van andere textielstoffen [Cat. 24]

 
    Print     PDF

6108 3900 00

van andere textielstoffen [Cat. 24]

Invoer

Eenheid
p/st (Aantal stuks NAR)
Recht derde landen
12%
Preferentiële en Aanvullende rechten
BTW
21%
Invoerregelingen
Maatregelen

Uitvoer

Uitvoerregelingen

Toelichting

1
Toelichting IDR

Deze post omvat twee groepen dameskleding van brei- of haakwerk, te weten onderjurken, onderrokken, slips en dergelijke (onderkleding) en nachthemden, pyjama’s, negligés, badjassen (strandjassen daaronder begrepen), kamerjassen en dergelijke artikelen.

Van deze post zijn uitgezonderd borstrokken en onderhemden (post 61.09).

3
EG-verordeningen

Lichtgewicht wijde kledingstukken (zie de afbeeldingen 1, 2 en 3 bij post 61.04) moeten als japon onder post 61.04 worden ingedeeld. Zie Verordening (EEG) nr. 548/89, punten 1, 2 en 3, in aant. 3 op post 61.04.

Lichtgewicht kledingstukken (zie de afbeeldingen 4, 5 en 6 bij post 61.04) moeten als japon onder post 61.04 worden ingedeeld. Zie Verordening (EEG) nr. 812/89, punten 1, 2 en 3, in aant. 3 op post 61.04.

Een lichtgewicht ruimvallend kledingstuk (zie afbeelding 9 bij post 61.04) moet als jurk onder post 61.04 worden ingedeeld. Zie Verordening (EG) nr. 1966/94, punt 3, in aant. 3 op post 61.04.

Een slip (zie afbeelding 1 hierna) die met een bovenkledingstuk een samenstelling, opgemaakt voor de verkoop in het klein, vormt voor dames of voor meisjes waarvan de beide kledingstukken van dezelfde stof, samenstelling en kleur zijn, van breiwerk (55% kunstmatige vezels en 45% katoen), moet onder onderverdeling 6108 2200 worden ingedeeld.

Afb. 1. 

Het bovenkledingstuk moet onder post 61.14 worden ingedeeld. De indeling is onder meer vastgesteld op basis van Aantekening 14 IDR op afdeling XI, Aantekening 3 b IDR op hoofdstuk 61, Aanvullende aantekening 2 EG op hoofdstuk 61 en de teksten van de posten, c.q. de onderverdelingen 61.08, 6108 2200, 61.10, 6110 3099, 61.14 en 6114 3000. Verordening (EEG) 7 juni 1989, nr. 1584/89, punt 1 (PbEG 1989, nr. L 156).

De integrale tekst van de verordening is opgenomen in onderdeel VI.

Een slip (zie afbeelding 5 hierna), van haakwerk van synthetische vezels, die met een kledingstuk voor het bovenlichaam een set van twee kledingstukken opgemaakt voor de verkoop in het klein vormt, moet onder onderverdeling 6108 2200 worden ingedeeld.

Afb. 5. 

Het kledingstuk voor het bovenlichaam valt onder post 61.06. De slip bestaat uit dezelfde stoffen, samenstelling en kleuren als het kledingstuk voor het bovenlichaam. Zie Verordening (EEG) nr. 3640/91 in aant. 3 op post 61.06.

Een slip die met een bustehouder een samenstelling opgemaakt voor de verkoop in het klein vormt, moet samen met de bustehouder onder post 62.12 worden ingedeeld. Het betreft een slip van breiwerk (80% katoen, 20% polyamide), voorzien van elastiek in de taille en aan de beenopeningen en versieringen van raschelkant. De bustehouder is van breiwerk (65% polyamide, 35% katoen), voorzien van verstelbare schouderbandjes, beugels aan de onderzijde van de cups ter ondersteuning en versieringen van raschelkant.

