Hoofdstuk 27

Minerale brandstoffen, aardolie en distillatieproducten daarvan; bitumineuze stoffen; minerale was

1
Toelichting IDR

Dit hoofdstuk omvat, in algemene zin, steenkool en andere natuurlijke minerale brandstoffen, aardoliën en oliën uit bitumineuze mineralen, alsmede distillatieproducten daarvan en soortgelijke producten, die op een andere wijze zijn verkregen. Dit hoofdstuk heeft voorts betrekking op minerale wassen en op natuurlijk bitumineuze zelfstandigheden. Bedoelde producten blijven onder dit hoofdstuk ingedeeld, ook indien zij geraffineerd zijn; indien zij echter het karakter hebben van, zuivere of handelszuivere, geïsoleerde chemische welbepaalde organische verbindingen, worden zij onder hoofdstuk 29 ingedeeld; deze regel geldt niet voor methaan en propaan, ook indien chemisch zuiver, die steeds onder post 27.11 worden ingedeeld.

Voor sommige van deze producten (bijvoorbeeld ethaan, benzeen, fenol en pyridine) bestaan specifieke zuiverheidscriteria, die zijn aangegeven in de toelichtingen IDR op de posten 29.01, 29.07 en 29.33.

2
Toelichting EG

Tenzij anders aangegeven, worden onder ASTM-methoden verstaan de methoden die door de American Society for Testing and Materials zijn aanvaard. Algemene opmerkingen.

3 t/m 5
Gereserveerd
6
Jurisprudentie

Geïsoleerde isomeren en mengsels van isomeren van verzadigde koolwaterstoffen met open koolstofketen moeten als volgt worden ingedeeld:

1. geïsoleerde isomeren met een zuiverheid van minder dan 95% (a): hoofdstuk 27

2. geïsoleerde isomeren met een zuiverheid van ten minste 95% (a): post 29.01

3. mengsels van isomeren die voor minder dan 95% (a) uit één bepaalde isomeer bestaan: hoofdstuk 27

4. mengsels van isomeren die voor ten minste 95% (a) uit één bepaalde isomeer bestaan: post 29.01 (IDR). Tariferingen IDR 27/1 en 2901.10/1.

(a) Dit percentage wordt berekend over het watervrije product en heeft betrekking op het volume bij gasvormige producten en op het gewicht bij andere producten.

Geïsoleerde isomeren en mengsels van isomeren (stereo-isomeren daaronder begrepen) van alkenen of alkapolyenen met open koolstofketen moeten als volgt worden ingedeeld:

1. geïsoleerde isomeren met een zuiverheid van minder dan 90% (a): hoofdstuk 27

2. geïsoleerde isomeren met een zuiverheid van ten minste 90% (a): post 29.01

3. mengsels van stereo-isomeren die voor ten minste 90% (a) uit stereo-isomeren van één bepaalde koolwaterstof bestaan: post 29.01

4. mengsels van stereo-isomeren die minder dan 90% (a) uit stereo-isomeren van één bepaalde koolwaterstof bestaan: hoofdstuk 27

5. mengsels van andere isomeren die voor minder dan 90% (a) uit één bepaalde isomeer bestaan: hoofdstuk 27

6. mengsels van andere isomeren die voor ten minste 90% (a) uit één bepaalde isomeer bestaan: post 29.01 (IDR). Tariferingen IDR 27/2, 27/3 en 2901.23/1 t/m 2901.29/1.

(a) Dit percentage wordt berekend over het watervrije product en heeft betrekking op het volume bij gasvormige producten en op het gewicht bij andere producten.

1 Aantekeningen IDR

1 (1).

Dit hoofdstuk omvat niet:

a. geïsoleerde chemisch welbepaalde organische verbindingen; deze uitzondering heeft geen betrekking op zuiver methaan en op zuiver propaan, die onder post 27.11 worden ingedeeld;

b. geneesmiddelen bedoeld bij de posten 30.03 en 30.04;

c. gemengde onverzadigde koolwaterstoffen bedoeld bij de posten 33.01, 33.02 en 38.05.

1
Toelichting IDR

Van dit hoofdstuk zijn uitgezonderd:

a. geneesmiddelen bedoeld bij post 30.03 of 30.04;

b. parfumerieën, toiletartikelen en cosmetische producten (post 33.03 tot en met 33.07);

c. vloeibare brandstof en vloeibaar gemaakt brandbaar gas in recipiënten van de soort gebruikt voor het vullen van aanstekers en met een inhoudsruimte van niet meer dan 300 cm3 (post 36.06). Algemene opmerkingen.

2. Aantekeningen IDR

2.

De uitdrukkingen ‘aardolie’ en ‘olie uit bitumineuze mineralen’, die gebezigd zijn in de tekst van post 27.10, worden geacht niet alleen betrekking te hebben op aardolie en op olie uit bitumineuze mineralen, doch eveneens op dergelijke olie en op hoofdzakelijk uit gemengde onverzadigde koolwaterstoffen bestaande olie, waarin het gewicht van de niet-aromatische bestanddelen dat van de aromatische bestanddelen overtreft, ongeacht de wijze waarop deze producten zijn verkregen (1; 2).

Deze uitdrukkingen hebben echter geen betrekking op vloeibare synthetische polyolefinen die voor minder dan 60% van hun volume overdistilleren bij 300 °C, herleid tot een druk van 1013 mbar met toepassing van een lagedrukdistillatiemethode (hoofdstuk 39) (4).

1
Toelichting IDR

De uitdrukking ‘aromatische bestanddelen’ die gebezigd is in Aantekening 2 IDR op dit hoofdstuk en in post 27.07 wordt geacht betrekking te hebben op gehele moleculen met een aromatisch gedeelte, ongeacht het aantal en de lengte van de zijketens en niet uitsluitend op de aromatische gedeelten van zulke moleculen. Algemene opmerkingen.

2
Toelichting EG

1. Voor de bepaling van het gehalte aan aromatische bestanddelen moeten onderstaande methoden worden gebruikt:
- producten waarvan het distillatie-eindpunt niet boven 315 °C ligt: methode EN 15553
- producten waarvan het distillatie-eindpunt boven 315 °C ligt: zie bijlage A van de toelichting EG op hoofdstuk 27, opgenomen aan het slot van de Algemene opmerkingen op dit hoofdstuk.

2. De uitdrukking ‘dergelijke olie’ omvat onder andere de volgende mengsels van koolwaterstoffen:
- synthetische paraffinehoudende dieselbrandstoffen, in het bijzonder ‘met waterstof behandelde plantaardige oliën’ (HVO) en ‘uit gas verkregen vloeibare brandstoffen’;
- producten uit hernieuwbare bronnen die het resultaat zijn van de volgende processen: ‘uit biomassa verkregen vloeibare brandstoffen’ of ‘uit biogas verkregen vloeibare brandstoffen;
- producten uit de gelijktijdige verwerking van hernieuwbare grondstoffen en aardoliegrondstof in raffinaderijen.
Met betrekking tot de productie van ’dergelijke olie’ gelden de volgende definities:
- ‘waterstofbehandeling’: de thermochemische omzetting van triglyceriden met waterstof om alkanen te produceren; het betreft hier de verwerking van brandstoffen. Bronnen van triglyceriden zijn doorgaans vetten en oliën, geschikte afvalstoffen, fracties van afvalvetten en vetten afkomstig van algen.
- ‘uit gas verkregen vloeibare brandstoffen’, ‘uit biomassa verkregen vloeibare brandstoffen’ en ‘uit biogas verkregen vloeibare brandstoffen’: de omzetting van gas in vloeibare brandstoffen met het Fischer-Tropsch-procedé of een gelijkwaardig procedé. In het geval van ‘uit biomassa verkregen vloeibare brandstoffen’ is er een voorafgaande stap waarbij de biomassa wordt omgezet in gas.

3
Gereserveerd
4
Jurisprudentie

Een mengsel in de vorm van een vloeistof met een lichtgele tot lichtbruine kleur, bevattende bij gewicht, kerosine (50%) en paraffine (50%, moet onder post 27.10 worden ingedeeld. Zie tarifering IDR 2710.19/2 op post 27.10 in aant. 4 op die post.

Als criterium voor de indeling van een product met kenmerken als die van het product in het hoofdgeding onder post 27.07 dan wel onder post 27.10, moet het gewicht aan aromatische bestanddelen in verhouding tot dat van de niet-aromatische bestanddelen in aanmerking worden genomen, aldus het Hof.

Het begrip ‘aromatische bestanddelen’ in hoofdstuk 27 van de gecombineerde nomenclatuur, moet aldus worden uitgelegd dat het een ruimere betekenis heeft dan het begrip ‘aromatische koolwaterstoffen’.

