Hoofdstuk 89

Scheepvaart

1
Toelichting IDR

Dit hoofdstuk omvat schepen van alle soorten en voor alle doeleinden, al dan niet met eigen beweegkracht, alsmede allerlei drijvend materieel, zoals caissons, aanlegsteigers, meerboeien en andere boeien. Het omvat eveneens luchtkussenvoertuigen bestemd om zich over het water (zee, riviermondingen, meren) voort te bewegen, ook indien zij op stranden of op andere landingsplaatsen kunnen worden neergezet of zich over bevroren oppervlakken kunnen voortbewegen (zie Aantekening 5 IDR op afdeling XVII).

Dit hoofdstuk omvat eveneens:

A. schepen waaraan delen ontbreken of die niet afgewerkt zijn, zoals schepen zonder voortstuwingsmachines, navigatie-instrumenten, laad- en losgerei, meubelen;

B. scheepsrompen, ongeacht het materiaal waarvan zij zijn vervaardigd.

Schepen die niet compleet of niet afgewerkt zijn en scheepsrompen, al dan niet gemonteerd, alsmede complete schepen in niet-gemonteerde staat, worden ingedeeld als schepen van de soort waarvan zij de kenmerken dragen; bij twijfel daaromtrent worden zij onder post 89.06 ingedeeld.

Er wordt op gewezen dat, in tegenstelling tot hetgeen omtrent delen en toebehoren van transportmiddelen van de andere hoofdstukken van afdeling XVII is bepaald, delen (andere dan scheepsrompen) en toebehoren van schepen en van drijvend materieel, indien zij afzonderlijk worden vertoond, onverschillig of zij al dan niet als zodanig zijn te onderkennen, van dit hoofdstuk zijn uitgezonderd.

Bedoelde delen en toebehoren worden naar eigen aard en samenstelling ingedeeld.

Dat is onder meer het geval met:

1. delen en toebehoren omschreven in Aantekening 2 IDR op afdeling XVII;

2. roeiriemen (roeispanen), stuurriemen en peddels of pagaaien, van hout (post 44.21);

3. kabel en touw, van textielstoffen (post 56.07);

4. zeilen (post 63.06);

5. masten, luiken, railing en delen van scheepsrompen, die het karakter hebben van metalen constructiewerken bedoeld bij post 73.08;

6. kabels van ijzer of staal (post 73.12);

7. ankers van gietijzer, ijzer of staal (post 73.16);

8. scheepsschroeven en schepraderen of schoepenwielen (post 84.87);

9. roeren (posten 44.21, 73.25, 73.26, enz.) en andere stuurmachines en stuurinrichtingen (post 84.79).

Van dit hoofdstuk zijn eveneens uitgezonderd:

a. scheepsmodellen voor versieringsdoeleinden (bijvoorbeeld galjoenen en andere zeilschepen) (post 44.20, 83.06, enz.);

b. modellen voor demonstraties en maquettes (post 90.23);

c. torpedo’s, mijnen en dergelijke projectielen of munitie (post 93.06). Daarentegen blijven eenmansduikboten onder dit hoofdstuk ingedeeld;

d. speelwagens voor kinderen in de vorm van een schip en andere artikelen die het karakter van speelgoed hebben (post 95.03);

e. waterski’s en dergelijke artikelen (post 95.06);

f. delen en toebehoren voor draaimolens en andere kermisattracties, zoals kleine bootjes voor draaimolens, rutschbanen (post 95.08);

g. antiquiteiten, zijnde voorwerpen ouder dan 100 jaar (post 97.06).

Amfibiemotorvoertuigen en luchtkussenvoertuigen die zich zowel te land als over water kunnen verplaatsen, worden ingedeeld als motorvoertuigen (hoofdstuk 87). Watervliegtuigen vallen onder post 88.02. Algemene opmerkingen.

1. Aantekening IDR

1. Schepen die niet compleet of niet afgewerkt zijn en scheepsrompen, ook indien in gedemonteerde of niet-gemonteerde staat, alsmede complete schepen in gedemonteerde of niet-gemonteerde staat, worden bij twijfel omtrent de soort van schepen waartoe zij behoren, onder post 89.06 ingedeeld.

1
Aanvullende aantekeningen EG

1 (1; 3; 4). De onderverdelingen 8901 1010, 8901 2010, 8901 3010, 8901 9010, 8902 0010, 8903 2210, 8903 2310, 8903 3210, 8904 0091 en 8906 9010, hebben alleen betrekking op schepen, ontworpen en gebouwd voor de vaart in volle zee en waarvan de grootste buitenwerks gemeten lengte van de romp (uitstekende delen niet medegerekend) 12 m of meer is. Voor de vaart in volle zee ontworpen en gebouwde vissersvaartuigen en reddingsboten en -schepen worden echter steeds als zeeschepen aangemerkt, ongeacht hun lengte.