Volgens punt 6 van de Verordening (EG) van 28 juli 1994, nr. 1966/94, moest de slip onder post 61.08 en de bustehouder onder post 62.12 worden ingedeeld (de integrale tekst van de verordening is opgenomen in onderdeel VI). Maar het Hof van Justitie van de EG bepaalde 15 januari 1998 in zaak C-80/96 (PbEG 1998 nr. C 55 en UTC 1999/21) dat het gemeenschappelijk douanetarief aldus moet worden uitgelegd, dat dergelijke goederen (dus zowel slip als bustehouder) moeten worden ingedeeld onder de post die in volgorde van nummering het laatst is geplaatst, dat wil zeggen onder post 62.12. Per 1 januari 1999 werd bij post 62.12 een onderverdeling voor dergelijke stellen opgenomen.

Een uniseks onderbroek (zie afbeelding 8 hierna) moet onder onderverdeling 6108 2100 worden ingedeeld.

Afb. 8.

Het betreft een kledingstuk van breiwerk (95% katoen, 5% elastomeergarens) in de taille en aan de uiteinden van de pijpen voorzien van een elastieken band. De broek heeft een breed kruis waardoor het, mede door de snit en de elasticiteit, kan worden voorzien van een luier waardoor deze broek kan worden gebruikt door personen die aan incontinentie lijden. De indeling is vastgesteld op basis van de algemene bepalingen 1 en 6 voor de toepassing van de gecombineerde nomenclatuur, Aantekening 9 IDR op hoofdstuk 61 en de teksten van post 61.08 en onderverdeling 6108 2100. Het artikel kan niet onder post 90.21 worden ingedeeld omdat het niet dient voor het voorkomen of verhelpen van lichamelijke misvormingen, noch voor het ondersteunen of op hun plaats houden van organen na ziekte of operatie. Verordening (EEG) 17 februari 1993, nr. 350/93, punt 3 (PbEG 1993, nr. L 41).

De integrale tekst van de verordening is opgenomen in onderdeel VI.

Een zogenaamde bodystocking (zie afbeelding 2 hierna) moet onder onderverdeling 6108 9200 worden ingedeeld. Het betreft een kledingstuk van breiwerk (100% synthetische vezels), met smalle schouderbandjes, de romp bedekkend.

Afb. 2. 

 

Het lichtgewicht kledingstuk is in de rug ter hoogte van de taille voorzien van elastiek en wordt in het kruis door drie drukknopen gesloten. Het kledingstuk is bovendien gedeeltelijk afgezet met imitatiekant. De indeling is vastgesteld op basis van de algemene bepalingen 1 en 6 voor de toepassing van de gecombineerde nomenclatuur en de teksten van post 61.08 en onderverdeling 6108 9200. Verordening (EEG) 4 juli 1990, nr. 1936/90, punt 1 (PbEG 1990, nr. L 174).

De integrale tekst van de verordening is opgenomen in onderdeel VI.

Een pyjama (zie afbeelding 3 hierna) moet onder onderverdeling 6108 3100 worden ingedeeld.

Afb. 3. 

Het betreft een set van twee kledingstukken, opgemaakt voor de verkoop in het klein, bestaande uit:

a. een lichtgewicht kledingstuk van breiwerk bedrukt met veelkleurige motieven (100% katoen), bestemd om het bovenlichaam te bedekken, met lange mouwen en een nauwaansluitende halsuitsnijding, voorzien van een gedeeltelijke opening aan de voorzijde met een knoopsluiting rechts over links. Het kledingstuk is aan de onderzijde, de uiteinden van de mouwen en de halsuitsnijding voorzien van ribboorden van dezelfde kleur als de pantalon;

b. een effen pantalon van breiwerk (100% katoen), reikend van de taille tot aan de enkels. Het kledingstuk is nauwsluitend in de taille door de aanwezigheid van elastiek in de tailleband die geen opening heeft. De uiteinden van de broekspijpen zijn voorzien van een ribboord.

De indeling is vastgesteld op basis van de algemene bepalingen 1 en 6 voor de toepassing van de gecombineerde nomenclatuur en de teksten van post 61.08 en onderverdeling 6108 3100. Op basis van het algemeen aanzien en de lichtheid van de gebruikte stof moet deze set worden aangemerkt als pyjama. Verordening (EEG) 6 mei 1991, nr. 1176/91, punt 1 (PbEG 1991, nr. L 114).

