mineralen of afvalolie uitgesloten (zie Aantekening 2 IDR op hoofdstuk 27). Zie Verordening (EU) nr. 1231/2013 in aant. 3 op post 27.07.

Een zogenoemde olielamp moet onder post 94.05 worden ingedeeld. Het betreft een cilindervormige pot van kunststof, van ongeveer 8 cm hoog, met een diameter van 6 cm, gevuld met 180 ml lampenolie op basis van paraffine (een mengsel van paraffine dat voor 68% uit tetradecaan, voor 25% uit pentadecaan en voor ongeveer 4% uit hexadecaan bestaat) en een lont. De pot wordt afgesloten door een metalen afdichting met een kunststof dop die voorkomt dat de olie verdampt en de lont op zijn plaats houdt.

De pot kan niet opnieuw worden gevuld als de olie is verbruikt.

Het product wordt gebruikt als sfeerverlichting. Het kan in een houder (bijvoorbeeld een glazen pot) worden geplaatst of opzichzelfstaand worden gebruikt.

Indeling als olie onder post 27.10 is uitgesloten omdat het product een metalen afdichting met een kunststof dop en een lont bevat en dus uit meer elementen bestaat dan olie en een verpakkingsmiddel dat normaal gesproken voor dit soort goederen wordt gebruikt overeenkomstig algemene bepaling 5 b voor de toepassing van de gecombineerde nomenclatuur. Zie Verordening (EU) nr. 760/2014 in aant. 3 op post 94.05.

Een product bestaande uit de volgende bestanddelen (in gewichtspercenten) moet onder post 38.14 worden ingedeeld:

- koolwaterstoffen (voornamelijk paraffine- en nafteenkoolwaterstoffen) 94,4

- n-butylacetaat 5,6

Het product wordt aangeboden om te worden gebruikt als organisch oplosmiddel van gemengde samenstelling voor het oplossen van verf, vernis en mastiek. Zie Verordening (EU) 2020/725 in aant. 3 op post 38.14.

 

4
Jurisprudentie

Gegrafiteerde oliën bestaande uit gestabiliseerde suspensies van grafiet in minerale oliën, bevattende ongeveer 0,04% tot 0,2% grafiet waarvan de meeste deeltjes een afmeting hebben tussen 0,1 en 0,5 micrometer (micron), moeten onder onderverdeling 2710.12 of 2710.19 worden ingedeeld (IDR). Tarifering IDR 2710.12/1 of 2710.19/1.

Een product bestaande uit vloeibare paraffine van halfzware olie, bevattende ongeveer 98 gewichtspercenten n-paraffine koolwaterstoffen, fractie C10-C13, moet onder onderverdeling 2710 1929 worden ingedeeld. Het product heeft de volgende eigenschappen:
Distillatie (ASTM D 86 methode die gelijkwaardig is aan ISO 3405 methode):
bij 186,4 ºC – begin van de distillatie,
bij 232,9 ºC – einde van de distillatie 98,1% per volume; residu + verlies = 1,0 + 0,9
bij 208,2 ºC : 50% per volume
bij 211,2 ºC : 60% per volume
Samenstelling van n-paraffine koolwaterstoffen (in gewichtspercenten):
n- C10 12,7
n- C11 25,8
n- C12 30,9
n- C13 28,4
n- C14 0,4
Dichtheid (ASTM D 4052 methode die gelijkwaardig is aan EN ISO 12185 methode) bij 15 ºC: 0,7511 g/cm3
Het product wordt gebruikt in de farmaceutische en cosmetische industrie. Het wordt eveneens gebruikt bij de vervaardiging van bereidingen voor het ontsteken van vuur. De indeling is vastgesteld op basis van de algemene bepalingen 1 en 6 voor de toepassing van de gecombineerde nomenclatuur, Aanvullende aantekening 2 c EG op hoofdstuk 27 en de teksten van post 27.10 en de onderverdelingen 2710.19 en 2710 1929. Volgens Aanvullende aantekening 2 c EG op dit hoofdstuk omvat het begrip ‘halfzware oliën’ oliën en preparaten. Het product kan niet worden ingedeeld als een vloeibare paraffine van zware olie van onderverdeling 2710 1985 omdat het voldoet aan de bepalingen van Aanvullende aantekening 2 c EG op dit hoofdstuk. Het wordt daarom ingedeeld als een halfzware olie van onderverdeling 2710 1929. Zie eveneens de toelichtingen EG op onderverdeling 2710 1929, eerste alinea, laatste zin (EG). Statement 7e vergadering Comité douanewetboek, afdeling Tarief- en statistieknomenclatuur.