1
Toelichting EG

Als ‘schepen ontworpen en gebouwd voor de vaart in volle zee’ worden beschouwd de schepen die zodanig zijn gebouwd en uitgerust dat zij bij moeilijke weersomstandigheden (ongeveer windkracht 7, volgens de schaal van Beaufort) op zee kunnen verblijven. Dergelijke schepen hebben gewoonlijk een dek en een opbouw, die ook bij zwaar weer waterdicht zijn.

Onder ‘grootste buitenwerks gemeten lengte van de romp’ moet worden verstaan de lengte van de romp gemeten tussen het voorste punt van de boeg en het achterste punt van het achterschip, de al dan niet met de romp tot één vorm verwerkte uitstekende delen (bijvoorbeeld roer, boegspriet, hengelplatform of duikplank) niet inbegrepen.

Als ‘zeeschepen’ worden eveneens aangemerkt de vaartuigen en luchtkussenvaartuigen die aan bovenstaande voorwaarden voldoen, ook indien zij voornamelijk worden gebruikt in kustwateren, in riviermondingen, op meren, enz.

Voorts wordt erop gewezen dat:

1. schepen met een lengte van minder dan 12 meter die ontworpen en gebouwd zijn voor de vaart in volle zee, slechts dan als ‘visserijvaartuigen’ worden aangemerkt indien zij op grond van hun bouw en uitrusting voor de beroepsvisserij geschikt zijn, ook indien zij bijkomstig voor tochtjes op zee worden gebruikt;

2. als ‘reddingsboten en -schepen’ worden aangemerkt zowel de aan boord van zeeschepen geplaatste vaartuigen waarmede bij schipbreuk de opvarenden het schip kunnen verlaten, als de langs de kusten gestationeerde reddingsvaartuigen, die schepen in nood te hulp komen.

2
Gereserveerd
3
EG Verordening

Een catamaran ontworpen voor het vervoer van passagiers op rivieren, in riviermondingen of in kustwateren kan niet worden aangemerkt als een ‘schip ontworpen en gebouwd voor de vaart in volle zee'. Zie Verordening nr. 652/2007, punt 3, in aant. 3 op post 89.01.

4
Jurisprudentie

Een casco van een schip moet met toepassing van algemene bepaling 2 a voor de toepassing van de gecombineerde nomenclatuur als een zeeschip worden ingedeeld. Zie TC 14 december 1994, nr. 13 061, in aant. 8 op onderverdeling 8901 1010.

Scheepscasco’s welke na de invoer zijn afgebouwd maar voor binnenvaartschepen zijn ontworpen en gebouwd voor de vaart op binnenwateren, moeten naargelang hun aard (tankschip of motorvrachtschip) onder onderverdeling 8901 2090 (tankschepen) of 8901 9090 (motorvrachtschepen) worden ingedeeld. Zie DK 11 juni 2015, nrs. 13/00397 en 13/00398, in aant. 8 op onderverdeling 8901 1010.

In cassatie oordeelt de HR dat de DK ten onrechte ervan is uitgegaan dat algemene bepaling 2 a van de gecombineerde nomenclatuur van toepassing is. Om te kunnen oordelen dat de scheepscasco’s niet zijn ontworpen en gebouwd voor de vaart op volle zee, moet vaststaan dat de scheepscasco’s ten tijde van de invoer niet beschikten over de objectieve kenmerken en eigenschappen om als romp te dienen van een schip dat bij zware weersomstandigheden lading over volle zee kan vervoeren.
Opmerking verdient dat uit de certificaten op zichzelf niet volgt dat de scheepscasco’s niet als zeeschepen kunnen worden ingedeeld onder onderverdeling 8901 2010 onderscheidenlijk onderverdeling 8901 9010. De certificaten bevestigen weliswaar dat de casco’s geschikt zijn voor de binnenvaart, maar zonder nadere motivering, die ontbreekt, is niet begrijpelijk waarom dat de conclusie rechtvaardigt dat de scheepscasco’s niet zijn ontworpen of gebouwd om te dienen als romp van een zeeschip. De scheepscasco’s moeten met toepassing van de algemene bepalingen worden ingedeeld en de HR verwijst terug naar de DK om deze toets (opnieuw) aan te leggen en tot een oordeel te komen over de indeling van de scheepscasco’s. Zie HR 30 juni 2017, nrs. 15/02923 en 15/02967, in aant. 8 op onderverdeling 8901 1010.

Aanvullende aantekening 1 EG op hoofdstuk 89 moet aldus worden uitgelegd dat het in deze aanvullende aantekening gebezigde begrip ‘schepen, ontworpen en gebouwd voor de vaart in volle zee’ zich niet uitstrekt tot schepen waarmee ten gevolge van de eigenschappen die inherent zijn aan de bouw ervan, bij moeilijke weersomstandigheden tot slechts ongeveer 21 zeemijl uit de kust kan worden gevaren. Zie HvJ 11 maart 2020, nr. C-192/19, in aant. 8 op onderverdeling 8901 1010.