De integrale tekst van de verordening is opgenomen in onderdeel VI.

Een pyjama (zie afbeelding 4 hierna) moet onder onderverdeling 6108 3100 worden ingedeeld.

Afb. 4. 

Het betreft een set van twee kledingstukken, opgemaakt voor de verkoop in het klein, bestaande uit:

a. een lichtgewicht kledingstuk van tweekleurig gestreept breiwerk (100% katoen), bestemd om het bovenlichaam te bedekken, met lange mouwen en voorzien van een ronde wijde halsuitsnijding zonder opening in de halslijn. Het kledingstuk is aan de onderzijde, de uiteinden van de mouwen en de halsuitsnijding voorzien van ribboorden en aan de voorzijde van een opgenaaide decoratie;

b. een pantalon van hetzelfde breiwerk (100% katoen), reikend van de taille tot aan de enkels.

Het kledingstuk is nauwsluitend in de taille door de aanwezigheid van elastiek in de tailleband die geen opening heeft. De uiteinden van de broekspijpen zijn voorzien van een ribboord.

De indeling is vastgesteld op basis van de algemene bepalingen 1 en 6 voor de toepassing van de gecombineerde nomenclatuur, Aantekening 9 IDR op hoofdstuk 61 en de teksten van post 61.08 en onderverdeling 6108 3100. Op basis van het algemeen aanzien en de lichtheid van de gebruikte stof moet deze set worden aangemerkt als pyjama. Verordening (EEG) 6 mei 1991, nr. 1176/91, punt 2 (PbEG 1991, nr. L 114).

De integrale tekst van de verordening is opgenomen in onderdeel VI.

Een pyjama bestaande uit een set van twee kledingstukken, opgemaakt voor de verkoop in het klein, moet onder onderverdeling 6108 3100 worden ingedeeld.

De set bestaat uit:

- een lichtgewicht kledingstuk (zie afbeelding 6 hierna) van tweekleurig gestreept poolbreiwerk (80% katoen, 20% polyamide), bestemd om het bovenlichaam te bedekken. Het heeft lange mouwen en is voorzien van een ronde halsuitsnijding zonder een opening in de halslijn.

Afb. 6. 

Het kledingstuk is aan de onderzijde, aan de uiteinden van de mouwen en aan de halsuitsnijding voorzien van een ribboord;

- een pantalon (zie afbeelding 7 hierna) van effen poolbreiwerk (80% katoen, 20% polyamide), reikend van de taille tot aan de enkels, zonder opening in de tailleband.

Afb. 7. 

Het kledingstuk is nauwsluitend ter hoogte van de taille door de aanwezigheid van elastiek in de tailleband en is aan de uiteinden van de broekspijpen voorzien van een ribboord. De indeling is vastgesteld op basis van de algemene bepalingen 1 en 6 voor de toepassing van de gecombineerde nomenclatuur, Aantekening 9 IDR op hoofdstuk 61 en de teksten van post 61.08 en onderverdeling 6108 3100. Op basis van het algemeen aanzien en de aard van de stof (poolbreiwerk) moet de set worden aangemerkt als een pyjama. Verordening (EEG) 9 juli 1992, nr. 1911/92, punt 2 (PbEG 1992, nr. L 192).

De integrale tekst van de verordening is opgenomen in onderdeel VI.

4
Jurisprudentie

Post 61.08 moet aldus worden uitgelegd dat als pyjama’s kunnen worden aangemerkt niet enkel combinaties van twee kledingstukken van brei- of haakwerk, die wegens hun algemeen aanzien uitsluitend bestemd zijn om in bed te worden gedragen, maar ook combinaties die hoofdzakelijk daartoe worden gebruikt. Voor indeling als pyjama is het niet voldoende, dat een combinatie van twee kledingstukken van brei- of haakwerk volgens de algemene verkeersopvatting in de betrokken lidstaat ten tijde van de inklaring ook in bed kan worden gedragen. HvJ 9 augustus 1994, nr. C-395/93 (PbEG 1994, nr. C 275 en UTC 1996/23).