Het Hof concludeerde voorts dat het in beginsel aan de nationale rechter staat om vast te stellen welke methode het meest geschikt is ter bepaling van het gehalte aan aromatische bestanddelen in een bepaald product met het oog op de indeling ervan onder post 27.07 dan wel onder post 27.10. HvJ 12 juni 2014, nr. C-330/13 (PbEU 2014, nr. C 282 en Douanerechtspraak 2014/61).

3.

3.

Voor de toepassing van post 27.10 worden als ‘afvalolie’ aangemerkt, afvalstoffen die hoofdzakelijk aardolie of olie uit bitumineuze mineralen bevatten (zoals omschreven in aantekening 2 op dit hoofdstuk), ook indien gemengd met water. Tot deze afvalstoffen behoren onder meer:

a. olie die niet langer geschikt is voor zijn oorspronkelijke gebruik (bijvoorbeeld afgewerkte smeerolie, afgewerkte hydraulische olie en afgewerkte transformatorolie);

b. slib afkomstig uit opslagtanks van aardolie, dat hoofdzakelijk dergelijke olie bevat en een hoge concentratie additieven (bijvoorbeeld chemicaliën) van de soort gebruikt bij het vervaardigen van primaire producten;

c. oliën in de vorm van emulsies in water of van mengsels met water, zoals die afkomstig van het lekken van olie, van het reinigen van opslagtanks of van het gebruik van boor-, draai- of snijoliën bij machinale bewerkingen.

1. Aanvullende aantekeningen IDR

1.

Voor de toepassing van onderverdeling 2701.11 wordt als ‘antraciet’ aangemerkt, steenkool met een gehalte aan vluchtige stoffen (berekend op het droge, mineraalvrije product) van niet meer dan 14%.

2.

2.

Voor de toepassing van onderverdeling 2701.12 wordt als ‘bitumineuze steenkool’ aangemerkt, steenkool met een gehalte aan vluchtige stoffen (berekend op het droge, mineraalvrije product) van meer dan 14% en met een calorische waarde (berekend op het vochtige, mineraalvrije product) van 5833 kcal/g of meer.

3.

3.

Voor de toepassing van de onderverdelingen 2707.10, 2707.20, 2707.30 en 2707.40 worden als ‘benzol (benzeen)', ‘toluol (tolueen)', ‘xylol (xylenen)', en ‘naftaleen' aangemerkt, producten die respectievelijk meer dan 50 gewichtspercenten benzeen, tolueen, xyleen of naftaleen bevatten.

4

4 (4).

Voor de toepassing van onderverdeling 2710.12 worden als ‘lichte oliën en preparaten’ aangemerkt, de oliën en preparaten die, distillatieverliezen inbegrepen, voor ten minste 90% van hun volume overdistilleren bij 210 °C, een en ander bepaald volgens de methode ISO 3405, die gelijkwaardig is aan de methode ASTM D 86.

1 t/m 3
Gereserveerd
4
Jurisprudentie

Een mengsel in de vorm van een vloeistof met een lichtgele tot lichtbruine kleur, bevattende bij gewicht, kerosine (50%) en paraffine (50%, moet onder post 27.10 worden ingedeeld. Zie tarifering IDR 2710.19/2 op post 27.10 in aant. 4 op die post.

Twee mengsels op basis van lichte-oliënpetroleumdistillaat, in de vorm van en vloeistof, kleurloos, helder, en klaar voor gebruik als schoonmaakmiddel voor afdrukkers, zoals hierna omschreven, moeten onder meer met toepassing van Aanvullende aantekening 4 IDR op hoofdstuk 27, onder onderverdeling 2710 1221 worden ingedeeld. Het betreft de twee volgende mengsels:
- lichte-oliënpetroleumdistillaat (97 gewichtspercenten) met een geëthoxyleerde alcoholester als een niet-ionisch tensioactief middel (3 gewichtspercenten);
- lichte-oliënpetroleumdistillaat (92 gewichtspercenten) met een geëthoxyleerde alcoholester als een niet-ionisch tensioactief middel (8 gewichtspercenten).
Zie conclusie 189e vergadering op post 27.10 in aant. 4 op die post.

 

5.

5.

Voor de toepassing van de onderverdelingen bedoeld bij post 2710 wordt als ‘biodiesel’ aangemerkt monoalkylesters van vetzuren van de soort die als brandstof wordt gebruikt, verkregen uit dierlijke, plantaardige of microbiële vetten en oliën, ook indien gebruikt.

Aanvullende aantekening EG (1)
1
Nadere verwijzing

Tenzij anders aangegeven worden onder ASTM-methoden verstaan de methoden die door de American Society for Testing and Materials zijn aanvaard. Noot in de gecombineerde nomenclatuur.

1.

1.

Voor de toepassing van onderverdeling 2707 9980 worden als ‘fenolen' aangemerkt, producten die meer dan 50 gewichtspercenten fenolen bevatten.

2

2.

Voor de toepassing van post 27.10 worden aangemerkt als:

a. ‘speciale lichte oliën' (onderverdelingen 2710 1221 en 2710 1225): de lichte oliën omschreven onder Aanvullende aantekening 4 op dit hoofdstuk, die geen antiklopmiddelen bevatten en waarvan het verschil tussen de temperatuur waarbij, distillatieverliezen inbegrepen, 5% van hun volume overdistilleert, en de temperatuur waarbij, distillatieverliezen inbegrepen, 90% van hun volume overdistilleert, niet meer bedraagt dan 60 °C;
b. ‘white spirit' (onderverdeling 2710 1221): de onder a hiervoor bedoelde speciale lichte oliën, waarvan het ontvlammings-punt, bepaald volgens de methode EN ISO 13736, boven 21 °C ligt;
c. ‘halfzware oliën' (onderverdelingen 2710 1911 tot en met 2710 1929): de oliën en preparaten die, distillatieverliezen inbegrepen, voor minder dan 90% bij 210 °C en voor ten minste 65% bij 250 °C van hun volume overdistilleren, een en ander bepaald volgens de methode ISO 3405 (gelijkwaardig met de methode ASTM D 86);
d. 'zware oliën' (onderverdelingen 2710 1931 tot en met 2710 1999 en 2710 2011 tot en met 2710 2090): de oliën en preparaten die, distillatieverliezen inbegre¬pen, voor minder dan 65% van hun volume overdistilleren bij 250 °C, een en ander bepaald volgens de methode ISO 3405 (gelijkwaardig met de methode ASTM D 86), of waarvan het distillatiepercentage bij 250 °C volgens deze methode niet kan worden vastgesteld;
e. ‘gasolie' (onderverdelingen 2710 1931 tot en met 2710 1948 en 2710 2011 tot en met 2710 2019): de onder d hiervoor bedoelde zware oliën die, distillatieverliezen inbegrepen, voor ten minste 85% van hun volume overdistilleren bij 350 °C, een en ander bepaald volgens de methode ISO 3405 (gelijkwaardig met de methode ASTM D 86);
f. 'stookolie' (onderverdelingen 2710 1951 tot en met 2710 1967 en 2710 2032 tot en met2710 2038): de onder d hiervoor bedoelde zware oliën, andere dan gasolie, bedoeld onder e hiervoor, die gelet op de kleur na verdunning (K) een viscositeit (V) hebben, welke
- hetzij gelijk is aan of lager is dan de waarden van regel I van de onderstaande tabel, indien het gehalte aan sulfaatas, bepaald volgens de methode ISO 3987, minder bedraagt dan 1% en indien het verzepingscijfer, bepaald volgens de methode ISO 6293-1 of ISO 6293-2, lager is dan 4 (behalve wanneer het product één of meer biocomponenten bevat, in welk geval de vereiste in dit streepje dat het verzepingsgetal lager moet zijn dan 4, niet van toepassing is)
(8);
- hetzij hoger is dan de waarden van regel II van onderstaande tabel, indien het vloeipunt, bepaald volgens de methode ASTM D 97, 10 °C of meer bedraagt;
- hetzij ligt tussen de waarden vermeld in de regels I en II van onderstaande tabel of gelijk is aan de waarden van regel II van die tabel, indien zij, voor ten minste 25% van hun volume overdistilleren bij 300 °C, bepaald volgens de methode ISO 3405 (gelijkwaardig met de methode ASTM D 86) of, indien zij voor minder dan 25% van hun volume overdistilleren bij 300 °C, wanneer hun vloeipunt, hoger is dan minus 10 °C; bepaald volgens de methode ISO 3016; dit is uitsluitend van toepassing op oliën met een kleur na verdunning (K) die lager is dan 2.
Vergelijkingstabel kleur na verdunning (K)/viscositeit (V)

Kleur (K)

 

0

0,5

1

1,5

2

2,5

3

3.5

4

4,5

5

5,5

6

6,5

7

7,5 en meer

Viscositeit (V)

I

4

4

4

5,4

9

15,1

25,3

42,4

71,1

119

200

335

562

943

1580

2650

 

II

7

7

7

7

9

15,1

25,3

42,4

71,1

119

200

335

562

943

1580

2650

Onder 'viscositeit (V)' wordt verstaan, de kinematische viscositeit bij 50 °C, uitgedrukt in 10-6m2s-1, bepaald volgens de methode EN ISO 3104.