In uitspraak na verwijzing door de HR en rekening houdend met het antwoord op de prejudiciële vraag aan het Hof (zie HvJ 11 maart 2020, nr. C-192/19 hiervoor), heeft de DK geoordeeld dat de scheepscasco’s in kwestie naargelang van het geval onder onderverdeling 8901 2090 of 8901 9099 moeten worden ingedeeld. Deze casco’s beschikten ten tijde van de invoer niet over de objectieve kenmerken en eigenschappen welke noodzakelijk zijn om te kunnen dienen als romp van een schip waarmee ‘waar dan ook op zee’ kan worden gevaren. DK 3 december 2020, nrs. 17/00404 en 17/00405 (Douanerechtspraak 2021/41).
Noot. Met ingang van 1 januari 2011 is GN-code 8901 9099 vervallen. Thans is GN-code 8901 9090 van toepassing.

2.

2 (4). De onderverdelingen 8905 1010 en 8905 9010, hebben alleen betrekking op schepen, drijvende werktuigen en drijvende droogdokken, die ontworpen en gebouwd zijn voor het gebruik of de vaart in volle zee.

1 t/m 3
Gereserveerd
4
Jurisprudentie

Een drijvende parkeergarage werd door de TC onder post 94.06 ingedeeld. Een beroep op post 89.05 werd verworpen omdat het ingevoerde goed niet meer de wezenlijke kenmerken van een schip of van een ander goed van post 89.05 had. Zie TC 17 september 1996, nr. 13 385, in aant. 4 op post 94.06.

3.

3. Voor de toepassing van post 89.08 omvat de uitdrukking ‘sloopschepen en ander drijvend materieel bestemd voor de sloop’ eveneens, indien zij gelijktijdig met het te slopen materieel worden aangeboden en voor zover zij deel hebben uitgemaakt van hun normale uitrusting, de volgende artikelen:

- reserveonderdelen (zoals schroeven), ook in nieuwe staat;

- losse inventaris (meubelen, keukengerei, vaatwerk, enz.) voor zover deze duidelijk sporen van gebruik vertonen.


SCHEEPVAART

 

AANTEKENING

1. Schepen die niet compleet of niet afgewerkt zijn en scheepsrompen, ook indien in gedemonteerde of niet-gemonteerde staat, alsmede complete schepen in gedemonteerde of niet-gemonteerde staat, worden bij twijfel omtrent de soort van schepen waartoe zij behoren, onder post 89.06, ingedeeld.

AANVULLENDE AANTEKENINGEN (GN)

1. De onderverdelingen 8901 10 10, 8901 20 10, 8901 30 10, 8901 90 10, 8902 00 10, 8903 22 10, 8903 92 10, 8903 23 10, 8903 32 10, 8903 33 10, 8904 00 91 en 8906 90 10 hebben alleen betrekking op schepen, ontworpen en gebouwd voor de vaart in volle zee en waarvan de grootste buitenwerks gemeten lengte van de romp (uitstekende delen niet meegerekend) 12 m of meer is. Voor de vaart in volle zee ontworpen en gebouwde vissersvaartuigen en reddingsboten en -schepen worden echter steeds als zeeschepen aangemerkt, ongeacht hun lengte.

2. De onderverdelingen 89.05.1010 en 89.05.9010, hebben alleen betrekking op schepen, drijvende werktuigen en drijvende droogdokken, die ontworpen en gebouwd zijn voor het gebruik of de vaart in volle zee.

3. Voor de toepassing van post 89.08 omvat de uitdrukking 'sloopschepen en ander drijvend materieel bestemd voor de sloop' eveneens, indien zij gelijktijdig met het te slopen materieel worden aangeboden en voor zover zij deel hebben uitgemaakt van hun normale uitrusting, de volgende artikelen:

- reserveonderdelen (zoals schroeven), ook in nieuwe staat,

- losse inventaris (meubelen, keukengerei, vaatwerk, enz.) voor zover deze duidelijk sporen van gebruik vertonen.

1
Toelichting IDR

I. Algemene reikwijdte van de afdeling

Deze afdeling omvat rollend materieel voor spoor- en tramwegen en voor luchtkussentreinen met geleidebanen (hoofdstuk 86), automobielen en andere voertuigen voor vervoer over land met inbegrip van luchtkussenvervoermiddelen (hoofdstuk 87), toestellen voor de lucht- en ruimtevaart (hoofdstuk 88), schepen, luchtkussenvaartuigen en ander drijvend materiaal (hoofdstuk 89), echter met uitzondering van:

a. bepaalde mobiele toestellen en machines (zie onder II hierna);

b. modellen bestemd voor het geven van demonstraties, bedoeld bij post 90.23;

c. speelgoed, bepaalde artikelen voor de wintersport en speciaal ingerichte voertuigen voor kermisattracties, zoals kinderfietsjes (andere dan gewone fietsen), pedaalauto’s, speelgoedboten en speelgoedvliegtuigen (post 95.03), sleden, bobsleden en dergelijke (post 95.06) en autoscooters (post 95.08).