Een mengsel in de vorm van een vloeistof met een lichtgele tot lichtbruine kleur, bevattende bij gewicht, kerosine (50%) en paraffine (50%), moet onder onderverdeling 2710.19 worden ingedeeld. De paraffine bestaat uit C9 – C15 verzadigde koolwaterstoffen, verkregen van gedesoxideerde plantaardige oliën door hydrogenering. Minder dan 90% van het volume (inclusief de verliezen) van het product overdistilleert bij 210 °C (ISO 3405 methode (gelijkwaardig aan de ASTM D 86 methode)). Het wordt gebruikt als brandstof voor straalmotoren.

Toepassing van algemene bepalingen 1 (Aantekening 2 IDR op hoofdstuk 27) en 6 (Aanvullende aantekening 4 IDR op hoofdstuk 27) voor de toepassing van de nomenclatuur (IDR). Tarifering IDR 2710.19/2 (PbEU 2011, nr. C 174).

Als criterium voor de indeling van een product met kenmerken als die van het product in het hoofdgeding onder post 27.07 dan wel onder post 27.10, moet het gewicht aan aromatische bestanddelen in verhouding tot dat van de niet-aromatische bestanddelen in aanmerking worden genomen, aldus het Hof.

Het begrip ‘aromatische bestanddelen’ in hoofdstuk 27 van de gecombineerde nomenclatuur, moet aldus worden uitgelegd dat het een ruimere betekenis heeft dan het begrip ‘aromatische koolwaterstoffen’.

Het Hof concludeerde voorts dat het in beginsel aan de nationale rechter staat om vast te stellen welke methode het meest geschikt is ter bepaling van het gehalte aan aromatische bestanddelen in een bepaald product met het oog op de indeling ervan onder post 27.07 dan wel onder post 27.10.

Ten slotte bepaalde het Hof dat punt 1 van de toelichting EG op de onderverdelingen 2707 9991 en 2707 9999 aldus moet worden uitgelegd dat het niet exhaustief is, zodat een product dat onder post 27.07 valt, maar niet onder een specifieke onderverdeling daarvan kan worden gebracht, moet worden ingedeeld onder onderverdeling 2707 9999. HvJ 12 juni 2014, nr. C-330/13 (PbEU 2014, nr. C 282 en Douanerechtspraak 2014/61).

Een reinigingsmiddel dat voor het grootste deel (> 95%) bestaat uit alifatische koolwaterstoffen C9-C12 (60-70%), een licht aromatisch oplosnafta (aardolie – 30 tot 35%) met 1 tot 5% alifatische koolwaterstoffen C12-C15, moet onder onderverdeling 2710 1921 worden ingedeeld.
Het product, waaraan een zeer geringe hoeveelheid tensio-actieve stoffen in de vorm van emulgatoren (0,8%) is toegevoegd, wordt gebruikt in de grafische industrie als een reinigingsmiddel voor rollen en doeken drukdoeleinden. De tensio-actieve functie is echter niet absoluut noodzakelijk voor het reinigen van de drukrollen en dekens.
Het zijn de belangrijkste stoffen in de bereiding (alifatische C9-C12 koolwaterstoffen, lichte nafta), die cruciaal zijn voor de reinigende werking zijn. Ze vormen meer dan 95% van het product en de vereiste eigenschappen voor het oplossen van drukinkt. De emulgatoren zijn louter aanwezig om de opgeloste elementen makkelijker te kunnen verwijderen uit de drukrollen en dekens. Bovendien maken zij het mogelijk dat het product ook wordt verdund met water en kan worden gebruikt als een emulsie (EG). Conclusie 175e vergadering Comité douanewetboek, afdeling Tarief- en statistieknomenclatuur.