Onder ‘kleur na verdunning (K)’ wordt verstaan de kleur, bepaald volgens de methode ISO 2049 (gelijkwaardig met de methode ASTM D 1500), die het product heeft verkregen na verdunning van één volume-eenheid met xyleen, tolueen of een ander geschikt oplosmiddel tot 100 volume-eenheden. De kleur moet dadelijk na de verdunning van het product worden bepaald.
Onder ‘biocomponenten’ worden dierlijke of plantaardige vetten, dierlijke of plantaardige oliën of monoalkylesters van vetzuren (FAMAE) verstaan.
De kleur van de stookolie bedoeld bij de onderverdelingen 2710 1951 tot en met 2710 1967 en 2710 2032 tot en met 2710 2038 moet een natuurlijke zijn.
Deze onderverdelingen omvatten niet de onder d hiervoor bedoelde zware oliën waarvoor niet kan worden vastgesteld:
- hetzij het distillatiepercentage (nul wordt hierbij ook als een percentage beschouwd) bij 250 °C, bepaald volgens de methode ISO 3405 (gelijkwaardig met de methode ASTM D 86);
- hetzij de kinematische viscositeit bij 50 °C, een en ander bepaald volgens de methode EN ISO 3104;
- hetzij de kleur na verdunning (K), bepaald volgens de methode ISO 2049 (gelijkwaardig met de methode ASTM D 1500).
Deze producten worden ingedeeld onder de onderverdelingen 2710 1971 tot en met 2710 1999 of 2710 2090.
g. ‘bevat biodiesel' houdt in dat de producten van onderverdeling 2710 20 een minimumgehalte bevatten aan biodiesel, d.w.z. monoalkylesters van vetzuren (FAMAE) van de soort die als brandstof wordt gebruikt, van 0,5 volumepercent (bepaald volgens de methoden EN 14078).

 

1 t/m 4
Gereserveerd
6 en 7
Gereserveerd
8
Jurisprudentie

Bij de analyse van aardolieproducten dient in een voorkomend geval de wettelijk voorgeschreven analysemethode ASTM D 939-54 te worden toegepast. Belanghebbende had gesteld dat deze methode onnauwkeurig was en dat er een meer nauwkeurige en meer moderne methode bestond. Daar echter in een noot op deze Aanvullende aantekening EG in het GDT exact is voorgeschreven welke methode moet worden toegepast, had de TC geen enkele keus. TC 2 december 1994, nr. 12 751 (UTC 1995/6). OT.

Noot. De methode ASTM D 939-54 is per 1 januari 2010 vervangen door de methode ISO 6293-1 of ISO 6293-2.

3.

3.

Voor de toepassing van post 27.12 wordt als ‘ruwe vaseline’ (onderverdeling 2712 1010) aangemerkt, vaseline met een natuurlijke kleur van meer dan 4,5, bepaald volgens de methode ISO 2049 (gelijkwaardig met de methode ASTM D 1500).

4.

4.

Voor de toepassing van de onderverdelingen 2712 9031 tot en met 2712 9039 worden als ‘ruw’ aangemerkt, de producten:

a. met een oliegehalte van ten minste 3,5 gewichtspercenten, indien de viscositeit bij 100 °C, bepaald volgens de methode EN ISO 3104, minder dan 9 x 10–6m2s–1 bedraagt; of

b. met een natuurlijke kleur van meer dan 3, bepaald volgens de methode ISO 2049 (gelijkwaardig met de methode ASTM D 1500), indien de viscositeit bij 100 °C, bepaald volgens de methode EN ISO 3104, ten minste 9 × 10–6m2s–1 bedraagt.

5

5 (1).

Onder ‘aangewezen behandeling’ in de zin van de posten 27.10, 27.11 en 27.12 worden de volgende bewerkingen verstaan:

a. vacuümdistillatie (2);

b. herdistillatie volgens een proces van ver doorgevoerde splitsing (4);

c. kraken (5);

d. reforming (6);

e. extractie met behulp van selectieve oplosmiddelen (7);

f. een bewerking bestaande uit alle navolgende behandelingen: behandelen met geconcentreerd zwavelzuur, met rokend zwavelzuur of met zwavelzuuranhydride, neutraliseren met behulp van alkalische stoffen, ontkleuren en zuiveren met behulp van van nature actieve aarde, van geactiveerde aarde, van actieve koolstof of van bauxiet;

g. polymeriseren (9);

h. alkyleren (10);

ij. isomeriseren (11);

k. uitsluitend voor de producten van de onderverdelingen 2710 1931 tot en met 2710 1999: ontzwavelen met gebruikmaking van waterstof, waardoor het zwavelgehalte van de behandelde producten met ten minste 85% wordt verlaagd (methode EN ISO 20846, EN ISO 20884 of EN ISO 14596 of EN ISO 24260, EN ISO 20847 en EN ISO 8754);

l. uitsluitend voor de producten van post 27.10: ontparaffineren, anders dan door enkel filtreren (15);

m. uitsluitend voor de producten van de onderverdelingen 2710 1931 tot en met 2710 1999: behandelen met waterstof, uitgezonderd ontzwavelen, waarbij de waterstof actief deelneemt aan een scheikundige reactie die, met behulp van een katalysator, onder een druk van meer dan 20 bar en bij een temperatuur van meer dan 250 °C wordt teweeggebracht. Eindbehandeling met waterstof van smeeroliën bedoeld bij de onderverdelingen 2710 1971 tot en met 2710 1999, die in het bijzonder ten doel heeft de kleur of de stabiliteit te verbeteren (bijvoorbeeld ‘hydrofinishing’ of ontkleuren), wordt daarentegen niet aangemerkt als een aangewezen behandeling;

n. uitsluitend voor de producten van de onderverdelingen 2710 1951 tot en met  2710 1967: atmosferische distillatie (16), mits deze producten, distillatie- verliezen inbegrepen, voor minder dan 30% van hun volume overdistilleren bij 300 °C, een en ander bepaald volgens de methode ISO 3405 (gelijkwaardig met de methode ASTM D 86). Wanneer deze producten, distillatieverliezen inbegrepen, voor 30% of meer van hun volume overdistilleren bij 300 °C, een en ander bepaald volgens de methode ISO 3405 (gelijkwaardig met de methode ASTM D 86), worden de hoeveelheden producten, die eventueel bij de atmosferische distillatie worden verkregen en die vallen onder de onderverdelingen 2710 1211 tot en met 2710 1290 of 2710 1911 tot en met 2710 1929, onderworpen aan de rechten opgenomen bij de onderverdelingen 2710 1962 tot en met  2710 1967, berekend naar de soort en de waarde van de gebruikte producten en op basis van het nettogewicht van de verkregen producten. Deze bepaling is niet van toepassing op de verkregen producten, die bestemd zijn om, binnen een termijn van ten hoogste zes maanden en onder andere door de bevoegde autoriteiten vast te stellen voorwaarden en bepalingen, een aangewezen behandeling te ondergaan of om chemisch te worden verwerkt volgens een andere werkwijze dan een aangewezen behandeling (18);

o. uitsluitend voor de producten van de onderverdelingen 2710 1971 tot en met 2710 1999: behandelen met gebruikmaking van hoogfrequente glimontlading;

p. uitsluitend voor de producten van onderverdeling 2712 9031: olieafscheiding door gefractioneerde kristallisatie.

Indien aan de vorengenoemde behandelingen op technische gronden een voorbehandeling moet voorafgaan, geldt de vrijstelling alleen voor de hoeveelheden producten die bestemd zijn om aan bovengenoemde aangewezen behandelingen te worden onderworpen en deze behandelingen ook werkelijk ondergaan; de vrijstelling geldt eveneens voor de eventuele verliezen bij de voorbehandeling.

1
Toelichting EG
1. Afgezien van het bepaalde in Aanvullende aantekening 5 n EG, geldt de vrijstelling voor het totaal van de producten die aan een ‘aangewezen behandeling’ worden onderworpen. Indien bijvoorbeeld een aardolieproduct aan een alkylatie of polymerisatie wordt onderworpen, geldt de vrijstelling ook voor dat gedeelte, dat niet daadwerkelijk wordt omgezet (dat wil zeggen niet wordt gealkyleerd of gepolymeriseerd).