Naast de eigenlijke voertuigen omvat deze afdeling ook de artikelen die in de tekst van bepaalde posten zijn genoemd, zoals containers en dergelijke laadkisten, vast materieel voor spoor- en tramwegen en mechanische (inbegrepen de elektromechanische) signaaltoestellen (hoofdstuk 86), valschermen, de toestellen en inrichtingen voor het lanceren en landen van luchtvaartuigen en dergelijke, evenals de toestellen voor vliegoefeningen op de grond (hoofdstuk 88).

Met inachtneming van de in aant. 1 op de Aantekeningen 2 en 3 IDR vermelde uitzonderingen, heeft deze afdeling ook betrekking op delen en toebehoren van voertuigen of van andere artikelen, voor zover deze voertuigen en artikelen genoemd of begrepen zijn onder de hoofdstukken 86 tot en met 88.

II. Machines met eigen beweegkracht en andere mobiele machines

Machines, toestellen en apparaten, en met name degene die onder afdeling XVI worden ingedeeld, zijn veelal gemonteerd op een onderstel van een voertuig of op drijvend materieel bedoeld bij afdeling XVII. De indeling van het aldus verkregen geheel is afhankelijk van verschillende factoren en in het bijzonder van de aard van het gebezigde onderstel.

Onder hoofdstuk 89 vallen bijvoorbeeld mobiele machines, al dan niet met eigen beweegkracht, bestaande uit een op drijvend materieel gemonteerde machine of toestel (drijvende bokken, drijvende kranen, drijvende graanelevators, enz.). Voor de mobiele machines en toestellen, bestaande uit een arbeidsmachine die gemonteerd is op een spoorwagen of op een ander vervoermiddel wordt verwezen naar de toelichtingen IDR op de posten 86.04, 87.01, 87.05, 87.09 en 87.16. Algemene opmerkingen, sub I en II.

1. Aantekeningen IDR

1 (1; 3; 4). Deze afdeling omvat niet de artikelen bedoeld bij de posten 95.03 en 95.08 en evenmin priksleden, bobsleden, tobogans en dergelijke (post 95.06).

1
Toelichting IDR

Onder de afdeling vallen niet:

a. bepaalde mobiele toestellen en machines (zie aant. 1 op het opschrift van afdeling XVII);

b. modellen bestemd voor het geven van demonstraties, bedoeld bij post 90.23;

c. speelgoed, bepaalde artikelen voor de wintersport en speciaal ingerichte voertuigen voor kermisattracties, zoals kinderfietsjes (andere dan gewone fietsen), pedaalauto’s, speelgoedboten en speelgoedvliegtuigen (post 95.03), sleden, bobsleden en dergelijke (post 95.06) en autoscooters (post 95.08). Algemene opmerkingen, sub I.

2
Gereserveerd
3
EG-verordeningen

Vliegers in de vorm van een rechthoekige parachute, zonder geraamte, moeten onder post 95.03 worden ingedeeld. Zie Verordening (EG) nr. 442/2000, punt 4, in aant. 3 op post 95.03.

Een bepaalde inklapbare step moet onder post 95.03 worden ingedeeld. Zie Verordening (EG) nr. 687/2002, punt 3, in aant. 3 op post 95.03.

4
Jurisprudentie

Een opblaasbare boot van vinyl, die in opgeblazen vorm enige gelijkenis vertoont met een auto van het type ‘Cadillac’, moet onder post 95.03 worden ingedeeld. Zie TC 10 juni 1991, nr. 12 646, in aant. 4 op post 95.03.

Een tweewielig voertuig (vouwstep) moet onder post 95.03 worden ingedeeld. Zie tarifering IDR 9503.00/3 op post 95.03 in aant. 4 op die post.

2.