Een organisch, samengesteld oplosmiddel dat voor een specifiek gebruik bestemd is, bestaande uit onder meer white spirit en decahydronaftaleen, moet onder post 38.14 worden ingedeeld (EG). Conclusie 179e vergadering Comité Douanewetboek, afdeling Tarief- en statistieknomenclatuur.

Een minerale olie, zoals die in het hoofdgeding, kan op grond van haar distillatie-eigenschappen niet als gasolie onder onderverdeling 2710 1943 worden ingedeeld, zelfs niet wanneer deze olie voldoet aan de vereisten bedoeld in geharmoniseerde norm EN 590:2013, in de versie van september 2013, inzake gasolie bestemd voor arctische of barre winterse klimatologische omstandigheden. De goederen waren aangegeven als ‘met waterstof behandelde gasolie 10 ppm, met een zwavelgehalte tot en met 0,001 gewichtspercent, voor arctische klimaatzones, klasse 4 van norm EN 590, 1.236.742 kg gewicht onder vacuüm, 1.235.100 kg gewicht onder lucht, 1.517.660 liter, dichtheid bij 15 °C van 816,1 kg/m3’.
Volgens laboratoriumonderzoek bestond het bestudeerde monster uit aardolie met daaraan toegevoegd paraffine en naftenische koolwaterstoffen. Uit de distillatiekenmerken en de andere vastgestelde indicatoren is gebleken dat dit monster de uit Aanvullende aantekening 2 c EG op hoofdstuk 27 voortvloeiende eigenschappen van ‘halfzware oliën’ had. Op grond van het verkregen resultaat werd het monster beschouwd als product afkomstig van de verwerking van aardolie, meer in het bijzonder kerosine.
Het Hof merkte onder meer op dat onderverdeling 2710 1943, die betrekking heeft op gasolie met een zwavelgehalte van niet meer dan 0,001 gewichtspercent, onder post 27.10 valt, betreffende aardolie en olie uit bitumineuze mineralen andere dan ruwe. Om deze post te kunnen toepassen, wordt in Aanvullende aantekening 2 e EG op hoofdstuk 27 het begrip ‘gasolie’ gedefinieerd. Uit de tekst van dit punt e, juncto punt d, van deze Aanvullende aantekening EG volgt hieromtrent dat met name als ‘gasolie’ moeten worden aangemerkt oliën en preparaten die, distillatieverliezen inbegrepen, voor minder dan 65% bij 250 °C en voor ten minste 85% bij 350 °C van hun volume overdistilleren, een en ander bepaald volgens de methode ISO 3405. Derhalve volgt uit de tekst van deze punten dat voor de tariefindeling van een goed als gasolie in geval van post 27.10 alleen bepalend is in welke mate dit goed op de aangeven temperaturen volgens de methode ISO 3405 overdistilleert.
Aangezien in de onderhavige zaak tussen de partijen in het hoofdgeding niet ter discussie staat dat de betrokken minerale olie volgens de methode ISO 3405 voor meer dan 65% bij 250 °C overdistilleert, valt deze minerale olie niet onder de definitie van ‘gasolie’ van Aanvullende aantekening 2 e EG op hoofdstuk 27, en kan deze olie bijgevolg niet worden ingedeeld onder de onderverdeling voor producten die voldoen aan deze definitie.
Het Hof brengt ook naar voren dat de bestemming van een product slechts een relevant criterium is indien de indeling niet uitsluitend op basis van de objectieve kenmerken en eigenschappen van het product kan worden verricht. In de onderhavige zaak is dit niet het geval, aangezien uit de distillatie-eigenschappen van dit product juist volgt dat het voor de toepassing van post 27.10 niet onder de definitie van gasolie in de zin van Aanvullende aantekening 2 e EG valt.
Het is, aldus het Hof, in dit opzicht niet van belang dat SAKSA (de importeur) heeft gerefereerd aan voetnoot g van tabel 3 van norm EN 590:2013, waarin staat dat de definitie van ‘gasolie’ in de GN ‘mogelijk niet [kan] worden toegepast op de voor gebruik onder arctische of barre winterse klimatologische omstandigheden gedefinieerde klassen’. Norm EN 590:2013 is immers niet vastgesteld door een orgaan van de Unie, maar door de CEN, een privaatrechtelijke instelling.
Stellig kan uit de rechtspraak van het Hof worden afgeleid dat een door een privaatrechtelijke instelling ontwikkelde geharmoniseerde norm kan worden geacht deel uit te maken van de rechtsorde van de Unie indien deze norm op initiatief, onder leiding en onder toezicht van de Commissie tot stand is gekomen en dat een dergelijke norm na publicatie van de referentiegegevens ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie rechtsgevolgen kan sorteren. Het is ook juist dat de CEN norm EN 590:2013 heeft ontwikkeld op grond van mandaat M 394 van de Commissie van 13 november 2006. Nadat de CEN deze norm had ontwikkeld, heeft de Commissie in richtlijn 2014/77 bovendien de referentiegegevens ervan, die waren opgenomen in voetnoot 1 van bijlage II bij richtlijn 98/70, bijgewerkt. Niettemin hoeft slechts te worden vastgesteld dat de verwijzing naar norm EN 590:2013 in voetnoot 1 van deze bijlage II uitsluitend betrekking heeft op de in deze norm vermelde testmethoden. Aangezien in voetnoot g van tabel 3 van norm EN 590:2013 geen testmethode aan de orde is, kan deze voetnoot niet worden geacht deel uit te maken van het Unierecht en is zij dus niet relevant om de tariefindeling van goederen vast te stellen, aldus het Hof. HvJ 22 februari 2018, nr. C-185/17 (PbEU 2018, nr. C 134 en Douanerechtspraak 2018/70).