2. Indien aan de ‘aangewezen behandeling’ een voorbehandeling moet voorafgaan (zie de laatste alinea van Aanvullende aantekening 5 EG) dient aan twee voorwaarden te zijn voldaan om vrijstelling te verkrijgen:

a. het ingevoerde product moet werkelijk een voeding zijn, bestemd om een ‘aangewezen behandeling’ te ondergaan, bijvoorbeeld de voeding voor het kraakproces;

b. de voorbehandeling moet technisch noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van een ‘aangewezen behandeling’.

Als noodzakelijke voorbehandelingen van producten bestemd om een ‘aangewezen behandeling’ te ondergaan, kunnen bijvoorbeeld worden genoemd:

a. het ontgassen;

b. het drogen;

c. het verwijderen van bepaalde lichte of zware stoffen die de behandeling zouden kunnen verstoren;

d. het verwijderen of het omzetten van mercaptanen (het zoeten of sweetening), van andere zwavelverbindingen of van andere voor de behandeling schadelijke stoffen;

e. het neutraliseren;

f. het decanteren;

g. het ontzouten.

Over bij de voorbehandeling verkregen producten die niet worden onderworpen aan een ‘aangewezen behandeling’, dient het invoerrecht te worden geheven dat geldt voor producten ‘bestemd voor ander gebruik’, naar de soort en de waarde van de ingevoerde producten en op basis van het nettogewicht van de verkregen producten.

2
Toelichting EG

Onder vacuümdistillatie wordt verstaan de distillatie onder een druk van niet meer dan 400 mbar, gemeten aan de top van de kolom.

3
Gereserveerd
4
Toelichting EG

Onder herdistillatie volgens een proces van ver doorgevoerde splitsing wordt verstaan een distillatieproces (uitgezonderd ‘topping’) in industriële, al dan niet continu werkende installaties, waarbij distillaten van de onderverdelingen 2710 1211 tot en met 2710 1948, 2711 1100, 2711 1291 tot en met 2711 1900, 2711 2100 en 2711 2900 (andere dan propaan met een zuiverheid van 99% of meer) als voeding worden gebruikt om de volgende producten te verkrijgen:

1. geïsoleerde koolwaterstoffen met een hoge zuiverheidsgraad (90% of meer voor onverzadigde koolwaterstoffen en 95% of meer voor andere koolwaterstoffen), waarbij mengsels van isomeren van eenzelfde organische verbinding als geïsoleerde koolwaterstoffen worden beschouwd.

Er wordt op gewezen dat slechts die behandelingen zijn toegestaan waarbij ten minste drie producten worden verkregen; deze beperking geldt niet voor het scheiden van isomeren. In dit verband wordt ethylbenzeen als een isomeer van xyleen beschouwd;

2. producten van de onderverdelingen 2707 1000 tot en met 2707 3000, 2707 5000 en 2710 1211 tot en met 2710 1948:

a. waarvan het eindkookpunt van de ene fractie en het beginkookpunt van de volgende fractie elkaar niet overlappen en waarvan het verschil tussen de temperaturen waarbij – distillatieverliezen inbegrepen – 5% en 90% van het volume overdistilleert (methode EN ISO 3405 (gelijkwaardig aan methode ASTM D 86)), niet meer bedraagt dan 60 °C;

b. waarvan het eindkookpunt van de ene fractie en het beginkookpunt van de volgende fractie elkaar overlappen en waarvan het verschil tussen de temperaturen waarbij – distillatieverliezen inbegrepen – 5% en 90% van het volume overdistilleert (methode EN ISO 3405 (gelijkwaardig aan methode ASTM D 86)), niet meer bedraagt dan 30 °C.

5
Toelichting EG

Onder kraken wordt verstaan de industriële behandeling waarbij door warmte, met of zonder druk alsmede met of zonder gebruik van katalysatoren, de moleculen van aardolieproducten worden gebroken en hun chemische structuur wordt veranderd, waarbij vooral mengsels van lichtere koolwaterstoffen worden verkregen die bij normale temperatuur en normale druk vloeibaar of gasvormig zijn.

De belangrijkste kraakbehandelingen zijn:

1. thermisch kraken;

2. katalytisch kraken;

3. stoomkraken voor de vervaardiging van gasvormige koolwaterstoffen;

4. hydrokraken (kraakbehandeling in aanwezigheid van waterstof);

5. dehydrogeneren;

6. dealkyleren;

7. verkooksen (coking);

8. kraken om de viscositeit te verlagen (visbreaking).

6
Toelichting EG

Onder reforming wordt verstaan de thermische of ook katalytische behandeling van lichte of halfzware oliën ter verhoging van hun gehalte aan aromaten. Katalytische reforming wordt bijvoorbeeld toegepast voor de omzetting van lichte oliën uit de eerste distillatie in lichte oliën met een hoger octaangetal (met een hoog gehalte aan aromatische koolwaterstoffen) of in een mengsel van koolwaterstoffen die benzeen, tolueen, xyleen, ethylbenzeen, enz., bevatten.

In het bijzonder kan worden genoemd de katalytische reforming met platina als katalysator.

7
Toelichting EG

Onder extractie met behulp van selectieve oplosmiddelen wordt verstaan de behandeling waarbij groepen van stoffen met een verschillende moleculaire structuur met behulp van bijzondere, selectief werkende oplosmiddelen (furfurol, fenol, dichloorethylether, zwaveldioxide, nitrobenzeen, ureum en bepaalde ureumderivaten, aceton, propaan, methylethylketon, methylisobutylketon, glycol, N-methylmorfoline, enz.) van elkaar worden gescheiden.

8
Gereserveerd
9
Toelichting EG

Onder polymeriseren wordt verstaan de industriële behandeling waarbij onverzadigde koolwaterstoffen al dan niet met behulp van warmte en al dan niet met gebruikmaking van katalysatoren, tot een of meer van hun polymeren of copolymeren worden samengevoegd.

10
Toelichting EG

Onder alkyleren wordt verstaan iedere thermische of katalytische reactie waarbij onverzadigde koolwaterstoffen een verbinding aangaan met ongeacht welke andere koolwaterstoffen, in het bijzonder met isoparaffinen of met aromaten.

11
Toelichting EG

Onder isomeriseren wordt verstaan de wijziging van de structuur van de bestanddelen van aardolieproducten, zonder dat de brutoformule van de bestanddelen wordt gewijzigd.

12 t/m 14
Gereserveerd
15
Toelichting EG

Van de wasverwijderingsbehandelingen in de zin van deze Aanvullende aantekening EG kunnen bijvoorbeeld worden genoemd het verwijderen van was:

1. door afkoeling (met of zonder oplosmiddelen);

2. met behulp van microbiologische processen;

3. met behulp van ureum;

4. met behulp van moleculaire zeven.

16
Toelichting EG

Onder atmosferische distillatie wordt verstaan de distillatie onder een druk van ongeveer 1013 mbar, gemeten aan de top van de kolom.

17
Gereserveerd
18
Bijzondere bestemming

De uitvoering van deze Aanvullende aantekening EG, voor zover betreft verkregen producten bestemd om binnen een termijn van ten hoogste zes maanden een aangewezen behandeling te ondergaan of opnieuw chemisch te worden verwerkt, is geregeld bij artikel 254 DWU (vergunning) (zie onderdeel V. Bijzondere bestemmingen).

Zie hetgeen is vermeld in aant. 12 op post 27.10.

6

6 (1; 2).

De hoeveelheden producten, die eventueel worden verkregen bij de chemische verwerking of bij de voorbehandeling, indien deze op technische gronden moet voorafgaan en welke vallen onder de posten 27.10 en 27.11 en de onderverdelingen 2707 1000, 2707 2000, 2707 3000, 2707 5000, 2712.10, 2712.20, 2712 9031 tot en met 2712 9099 en 2713.90, worden onderworpen aan de rechten, opgenomen voor producten ‘bestemd voor ander gebruik’, berekend naar de soort en de waarde van de gebruikte producten en op basis van het nettogewicht van de verkregen producten. Deze bepaling is niet van toepassing op de onder de posten 27.10, 27.11 en 27.12 vallende producten, indien deze bestemd zijn om, binnen een termijn van ten hoogste zes maanden en onder andere door de bevoegde autoriteiten vast te stellen voorwaarden en bepalingen, een aangewezen behandeling te ondergaan of om opnieuw chemisch te worden verwerkt.