2 (1). Als ‘delen’ en als ‘delen en toebehoren’ worden niet aangemerkt de navolgende artikelen, ook indien zij kennelijk voor vervoermaterieel bestemd zijn:

a. pakking, sluitringen en dergelijke artikelen, ongeacht de stof waarvan zij zijn vervaardigd (in te delen als werken van de stof waarvan zij zijn vervaardigd of onder post 84.84) en andere artikelen van niet-geharde gevulkaniseerde rubber (post 40.16) (3; 4);

b. delen voor algemeen gebruik in de zin van aantekening 2 op afdeling XV, van onedel metaal (afdeling XV) en dergelijke artikelen van kunststof (hoofdstuk 39) (5);

c. artikelen bedoeld bij hoofdstuk 82 (gereedschap);

d. artikelen bedoeld bij post 83.06;

e. machines, apparaten en toestellen, bedoeld bij de posten 84.01 tot en met 84.79, alsmede delen daarvan, andere dan de radiatoren voor de artikelen van deze afdeling; artikelen bedoeld bij posten 84.81 en 84.82, alsmede, voor zover het integrerende motordelen zijn, artikelen bedoeld bij post 84.83 (3);

f. elektrische machines, apparaten en uitrustingsstukken (hoofdstuk 85)(3);

g. artikelen bedoeld bij hoofdstuk 90 (10);

h. artikelen bedoeld bij hoofdstuk 91;

ij. wapens (hoofdstuk 93);

k. lichtarmaturen en verlichtingstoestellen en delen daarvan, bedoeld bij post 9405;

l. borstels die delen van voertuigen zijn (post 96.03).

1
Toelichting IDR

Onder de desbetreffende posten van deze afdeling worden niet ingedeeld – ook indien zij kennelijk bestemd zijn voor vervoermiddelen – delen en toebehoren, die bestaan uit:

1. pakking en dergelijke artikelen, ongeacht de grondstof (leder, rubber, karton, enz.), die worden ingedeeld als werken van stof waarvan zij zijn vervaardigd of onder post 84.84, evenals de andere artikelen van niet-geharde gevulkaniseerde rubber (bijvoorbeeld spatlappen en pedaalovertrekken) (post 40.16);

2. delen en toebehoren voor algemeen gebruik, zoals omschreven in Aantekening 2 IDR op afdeling XV, bijvoorbeeld kabels en kettingen (ook indien op lengte gesneden en voorzien van eindstukken, andere dan remkabels, gaskabels en dergelijke kabels geschikt voor gebruik in voertuigen bedoeld bij hoofdstuk 87), bouten en moeren, schroeven, sluitringen, splitpennen en splitbouten, spieën, veren en veerbladen, van onedele metalen (hoofdstukken 73 tot en met 76 en 78 tot en met 81) en soortgelijke artikelen van kunststof (hoofdstuk 39), sloten, garnituren en beslag, voor carrosserieën (bijvoorbeeld sierlijst in afgepaste en gevormde stukken voor carrosserieën, handvatten en scharnieren voor portieren, leuningen, voetsteunen, opvouwbare geraamten voor huiven en kappen, raamopeners), nummerplaten, nationaliteitsplaten, enz. (van onedele metalen, hoofdstuk 83; soortgelijke artikelen van kunststof, hoofdstuk 39);

3. moersleutels, schroefsleutels en ander gereedschap bedoeld bij hoofdstuk 82;

4. fietsbellen en andere artikelen, bedoeld bij post 83.06;

5. machines en toestellen die ingedeeld worden onder de posten 84.01 tot en met 84.79, alsmede delen daarvan, zoals:

a. stoomgeneratoren en hulptoestellen daarvoor (post 84.02 of 84.04);

b. gasgeneratoren, bijvoorbeeld voor automobielen (post 84.05);

c. stoomturbines (post 84.06);

d. motoren van alle soorten, ook indien voorzien van versnellingsmechanisme, en delen daarvan (posten 84.07 tot en met 84.12);

e. pompen, compressors en ventilatoren (post 84.13 of 84.14);

f. machines en apparaten voor de regeling van het klimaat in besloten ruimten (post 84.15);

g. mechanische toestellen voor het spuiten, verstuiven of verspreiden van vloeistoffen of poeder, alsmede blusapparaten (post 84.24);

h. hef-, hijs-, laad- en losmachines en -toestellen, alsmede machines en toestellen voor het hanteren van goederen (bijvoorbeeld takels, dommekrachten, dirkkranen), machines en toestellen voor het afgraven, egaliseren, schrapen, delven of boren van of in grond, mineralen of ertsen (post 84.25, 84.26, 84.28, 84.30 of 84.31);

ij. landbouwmachines en landbouwwerktuigen bedoeld bij post 84.32 of 84.33 (eggen, zaaimachines en andere landbouwuitrusting), ontworpen om op een voertuig te worden gemonteerd;

k. machines en toestellen, bedoeld bij post 84.74;

l. ruitenwissers met motor, bedoeld bij post 84.79;

6. andere artikelen van hoofdstuk 84, zoals:

a. kranen en dergelijke artikelen, bijvoorbeeld aftapkranen voor radiators, ventielen voor binnenbanden, enz. (post 84.81);

b. kogellagers, naaldlagers, rollagers en dergelijke lagers (post 84.82);

c. aandrijf- en overbrengingsorganen die intrinsieke delen van motoren zijn (bijvoorbeeld krukassen, nokkenassen, vliegwielen) bedoeld bij post 84.83;