Twee mengsels op basis van lichte-oliënpetroleumdistillaat, in de vorm van en vloeistof, kleurloos, helder, en klaar voor gebruik als schoonmaakmiddel voor afdrukkers, zoals hierna omschreven, moeten onder onderverdeling 2710 1221 worden ingedeeld. Het betreft de twee volgende mengsels:
- lichte-oliënpetroleumdistillaat (97 gewichtspercenten) met een geëthoxyleerde alcoholester als een niet-ionisch tensioactief middel (3 gewichtspercenten);
- lichte-oliënpetroleumdistillaat (92 gewichtspercenten) met een geëthoxyleerde alcoholester als een niet-ionisch tensioactief middel (8 gewichtspercenten).
Wanneer als schoonmaakmiddel gebruikt, is hun hoedanigheid om een stabiele emulsie te vormen, de voornaamste eigenschap van deze producten. Hierdoor lijkt indeling onder post 34.02 (als tensioactieve producten) mogelijk omdat de emulsie wordt verkregen door de actie van het niet-ionisch tensioactief middel, en niet door het lichte-oliënpetroleumdistillaat, dat enkel als oplosmiddel dient. Echter, wanneer deze producten worden gebruikt voor andere doeleinden dan schoonmaken, de eigenschap van het lichte-oliënpetroleumdistillaat kan worden aangemerkt als de voornaamste eigenschap, en indeling onder post 27.10 lijkt mogelijk. De lichte oliën in de producten hebben een belangrijk oplossend vermogen en aan de voorwaarden van Aanvullende aantekening 4 IDR op hoofdstuk 27 wordt voldaan. Post 27.10 is derhalve van toepassing.
De meerderheid van het Comité was van mening dat de producten onder post 27.10 moeten worden ingedeeld (EG). Conclusie 189e vergadering Comité douanewetboek, afdeling Tarief- en statistieknomenclatuur.

Producten bevattende alkylaromaten met lange ketens moeten onder post 34.03 worden ingedeeld. De producten zijn geformuleerd met additieven om precieze smeereigenschappen te verkrijgen die bestemd zijn voor en aangepast aan een specifiek doel voor een specifieke machine. Zie conclusie 189e vergadering Comité douanewetboek op post 34.03 in aant. 4 op die post.

Een heldere transparante vloeistof bestaande uit een mengsel van white spirit (57%), decahydronaftaleen (DHN, 35%), benzylalcohol (5%) en ethylhexanol (3%), aangeboden in stalen vaten van 200 liter, moet onder post 38.14 worden ingedeeld. Zie tarifering IDR 3814.00/3 op post 38.14 in aant. 4 op die post.

34
Nadere verwijzing

Zie voor het begrip ‘biodiesel’ de Aanvullende aantekening 5 IDR op hoofdstuk 27.