1
Toelichting EG

1. Onder ‘chemische verwerking’ wordt verstaan iedere behandeling die ten doel heeft de moleculaire structuur van een of meer bestanddelen van het bewerkte aardolieproduct te wijzigen.

Als ‘chemische verwerking’ wordt bijvoorbeeld niet aangemerkt het enkel vermengen van een aardolieproduct met een ander aardolieproduct of met een ander product. De toevoeging van white spirit aan een verfstof, of de toevoeging van een smeerolie aan een drukinkt beantwoordt dus niet aan de definitie ‘chemische verwerking’. Hetzelfde geldt voor ieder gebruik van aardolieproducten als oplosmiddel, motorbrandstof of andere brandstof.

2. Voorbeelden van ‘chemische verwerkingen’

a. behandeling met halogenen of met halogeenverbindingen:

i. reactie met het in gasvormige aardolieproducten aanwezige propyleen, voor de vervaardiging van organische derivaten (bijvoorbeeld voor de vervaardiging van propyleenoxide);

ii. bewerking van aardoliefracties (benzine, kerosine, gasolie), paraffine, minerale wassen of paraffinehoudende residuen met chloor of chloorverbindingen voor de vervaardiging van chloorparaffinen.

b. behandeling met basen (natronloog, kaliloog, ammoniak, enz.) voor de vervaardiging van nafteenzuren.

c. behandeling met zwavelzuur of met zwavelzuuranhydride voor:

i. de vervaardiging van sulfonaten;

ii. de extractie of vervaardiging van isobutyleen;

iii. het sulfoneren van gasoliën en smeeroliën.

De vrijstelling van douanerechten geldt niet voor oliën die na het sulfoneren zijn toegevoegd.

d. sulfochlorering.

e. hydratering, bijvoorbeeld voor de vervaardiging van alcoholen door omzetting van de in gasvormige aardoliefracties aanwezige onverzadigde koolwaterstoffen.

f. behandeling met maleïnezuuranhydride, bijvoorbeeld behandeling van butadieenbevattende gasvormige aardoliefracties met vier koolstofatomen, voor de vervaardiging van tetrahydroftaalzuur.

g. behandeling met fenol, bijvoorbeeld reactie met onverzadigde koolwaterstoffen in aanwezigheid van een katalysator, voor de vervaardiging van alkylfenolen.

h. oxidatie:

i. oxidatie van zware oliën voor de vervaardiging van geblazen bitumen van onderverdeling 2713 2000;

ii. oxidatie van ongeacht welke aardolieproducten voor de vervaardiging van chemisch gewijzigde producten, zuren, aldehyden, ketonen, alcoholen, enz., zoals bijvoorbeeld oxidatie van lichte fracties onder druk en bij verhoogde temperatuur voor de vervaardiging van azijnzuur, mierezuur, propionzuur en barnsteenzuur.

ij. dehydrogenering, bijvoorbeeld van:

i. naftenen voor de vervaardiging van aromatische koolwaterstoffen (bijvoorbeeld benzol);

ii. paraffinen voor de vervaardiging van vloeibare onverzadigde koolwaterstoffen die bijvoorbeeld worden gebruikt voor de vervaardiging van biologisch afbreekbare alkylbenzenen.

k. oxosynthese.

l. opneming volgens een niet-omkeerbaar proces van zware oliën in hoogpolymeren (latex van natuurlijke of synthetische rubber, butylrubber, polystyreen, enz.).

m. vervaardiging van de producten bedoeld bij post 28.03.

n. nitreren voor de vervaardiging van nitroderivaten.

o. biologische bewerking van bepaalde, n-paraffine bevattende aardoliefracties voor de vervaardiging van proteïnen of andere samengestelde organische producten.

2
Bijzondere bestemming

De uitvoering van deze Aanvullende aantekening EG, voor zover betreft verkregen producten bestemd om binnen een termijn van ten hoogste zes maanden een aangewezen behandeling te ondergaan of opnieuw chemisch te worden verwerkt, is geregeld bij artikel 254 DWU (vergunning) (zie onderdeel V. Bijzondere bestemmingen).

Zie hetgeen is vermeld in aant. 12 op post 27.10.

Bijlagen

Bijlage A. Methode voor de bepaling van het gehalte aan aromatische bestanddelen in producten waarvan het distillatie eindpunt boven 315 ºC ligt

1. Toepassingsgebied
 
Deze testmethode betreft de bepaling van het gehalte aan aromatische en niet-aromatische bestanddelen in minerale oliën.
 
2. Definitie
 
2.1. Aromatische bestanddelen: het in oplosmiddel opgeloste en aan silicagel geadsorbeerde gedeelte van het monster De aromatische bestanddelen kunnen het volgende bevatten: aromatische koolwaterstoffen, gecondenseerde nafteenaromaten, aromatische olefines, asfaltenen, aromatische verbindingen die zwavelzuur, stikstof, zuurstof en polaire aromatische verbindingen bevatten.
 
2.2. Niet-aromatische bestanddelen: het gedeelte van het monster dat niet aan silicagel geadsorbeerd is en dat door het oplosmiddel geëlueerd is (zoals niet-aromatische koolwaterstoffen).
 
3. Principe van de methode 

Het in n-pentaan opgeloste monster wordt in een speciale, met silicagel gevulde chromatografiekolom gepercoleerd. De met oplosmiddel geëlueerde niet-aromatische bestanddelen worden vervolgens opgevangen en na verdamping van het oplosmiddel door weging kwantitatief bepaald.
Monsters die niet in n-pentaan oplossen, moeten worden opgelost in cyclohexaan.
 
4. Apparatuur en reagentia
 
Chromatografiekolom: een glazen buis met afmetingen en vorm als weergegeven in de hierna opgenomen tekening. De bovenste opening moet kunnen worden afgesloten met een glazen verbindingsstuk, waarvan het vlakke, matgepolijste randoppervlak door middel van twee met rubber beklede metalen klemmen welke op de kolom wordt bevestigd. De afsluiting moet in verband met het gebruik van stikstof- of luchtdruk volledig dicht zijn.
Silicagel: korrelgrootte 200 mesh of meer. Het moet voor het gebruik gedurende zeven uur in een droogoven bij 170°C worden geactiveerd; daarna in een exsiccator laten afkoelen. Na activering moet de silicagel binnen een paar dagen worden gebruikt.
Oplosmiddel I n-pentaan: zuiverheidsgraad ten minste 95%, vrij van aromaten.
Oplosmiddel II cyclohexaan: zuiverheidsgraad ten minste 98%, vrij van aromaten.
 
5. Procedure 1 (chromatografiekolom 1)
 
Bereiding van de monsteroplossing: los ongeveer 3,6 g (nauwkeurig gewogen) van het monster op in 10 ml n-pentaan (I). Indien het monster niet oplosbaar is in n-pentaan, wordt cyclohexaan gebruikt en wordt de bepaling met cyclohexaan (II) in plaats van n-pentaan (I) uitgevoerd.
De chromatografiekolom (chromatografiekolom 1) wordt tot ongeveer 10 cm onder de bolvormige uitstulping gevuld met het vooraf geactiveerde silicagel, waarbij de inhoud van de kolom met behulp van een vibrator zorgvuldig wordt geschud, teneinde vorming van kanaaltjes te voorkomen. Vervolgens wordt in het gedeelte boven de silicagelkolom een propje glaswol aangebracht.
De silicagel wordt vooraf bevochtigd met 180 ml oplosmiddel (I) of (II) en van bovenaf onder lucht- of stikstofdruk gezet totdat de vloeistofspiegel het bovenste niveau van het silicagel bereikt.
Nadat de druk in de kolom voorzichtig is weggenomen, wordt een hoeveelheid van ongeveer 3,6 g (gewogen met een nauwkeurigheid van 2 decimalen) van het monster, opgelost in 10 ml oplosmiddel (I) of (II), in de kolom gebracht; vervolgens wordt het gebruikte bekerglas omgespoeld met nog eens 10 ml oplosmiddel (I) of (II)), dat eveneens in de kolom wordt gebracht.
De druk wordt geleidelijk opgevoerd totdat de vloeistof druppelsgewijze uit de capillaire buis onderaan de kolom vloeit met een snelheid van ongeveer 1 ml per minuut; deze vloeistof wordt opgevangen in een glazen kolf met een inhoud van 500 ml.
Wanneer het niveau van de vloeistof die de af te scheiden substantie bevat tot het bovenste niveau van het silicagel zakt, wordt de druk opnieuw voorzichtig weggenomen en wordt 230 ml oplosmiddel (I) of (II) toegevoegd; dan wordt de druk onmiddellijk opnieuw opgevoerd en de vloeistofspiegel verlaagd tot het bovenste niveau van het silicagel, waarbij het eluaat in dezelfde kolf als hiervoor genoemd wordt opgevangen.
Alvorens het niveau van de vloeistof die de af te scheiden substantie bevat tot het bovenste niveau van het silicagel zakt, wordt het eluaat aan de hand van FT-IR gecontroleerd op de aanwezigheid van aromaten. Indien het eluaat uitsluitend alifatische koolwaterstoffen bevat, wordt na het wegnemen van de druk nogmaals 50 ml oplosmiddel (I) of (II) toegevoegd. Herhaal deze stap indien nodig.
De opgevangen fractie wordt bij ongeveer 35°C in een vacuümoven of in een roterende vacuümverdamper of soortgelijk apparaat tot een gering volume ingedampt; vervolgens wordt dit residue kwantitatief overgebracht in een getarreerde bekerglas, waarbij meer oplosmiddel (I) of (II) wordt gebruikt.
De inhoud van het bekerglas wordt in een vacuümoven bij 35°C verdampt tot een constant gewicht (W). Het verschil tussen de twee laatste wegingen mag niet groter zijn dan 0,01 g. De tijd tussen de twee wegingen moet minstens 30 minuten zijn.
Het aantal gewichtspercenten niet-aromatische bestanddelen (A) wordt berekend met de volgende formule:
A = W/W1*100
waarbij W1 het gewicht van het onderzochte monster voorstelt.
Het verschil ten opzichte van 100 is het percentage van de door de silicagel geabsorbeerde aromatische bestanddelen.
 