7. elektrische machines en apparaten, alsmede elektrische uitrustingsstukken en toebehoren bedoeld bij hoofdstuk 85, zoals:

a. elektromotoren, elektrogeneratoren, transformatoren, enz. bedoeld bij post 85.01 of 85.04;

b. elektromagneten, elektromagnetische koppelingen, remmen, enz., bedoeld bij post 85.05;

c. elektrische accumulatoren (post 85.07);

d. elektrische ontstekings- en starttoestellen voor vonkontstekings- en compressieontstekingsmotoren en andere apparaten en toestellen bedoeld bij post 85.11;

e. elektrische verlichtingstoestellen of elektrische signaal- en waarschuwingstoestellen, elektrische ruitenwissers en elektrische toestellen om ijsafzetting op of het beslaan van ruiten tegen te gaan, voor rijwielen of motorvoertuigen (post 85.12), alsmede elektrische toestellen voor hoorbare of zichtbare signalen (post 85.31) en elektrische toestellen om ijsafzetting op of het beslaan van ruiten tegen te gaan, voor vliegtoestellen, rollend spoorwegmaterieel, vaartuigen en andere voertuigen dan rijwielen en motorvoertuigen (post 85.43);

f. elektrische verwarmingstoestellen voor automobielen, spoorwagens, vliegtoestellen, enz. (post 85.16);

g. microfoons, luidsprekers en laagfrequentversterkers (post 85.18);

h. zend- en ontvangtoestellen voor radiotelefonie, radiotelegrafie, radio-omroep, enz., bedoeld bij post 85.25 of 85.27;

ij. elektrische condensatoren (post 85.32);

k. zekeringen, schakelaars, stroomafnemers en andere stroomverzamelaars voor aandrijvingsmaterieel, alsmede andere apparaten en toestellen bedoeld bij post 85.35 of 85.36;

l. lampen voor elektrische verlichting, met inbegrip van ‘sealed beam’-lampen (post 85.39);

m. andere elektrische uitrustingsstukken, zoals geïsoleerd draad en kabel (kabelbundels daaronder begrepen) en werkstukken van grafiet of van andere koolstof voor elektrisch gebruik, ook indien voorzien van verbindingsstukken, isolatoren en isolerende werkstukken (posten 85.44 tot en met 85.48);

8. instrumenten, apparaten en toestellen bedoeld bij hoofdstuk 90, en in het bijzonder die, gebruikt voor de uitrusting van bepaalde voertuigen, zoals:

a. apparaten voor de fotografie of de cinematografie (post 90.06 of 90.07);

b. instrumenten, apparaten en toestellen voor de navigatie (post 90.14);

c. instrumenten, apparaten en toestellen voor de geneeskunde, de chirurgie, de tandheelkunde of voor de veeartsenijkunde (post 90.18);

d. röntgentoestellen en andere apparaten en toestellen van post 90.22;

e. manometers (post 90.26);

f. toerentellers, taximeters, snelheidsmeters, tachometers en andere apparaten en toestellen van post 90.29;

g. meet- of verificatie-instrumenten, -apparaten, -toestellen en -machines (post 90.31);

9. uurwerken, met name klokjes voor instrumentenborden (hoofdstuk 91);

10. wapens (hoofdstuk 93);

11. verlichtingstoestellen en delen daarvan (bijvoorbeeld seinlichten voor luchtvaartuigen of koplampen voor treinen) van post 94.05;

12. borstels voor de uitrusting van veegwagens (post 96.03). Algemene opmerkingen, sub III A.

2
Gereserveerd
3
EG-verordeningen

Aandrijfrupsbanden van gevulkaniseerde rubber, versterkt met dwarsstukken van metaal en met staaldraad, moeten onder post 40.16 worden ingedeeld. Zie Verordening (EG) nr. 442/2000, punt 1, in aant. 3 op post 40.16.

Een lcd-kleurenmodule moet met toepassing van Aantekening 2 f IDR op afdeling XVII onder post 85.29 worden ingedeeld. Zie Verordening (EU) nr. 274/2013 in aant. 3 op post 85.29.

Een zogenoemde body control module moet onder post 85.37 worden ingedeeld. Het betreft een elektronische besturingseenheid voor een werkspanning van niet meer dan 1000 V, bedoeld als deel van het elektronische besturingssysteem van een motorvoertuig, met afmetingen van circa 16 × 13 × 3 cm en omvattende:
- een besturingstoestel met een programmeerbaar geheugen met actieve en passieve componenten, bijvoorbeeld transistors, dioden, een processor, weerstanden, condensatoren en smoorspoelen,
- een ingebouwde ontvanger en een antenne die eraan is bevestigd.