Een als kindernachthemd aangeduid kledingstuk van katoen moet onder onderverdeling 6108 3100 worden ingedeeld. Het kledingstuk bestaat uit verschillende aaneengezette bedrukte stukken breiwerk, is fijngeribd en voorzien van lange mouwen die op ongeveer 4 cm van het uiteinde door elastiek nauw worden gesloten. Het heeft een ronde halsopening met aangezette boord en reikt tot halverwege het dijbeen of op of net onder de knie; aan de onderzijde is een rand aangezet van ongeveer 6 cm van dezelfde stof. De voorzijde van het bovenstuk is voorzien van een afbeelding van een slapend kind met een pop. Het kledingstuk is bedrukt met afbeeldingen van bloemen in verschillende kleuren en met de tekst ‘I wanna kiss you all over’.

De inspecteur had een BTI afgegeven voor indeling als japon onder post 61.04, daar hij van mening was dat het kledingstuk de uiterlijke verschijningsvorm van een japon had en daar het, gelet op het algemeen aanzien, niet bestemd was om uitsluitend of hoofdzakelijk in bed te worden gedragen.

Belanghebbende stelde onder meer dat de kleding alleen maar als nachtkleding kan worden gedragen en door haar afnemers ook uitsluitend als nachtkleding wordt verkocht, geëtaleerd en in advertenties aangeprezen.

De TC deelde het kledingstuk in onder post 61.08. Zij was, op grond van de eigen waarneming van het overgelegde monster en hetgeen belanghebbende onweersproken had gesteld, van oordeel dat – getoetst aan de in het hiervoor opgenomen arrest van het Hof van Justitie in zaak C-395/93 – het onderhavige kledingstuk hier te lande uitsluitend bestemd is om in bed te worden gedragen. TC 7 april 1998, nr. 0089/96 TC (UTC 1998/25).

Een damesbroek vervaardigd uit een lichtgewicht gebreide stof (87% polyester en 13% elastaan), reikend tot aan de enkel moet onder post 61.04 worden ingedeeld. Zie tarifering IDR 6104.63/1 op post 61.04 in aant. 4 op die post.

Een bepaalde gebreide damesvormslip met de snit van een heupslip, die zowel in de hoogte als in de breedte rekbaar is, kan onder post 62.12 worden ingedeeld. Zie HvJ 19 oktober 2017, nr. C-556/16 in aant. 4 op post 62.12.

10
Toelichting EG

Deze onderverdeling omvat onder andere pyjama’s voor dames of voor meisjes, van brei- of haakwerk, waarvan, gezien de algemene kenmerken en de aard van de stof, kan worden verondersteld dat zij bestemd zijn om uitsluitend of hoofdzakelijk als nachtkleding te worden gedragen.

Pyjama’s bestaan uit twee kledingstukken, te weten:

- een kledingstuk bedoeld om het bovenlichaam te bedekken, in het algemeen van het type jasje, of van het type pullover of een dergelijk artikel;

- een kledingstuk in de vorm van een lange of een korte broek, van eenvoudige snit, al of niet voorzien van een opening.

De delen van een pyjama moeten van gelijke of verenigbare maat zijn en bij elkaar passen wat betreft de snit, de gebruikte materialen, de kleuren, de versieringen en de afwerking, zodat het duidelijk is dat zij zijn ontworpen om samen door een en dezelfde persoon te worden gedragen.

Pyjama’s moeten voor hun gebruik als nachtkleding een zeker comfort verschaffen door:

- de aard van de stof,

- hun in het algemeen ruime snit en

- de afwezigheid van tot ongemak leidende elementen, zoals grote of omvangrijke knopen, een overdaad aan garneringen of opgenaaide versieringen.

Zogenaamde babydolls, die bestaan uit een zeer kort nachthemd en een bijbehorend broekje, worden eveneens als pyjama aangemerkt.

Nachtkleding uit één stuk van het type ‘overall' die zowel het bovenlichaam als het onderlichaam bedekt en waarbij ieder been afzonderlijk wordt omhuld, valt onder de onderverdelingen 6108 9100 tot en met 6108 9900.

Nieuws