6. Nauwkeurigheid van de methode
 
Herhaalbaarheid : 5%.
Reproduceerbaarheid : 10%.
 
7. Procedure 2 (chromatografiekolom 2)
 
Bereiding van de monsteroplossing: los ongeveer 0,9 g (nauwkeurig gewogen) van het monster op in 2,5 ml n-pentaan (I). Indien het monster niet oplosbaar is in n-pentaan, wordt cyclohexaan gebruikt en wordt de bepaling met cyclohexaan (II) in plaats van n-pentaan (I) uitgevoerd.
De chromatografiekolom (chromatografiekolom 2) wordt tot ongeveer 2,5 cm onder de bolvormige uitstulping gevuld met het vooraf geactiveerde silicagel, waarbij de inhoud van de kolom met behulp van een vibrator zorgvuldig wordt geschud, teneinde vorming van kanaaltjes te voorkomen. Vervolgens wordt in het gedeelte boven de silicagelkolom een propje glaswol aangebracht.
Het silicagel wordt vooraf bevochtigd met 45 ml oplosmiddel (I) of (II) en van bovenaf onder lucht- of stikstofdruk gezet totdat de vloeistofspiegel het bovenste niveau van het silicagel bereikt.
Nadat de druk in de kolom voorzichtig is weggenomen, wordt een hoeveelheid van ongeveer 0,9 g (gewogen met een nauwkeurigheid van 2 decimalen) van het monster, opgelost in 2,5 ml oplosmiddel (I) of (II), in de kolom gebracht; vervolgens wordt het gebruikte bekerglas omgespoeld met nog eens 2,5 ml oplosmiddel (I) of (II)), dat eveneens in de kolom wordt gebracht.
De druk wordt geleidelijk opgevoerd totdat de vloeistof druppelsgewijze uit de capillaire buis onderaan de kolom vloeit met een snelheid van ongeveer 1 ml per minuut; deze vloeistof wordt opgevangen in een glazen kolf met een inhoud van 250 ml.
Wanneer het niveau van de vloeistof die de af te scheiden substantie bevat tot het bovenste niveau van het silicagel is gezakt, wordt de druk opnieuw voorzichtig weggenomen en wordt 57,5 ml oplosmiddel (I) of (II) toegevoegd; dan wordt de druk onmiddellijk opnieuw opgevoerd en wordt de vloeistofspiegel verlaagd tot het bovenste niveau van het silicagel, waarbij het eluaat in dezelfde kolf als hiervoor genoemd wordt opgevangen.
Alvorens het niveau van de vloeistof, die de af te scheiden substantie bevat, tot het bovenste niveau van het silicagel zakt, wordt het eluaat aan de hand van FT-IR gecontroleerd op de aanwezigheid van aromaten. Indien het eluaat uitsluitend alifatische koolwaterstoffen bevat, wordt na het wegnemen van de druk nogmaals 12,5 ml oplosmiddel (I) of (II) toegevoegd. Herhaal deze stap indien nodig.
De opgevangen fractie wordt bij ongeveer 35°C in een vacuümdroogoven of in een roterende vacuümverdamper of soortgelijk apparaat tot een gering volume ingedampt; vervolgens wordt dit residue kwantitatief overgebracht in een getarreerd bekerglas, waarbij meer oplosmiddel (I) of (II) wordt gebruikt.
De inhoud van het bekerglas wordt in een vacuümoven bij at 35°C verdampt tot een constant gewicht (W). Het verschil tussen de twee laatste wegingen mag niet groter zijn dan 0,01 g. De tijd tussen de twee wegingen moet minstens 30 minuten zijn.
Het aantal gewichtspercenten niet-aromatische bestanddelen (A) wordt berekend met de volgende formule:
A = W/W1*100
waarbij W1 het gewicht van het onderzochte monster voorstelt.
Het verschil ten opzichte van 100 is het percenten van de door de silicagel geabsorbeerde aromatische bestanddelen.
 
8. Nauwkeurigheid van de methode
 
Herhaalbaarheid : 5%.
Reproduceerbaarheid : 10%.
 
Chromatografiekolom 1

 

Chromatografiekolom 2

 

 

Bijlage B. Methode voor de bepaling van het stollingspunt van naftaleen

Ongeveer 100 g naftaleen wordt in een porseleinen schaal met een capaciteit van ongeveer 100 cm3 onder voortdurend roeren gesmolten.

Ongeveer 40 cm3 van de gesmolten substantie wordt in een voorverwarmde ‘Shukoff’-kolf gedaan, zodat deze voor 3/4 gevuld is. Vervolgens wordt een thermometer met een schaalverdeling in tienden van graden door een kurken stop hierin zo aangebracht, dat het kwikbolletje zich in het midden van de vloeistof bevindt. Wanneer de temperatuur gedaald is tot in de nabijheid van het stollingspunt van naftaleen (ongeveer 83 °C), wordt door voortdurend schudden de kristallisatie op gang gebracht. Zodra zich de eerste kristallen vormen, komt de kwikkolom gewoonlijk tot stilstand, waarna deze weer gaat dalen. De temperatuur waarbij de kolom tot rust komt en enige tijd blijft staan, wordt afgelezen en, met inachtneming van een correctiefactor voor de boven de kurk uitstekende kwikkolom, als het stollingspunt van naftaleen aangegeven.

De correctie kan voor kwikthermometers gesteld worden op n (t - t') 6000 Hierin stelt n het aantal schaalverdelingen voor van de boven de kurk uitstekende kwikkolom, t de afgelezen temperatuur en t' de gemiddelde temperatuur van de boven de kurk uitstekende kwikkolom. t' kan bij benadering worden bepaald met een hulpthermometer, waarvan het kwikbolletje zich halverwege de uitstekende kwikkolom bevindt. Het gebruik van een capillaire thermometer kan een grotere precisie geven.

De hieronder afgebeelde ‘Shukoff’-kolf is een dubbelwandige glazen kolf met vacuümisolatie.


1. Dit hoofdstuk omvat niet:

a. geïsoleerde chemisch welbepaalde organische verbindingen; deze uitzondering heeft geen betrekking op zuiver methaan en op zuiver propaan, die onder post 27.11 worden ingedeeld;

b. geneesmiddelen bedoeld bij de posten 30.03 en 30.04;

c. gemengde onverzadigde koolwaterstoffen bedoeld bij de posten 33.01, 33.02 en 38.05.

2. De uitdrukkingen 'aardolie' en 'olie uit bitumineuze mineralen', die gebezigd zijn in de tekst van post 27.10, worden geacht niet alleen betrekking te hebben op aardolie en op olie uit bitumineuze mineralen, doch eveneens op soortgelijke olie en op hoofdzakelijk uit gemengde onverzadigde koolwaterstoffen bestaande olie, waarin het gewicht van de niet-aromatische bestanddelen dat van de aromatische bestanddelen overtreft, ongeacht de wijze waarop deze producten zijn verkregen.

Deze uitdrukkingen hebben echter geen betrekking op vloeibare synthetische polyolefinen, die voor minder dan 60% van hun volume overdistilleren bij 300 ºC, herleid tot een druk van 1.013 millibar met toepassing van een lagedrukdistillatiemethode (hoofdstuk 39).