De eenheid ontvangt signalen van manueel bediende knoppen en van sensoren (bijvoorbeeld regensensoren en fotosensoren), verwerkt deze en stuurt vervolgens verschillende toestellen in het voertuig aan, bijvoorbeeld de ruitenwissers, de ruitverwarming, de binnenverlichting, de voor- en achtermistlampen, de dagrijlichten. Zij stuurt ook de activering van signaleringssystemen aan, bijvoorbeeld verklikkers voor veiligheidsgordels en waarschuwingen voor te hoge snelheid.

Zij ontvangt signalen van de sleutel met afstandsbediening waardoor de deuren van het voertuig vergrendeld of ontgrendeld kunnen worden.

Indeling onder hoodfstuk 87 is uitgesloten vanwege het bepaalde in Aantekening 2 f IDR op afdeling XVII. Zie Verordening (EU) nr. 704/2013, punt 1, in aant. 3 op post 85.37.

Een zogenoemde automatische transmissie (ATM), zijnde een elektronische besturingseenheid voor een werkspanning van niet meer dan 1000 V, bedoeld als deel van het elektronische besturingssysteem van een motorvoertuig, met afmetingen van circa 8 × 6 × 3 cm, moet onder post 85.37 worden ingedeeld.

Zij omvat een besturingstoestel met actieve en passieve componenten, bijvoorbeeld transistors, dioden, een processor, weerstanden, condensatoren en smoorspoelen. Het besturingstoestel is niet programmeerbaar.

De eenheid ontvangt signalen van sensoren die de positie van de versnellingshendel registreren, verwerkt deze en stuurt vervolgens het schakelen van de automatische transmissie van het motorvoertuig naar de passende versnelling aan.

Indeling onder hoofdstuk 87 is uitgesloten vanwege het bepaalde in Aantekening 2 f IDR op afdeling XVII. Zie Verordening (EU) nr. 704/2013, punt 2, in aant. 3 op post 85.37.

Een zogenoemde smart key moet onder post 85.37 worden ingedeeld. Het betreft een elektronische besturingseenheid voor een werkspanning van niet meer dan 1000 V, bedoeld als deel van het elektronische besturingssysteem van een motorvoertuig, met afmetingen van circa 15 × 12 × 4 cm en omvattende:
- een besturingstoestel met een programmeerbaar geheugen met actieve en passieve componenten, bijvoorbeeld transistors, dioden, een processor, weerstanden, condensatoren en smoorspoelen,
- een ingebouwde ontvanger voor transpondercommunicatie (plaatsbepaling van de sleutel) tussen de sleutel en de eenheid.

De eenheid is verbonden met de antennes waarmee het voertuig is uitgerust en waardoor kan worden gedetecteerd of de sleutel zich in de nabijheid van het voertuig bevindt.

De eenheid ontvangt signalen van manueel bediende knoppen en van de antennes, verwerkt deze en stuurt vervolgens toestellen aan, bijvoorbeeld voor het vergrendelen of ontgrendelen van de voertuigdeuren of het starten van de motor. Zij stuurt ook de activering van signaleringssystemen aan, bijvoorbeeld de bedieningsfuncties voor een sleutelloze toegang, inclusief een akoestische waarschuwing wanneer de elektronische sleutel het voertuig heeft verlaten.

Indeling onder hoofdstuk 87 is uitgesloten vanwege het bepaalde in Aantekening 2 f IDR op afdeling XVII. Zie Verordening (EU) nr. 704/2013, punt 3, in aant. 3 op post 85.37.

Een radiator voor een motorvoertuig, uitgerust met koelribben en aan één zijde twee aansluitingen, een inlaat en een uitlaat, voor koelvloeistof, moet onder post 87.08 worden ingedeeld. 

Dit kubusvormige, van een aluminiumlegering vervaardigd artikel heeft afmetingen van ongeveer 370 × 194 × 42 mm en is ontworpen om in het koelsysteem van de motor te worden geplaatst (in het zogenaamde kleine koelcircuit) onder het dashboard van motorvoertuigen met zuigermotoren van de posten 87.01 tot en met 87.05.

Het artikel draagt de warmte die wordt opgenomen door de koelvloeistof (afkomstig van de motor van het voertuig) over aan de lucht. De verwarmde lucht wordt vervolgens naar de binnencabine van het voertuig gevoerd door middel van bijkomende toestellen, die niet samen met het artikel worden aangeboden. Het artikel stelt verder de motor in staat tijdens de opwarmfase zijn optimale bedrijfstemperatuur te bereiken

Het artikel vervult de functie van radiator voor artikelen bedoeld bij afdeling XVII (zie onder meer Aantekening 2 e IDR op afdeling XVII). Zie Verordening (EU) 2020/956 in aant. 3 op post 87.08.