3. Voor de toepassing van post 27.10 worden als 'afvalolie' aangemerkt, afvalstoffen die hoofdzakelijk aardolie of olie uit bitumineuze mineralen bevatten (zoals omschreven in aantekening 2 op dit hoofdstuk), ook indien gemengd met water. Tot deze afvalstoffen behoren onder meer:

a) olie die niet langer geschikt is voor zijn oorspronkelijk gebruik (bijvoorbeeld afgewerkte smeerolie, afgewerkte hydraulische olie en afgewerkte transformatorolie);

b) slib afkomstig uit opslagtanks van aardolie, dat hoofdzakelijk dergelijke olie bevat en een hoge concentratie additieven (bijvoorbeeld chemicaliën) van de soort gebruikt bij het vervaardigen van primaire producten;

c) oliën in de vorm van emulsies in water of van mengsels met water, zoals die afkomstig van het lekken van olie, van het reinigen van opslagtanks of van het gebruik van boor-, draai-, of snijoliën bij machinale bewerkingen.

AANVULLENDE AANTEKENINGEN

1. Voor de toepassing van onderverdeling 27.01.11 wordt als 'antraciet' aangemerkt, steenkool met een gehalte aan vluchtige stoffen (berekend op het droge, mineraalvrije product) van niet meer dan 14%.

2. Voor de toepassing van onderverdeling 27.01.12, wordt als 'bitumineuze steenkool' aangemerkt, steenkool met een gehalte aan vluchtige stoffen (berekend op het droge, mineraalvrije product) van meer dan 14% en met een calorische waarde (berekend op het vochtige, mineraalvrije product) van 5.833 kcal/kg of meer.

3. Voor de toepassing van de onderverdelingen 27.07.10, 27.07.20, 27.07.30 en 27.07.40 worden als 'benzol (benzeen)', 'toluol (tolueen)', 'xylol (xylenen)' aangemerkt, producten die respectievelijk meer dan 50 gewichtspercenten benzeen, tolueen, xyleen of naftaleen bevatten.

4. Voor de toepassing van onderverdeling 2710 12 worden als „lichte oliën en preparaten' aangemerkt, de oliën en preparaten die, distillatieverliezen inbegrepen, voor ten minste 90 % van hun volume overdistilleren bij 210 °C, een en ander bepaald volgens de methode ISO 3405, die gelijkwaardig is aan de methode ASTM D 86.

5. Voor de toepassing van de onderverdelingen bedoeld bij post 27.10 wordt als ‘biodiesel' aangemerkt monoalkylesters van vetzuren van de soort die als brandstof worden gebruikt, verkregen uit dierlijke, plantaardige of microbiële vetten en oliën, ook indien gebruikt.

 

AANVULLENDE AANTEKENING (GN)

(Noot: Tenzij anders aangegeven wordt onder 'methode' de laatste versie verstaan van de determinatiemethoden die door de Europese Commissie voor Normalisatie, de Internationale Organisatie voor Normalisatie (ISO) of de American Society for Testing and Materials (ASTM) zijn aanvaard.)

1. Voor de toepassing van onderverdeling 2707 9980 worden als ‘fenolen' aangemerkt, producten die meer dan 50 gewichtspercenten fenolen bevatten.

2. Voor de toepassing van post 27.10 worden aangemerkt als:

a. ‘speciale lichte oliën' (onderverdelingen 2710 12 21 en 2710 12 25), de lichte oliën omschreven onder aanvullende aantekening 4 op dit hoofdstuk, die geen antiklopmiddelen bevatten en waarvan het verschil tussen de temperatuur waarbij, distillatieverliezen inbegrepen, 5 % van hun volume overdistilleert, en de temperatuur waarbij, distillatieverliezen inbegrepen, 90 % van hun volume overdistilleert, niet meer bedraagt dan 60 °C;

b. ‘white spirit' (onderverdeling 2710 1221): de onder a hiervoor bedoelde speciale lichte oliën, waarvan het ontvlammings-punt, bepaald volgens de methode EN ISO 13736, boven 21 °C ligt;

c. ‘halfzware oliën' (onderverdelingen 2710 1911 tot en met 2710 1929): de oliën en preparaten die, distillatieverliezen inbegrepen, voor minder dan 90% bij 210 °C en voor ten minste 65% bij 250 °C van hun volume overdistilleren, een en ander bepaald volgens de methode ISO 3405 (gelijkwaardig met de methode ASTM D 86);

d. 'zware oliën' (onderverdelingen 2710 1931 tot en met 2710 1999 en 2710 2011 tot en met 2710 2090): de oliën en preparaten die, distillatieverliezen inbegre¬pen, voor minder dan 65% van hun volume overdistilleren bij 250 °C, een en ander bepaald volgens de methode ISO 3405 (gelijkwaardig met de methode ASTM D 86), of waarvan het distillatiepercentage bij 250 °C volgens deze methode niet kan worden vastgesteld;
 

e. ‘gasolie' (onderverdelingen 2710 1931 tot en met 2710 1948 en 2710 2011 tot en met 2710 2019): de onder d hiervoor bedoelde zware oliën die, distillatieverliezen inbegrepen, voor ten minste 85% van hun volume overdistilleren bij 350 °C, een en ander bepaald volgens de methode ISO 3405 (gelijkwaardig met de methode ASTM D 86);

f. 'stookolie' (onderverdelingen 2710 1951 tot en met 2710 1968 en 2710 2031 tot en met 2710 2039): de onder d hiervoor bedoelde zware oliën, andere dan gasolie, bedoeld onder e hiervoor, die gelet op de kleur na verdunning (K) een viscositeit (V) hebben, welke

- hetzij gelijk is aan of lager is dan de waarden van regel I van onderstaande tabel, indien het gehalte aan sulfaatas, bepaald volgens de methode ISO 3987, minder bedraagt dan 1 % en indien het verzepingsgetal, bepaald volgens de methode ISO 6293-1 of ISO 6293-2, lager is dan 4 (behalve wanneer het product één of meer biocomponenten bevat, in welk geval de vereiste in dit streepje dat het verzepingsgetal lager moet zijn dan 4, niet van toepassing is);

- hetzij hoger is dan de waarden van regel II van onderstaande tabel, indien het vloeipunt, bepaald volgens de methode ASTM D 97, 10 °C of meer bedraagt;

- hetzij ligt tussen de waarden vermeld in de regels I en II van onderstaande tabel of gelijk is aan de waarden van regel II van die tabel, indien zij, voor ten minste 25% van hun volume overdistilleren bij 300 °C, bepaald volgens de methode ISO 3405 (gelijkwaardig met de methode ASTM D 86) of, indien zij voor minder dan 25% van hun volume overdistilleren bij 300 °C, wanneer hun vloeipunt, hoger is dan minus 10 °C; bepaald volgens de methode ISO 3016; dit is uitsluitend van toepassing op oliën met een kleur na verdunning (K) die lager is dan 2.

 

Vergelijkingstabel kleur na verdunning (K) / viscositeit (V)

Kleur (K) : 0; Viscositeit (V) regel I : 4; regel II : 7.

Kleur (K) : 0,5; Viscositeit (V) regel I : 4; regel II : 7.

Kleur (K) : 1; Viscositeit (V) regel I : 4; regel II : 7.

Kleur (K) : 1,5; Viscositeit (V) regel I : 5,4; regel II : 7.

Kleur (K) : 2; Viscositeit (V) regel I : 9; regel II : 9.

Kleur (K) : 2,5; Viscositeit (V) regel I : 15,1; regel II : 15,1.

Kleur (K) : 3; Viscositeit (V) regel I : 25,3; regel II : 25,3.

Kleur (K) : 3,5; Viscositeit (V) regel I : 42,4; regel II : 42,4.

Kleur (K) : 4; Viscositeit (V) regel I : 71,1; regel II : 71,1.

Kleur (K) : 4,5; Viscositeit (V) regel I : 119; regel II : 119.

Kleur (K) : 5; Viscositeit (V) regel I : 200; regel II : 200.

Kleur (K) : 5,5; Viscositeit (V) regel I : 335; regel II : 335.

Kleur (K) : 6; Viscositeit (V) regel I : 562; regel II : 562.

Kleur (K) : 6,5; Viscositeit (V) regel I : 943; regel II : 943.

Kleur (K) : 7; Viscositeit (V) regel I : 1580; regel II : 1580.

Kleur (K) : 7,5 en meer; Viscositeit (V) regel I : 2650; regel II : 2650.

Onder 'viscositeit (V)' wordt verstaan, de kinematische viscositeit bij 50 °C, uitgedrukt in 10-6 m2 s-1, bepaald volgens de methode EN ISO 3104.

Onder „kleur na verdunning (K)” wordt verstaan de kleur, bepaald volgens de methode ISO 2049 (gelijkwaardig met de methode ASTM D 1500), die het product heeft verkregen na verdunning van één volume-eenheid met xyleen, tolueen of een ander geschikt oplosmiddel tot 100 volume-eenheden. De kleur moet dadelijk na de verdunning van het product worden bepaald.

Onder „biocomponenten' worden dierlijke of plantaardige vetten, dierlijke of plantaardige oliën of monoalkylesters van vetzuren (FAMAE) verstaan.  

De kleur van de stookolie bedoeld bij de onderverdelingen 2710 1951 tot en met 2710 1968 en 2710 2031 tot en met 2710 2039 moet een natuurlijke zijn.

Deze onderverdelingen omvatten niet de onder d hiervoor bedoelde zware oliën waarvoor niet kan worden vastgesteld:

- hetzij het distillatiepercentage (nul wordt hierbij ook als een percentage beschouwd) bij 250 °C, bepaald volgens de methode ISO 3405 (gelijkwaardig met de methode ASTM D 86);

- hetzij de kinematische viscositeit bij 50 °C, een en ander bepaald volgens de methode EN ISO 3104;

- hetzij de kleur na verdunning (K), bepaald volgens de methode ISO 2049 (gelijkwaardig met de methode ASTM D 1500).

Deze producten worden ingedeeld onder de onderverdelingen 2710 1971 tot en met 2710 1999 of 2710 2090.

g. ‘bevat biodiesel' houdt in dat de producten van onderverdeling 2710 20 een minimumgehalte bevatten aan biodiesel, d.w.z. monoalkylesters van vetzuren (FAMAE) van de soort die als brandstof wordt gebruikt, van 0,5 volumepercent (bepaald volgens
de methoden EN 14078).

3. Voor de toepassing van post 27.12 wordt als ruwe vaseline (onderverdeling 27.12.1010) aangemerkt vaseline met een natuurlijke kleur van meer dan 4,5, bepaald volgens de methode ISO 2049 (gelijkwaardig met de methode ASTM D 1500).

4. Voor de toepassing van onderverdelingen 27.12.9031 t/m 27.12.9039 worden als 'ruw' aangemerkt de producten:

a. met een oliegehalte van ten minste 3,5 gewichtspercent, indien de viscositeit bij 100 oC, bepaald volgens de methode EN ISO 3104, minder dan 9x10-6m2s-1 bedraagt; of

b. met een natuurlijke kleur van meer dan 3, bepaald volgens de methode ISO 2049 (gelijkwaardig met de methode ASTM D 1500), indien de viscositeit bij 100 ºC, bepaald volgens de methode ASTM D 445, ten minste 9x10-6m2s-1 bedraagt.

5. Onder 'aangewezen behandeling' in de zin van de posten 27.10 tot en met 27.12 worden de volgende bewerkingen verstaan:

a. vacuümdistillatie;

b. herdistillatie volgens een proces van ver doorgevoerde splitsing;

c. kraken;

d. reforming;

e. extractie met behulp van selectieve oplosmiddelen;

f. een bewerking bestaande uit alle navolgende behandelingen: behandelen met geconcentreerd zwavelzuur, met rokend zwavelzuur of met zwavelzuuranhydride, neutraliseren met behulp van alkalische stoffen, ontkleuren en zuiveren met behulp van van nature actieve aarde, van geactiveerde aarde, van actieve koolstof of van bauxiet;

g.polymeriseren;

h.alkyleren;

ij.isomeriseren;

k.uitsluitend voor de producten van de onderverdelingen 27.10.1931 t/m 27.10.1999: ontzwavelen met gebruikmaking van waterstof, waardoor het zwavelgehalte van de behandelde producten met ten minste 85 % wordt ver-laagd (methode ASTM D 1 266-59 T);

l.uitsluitend voor de producten van post 27.10: ontparaffineren, anders dan door enkel filtreren;

m.uitsluitend voor de producten van de onderverdelingen 27.10.1931 t/m 27.10.1999 : behandelen met waterstof, uitgezonderd ontzwavelen, waarbij de waterstof actief deelneemt aan een scheikundige reactie die, met behulp van een katalysator, onder een druk van meer dan 20 bar en bij een tempera-tuur van meer dan 250 ºC wordt teweeggebracht. Eindbehandeling met waterstof van smeeroliën bedoeld bij de onderverdelingen 27.10.1971 t/m 27.10.1999, die in het bijzonder ten doel heeft de kleur of de stabiliteit te verbeteren (bijvoorbeeld 'hydrofinishing' of ontkleuren), wordt daarentegen niet aangemerkt als een aangewezen behandeling;

n.uitsluitend voor de producten van de onderverdelingen 27.10.1951 t/m 27.10.1968 : atmosferische distillatie, mits deze producten distillatieverliezen inbegrepen, voor minder dan 30 % van hun volume overdistilleren bij 300ºC, een en ander bepaald volgens de methode ASTM D 86. Wanneer deze producten, distillatieverliezen inbegrepen, voor 30 % of meer van hun volume overdistilleren bij 300 ºC, een en ander bepaald volgens de methode ASTM D 86, worden de hoeveelheden producten, die eventueel bij de atmosferische distillatie worden verkregen en die vallen onder de onderverdelingen 27.10.1211 t/m 27.10.1290 of 27.10.1911 t/m 27.10.1929, onderworpen aan de rechten opgenomen bij onderverdelingen 27.10.1962 t/m 27.10.1968, berekend naar de soort en de waarde van de gebruikte producten en op basis van het nettogewicht van de verkregen producten. Deze bepaling is niet van toepassing op de verkregen producten, die bestemd zijn om, binnen een termijn van ten hoogste zes maanden en onder andere door de bevoegde autoriteiten vast te stellen voorwaarden en bepalingen, een aangewezen behandeling te ondergaan of om chemisch te worden verwerkt volgens een andere werkwijze dan een aangewezen behandeling;

o.uitsluitend voor de producten van de onderverdelingen 27.10.1971 t/m 27.10.1999 : behandelen met gebruikmaking van hoogfrequente glimontlading.

p.uitsluitend voor de producten van onderverdeling 27.12.9031: olieafscheiding door gefractioneerde kristallisatie.

Indien aan de vorengenoemde behandelingen op technische gronden een voorbehandeling moet voorafgaan, geldt de vrijstelling alleen voor de hoeveelheden producten die bestemd zijn om aan bovengenoemde aange-wezen behandelingen te worden onderworpen en deze behandelingen ook werkelijk ondergaan : de vrijstelling geldt eveneens voor de eventuele verliezen bij de voorbehandeling.

5.De hoeveelheden producten, die eventueel worden verkregen bij de chemische verwerking of bij de voorbehandeling, indien deze op technische gronden moet voorafgaan en welke vallen onder de posten 27.10 en 27.11 en de onderverdelingen 27.07.1010, 27.07.2010, 27.07.3010, 27.07.5010, 27.12.10, 27.12.20, 27.12.9031 t/m 27.12.9099, 27.13-.90 en 29.01.1010 worden onderworpen aan de rechten, opgenomen voor producten 'bestemd voor ander gebruik', berekend naar de soort en de waarde van de gebruikte producten en op basis van het nettogewicht van de verkregen producten. Deze bepaling is niet van toepassing op de onder de posten 27.10 t/m 27.12 vallende producten, indien deze bestemd zijn om, binnen een termijn van ten hoogste zes maanden en onder andere door de bevoegde autoriteiten vast te stellen voorwaarden en bepalingen, een aangewezen behandeling te onder-gaan of om opnieuw chemisch te worden verwerkt.

6. De hoeveelheden producten, die eventueel worden verkregen bij de chemische verwerking of bij de voorbehandeling, indien deze op technische gronden moet voorafgaan en welke vallen onder de posten 27.10 en 27.11 en de onderverdelingen 27.07.1000, 27.07.2000, 27.07.3000, 27.07.5000, 27.12.10, 27.12.20, 27.12.9031 t/m 27.12.9099 en 27.13.90 worden onderworpen aan de rechten, opgenomen voor producten 'bestemd voor ander gebruik', berekend naar de soort en de waarde van de gebruikte producten en op basis van het nettogewicht van de verkregen producten. Deze bepaling is niet van toepassing op de onder de posten 27.10 t/m 27.12 vallende producten, indien deze bestemd zijn om, binnen een termijn van ten hoogste zes maanden en onder andere door de bevoegde autoriteiten vast te stellen voorwaarden en bepalingen, een aangewezen behandeling te ondergaan of om opnieuw chemisch te worden verwerkt.