 

4
Jurisprudentie

Rubberen remkoppen voor automobielen, van niet-geharde gevulkaniseerde rubber moeten onder post 40.16 worden ingedeeld. Zie tarifering IDR 4016.93/2 op post 40.16 in aant. 4 op die post.

5
Jurisprudentie

IJzeren crankspieën voor rijwielen moeten onder post 73.18 worden ingedeeld. Zie TC 11 april 1961, nr. 8414 T, in aant. 4 op post 73.18.

Expanders van ijzer voor rijwielsturen moeten onder post 73.18 worden ingedeeld. Zie TC 21 januari 1964, nr. 9624 T, in aant. 4 op post 73.18.

10
Jurisprudentie

Een zogenoemd moederbord (gedrukte schakeling) voor instrumentenpaneel van een voertuig moet onder meer met toepassing van Aantekening 2 IDR op afdeling XVII, onder post 90.29 worden ingedeeld. Zie tarifering IDR 9029.90/1 op post 90.29 in aant. 4 op die post.

3.

3 (1; 3; 4). Als ‘delen’ en ‘toebehoren’ in de zin van de hoofdstukken 86 tot en met 88 worden niet aangemerkt: delen en toebehoren waarvan niet kan worden onderkend dat zij uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd zijn voor voertuigen of voor artikelen bedoeld bij afdeling XVII. Indien een deel of een toebehoren beantwoordt aan de omschrijving van twee of meer posten van deze afdeling, moet het worden ingedeeld onder de post waarvan de omschrijving aansluit bij het voornaamste gebruik waarvoor dat deel of dat toebehoren zal dienen.

1
Toelichting IDR

Opgemerkt wordt dat delen (andere dan scheepsrompen) en toebehoren voor schepen en drijvend materieel niet worden ingedeeld onder hoofdstuk 89. Bijgevolg worden deze delen en toebehoren elders ingedeeld naar hun aard en samenstelling, zelfs indien als dusdanig herkenbaar. In alle andere hoofdstukken van deze afdeling worden delen en toebehoren van voertuigen, enz. onder hetzelfde hoofdstuk ingedeeld.

Om onder de desbetreffende posten van de hoofdstukken 86 tot en met 88 te kunnen worden ingedeeld, moeten delen en toebehoren aan de drie volgende voorwaarden voldoen:

a. niet zijn uitgezonderd door Aantekening 2 IDR op afdeling XVII (zie die Aantekening met de daarop geplaatste aant.);

b. kunnen worden onderkend, als uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd voor de artikelen bedoeld bij een der posten van de hoofdstukken 86 tot en met 88;

c. niet zijn bedoeld onder posten met een meer specifieke omschrijving elders in de nomenclatuur. Algemene opmerkingen, sub III, aanhef.

Begrip ‘uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd voor’

1. Delen en toebehoren, die zowel onder afdeling XVII als onder andere afdelingen kunnen worden ingedeeld.

Aantekening 3 IDR op deze afdeling bepaalt dat delen en toebehoren, die niet uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd zijn voor voertuigen van de hoofdstukken 86 tot en met 88, van deze hoofdstukken zijn uitgezonderd.

Op grond van deze Aantekening IDR wordt de indeling van delen en toebehoren, die zowel onder afdeling XVII als onder andere afdelingen kunnen vallen, bepaald door het gebruik dat daarvan in hoofdzaak wordt gemaakt. Zo worden bijvoorbeeld stuurinrichtingen, reminrichtingen en wielen die bruikbaar zijn voor tal van mobiele machines bedoeld bij hoofdstuk 84, maar die normaal voor voertuigen bedoeld bij hoofdstuk 87 geschikt zijn, onder afdeling XVII ingedeeld.

2. Delen en toebehoren die onder twee of meer posten van afdeling XVII zouden kunnen worden ingedeeld.

Bepaalde delen en bepaald toebehoren, zoals remmen, stuurinrichtingen, wielen en wielassen, kunnen zowel worden gebruikt voor automobielen als voor vliegtoestellen, motorrijwielen, enz. Deze artikelen moeten worden ingedeeld onder de post die betrekking heeft op delen en toebehoren van de voertuigen waarvoor zij in hoofdzaak worden gebruikt. Algemene opmerkingen, sub III B.

Post met de meest specifieke omschrijving

Delen en toebehoren moeten, ook wanneer kan worden onderkend dat zij voor vervoermaterieel bestemd zijn, van afdeling XVII worden uitgezonderd, indien zij elders meer specifiek zijn omschreven.

Dit is bijvoorbeeld het geval met:

1. profielen van niet-geharde gevulkaniseerde rubber, ook indien op lengte gesneden (post 40.08);

2. drijfriemen en drijfsnaren van gevulkaniseerde rubber (post 40.10);

3. rubberbanden (binnenbanden en buitenbanden, massieve banden, enz.) en velglinten, evenals verwisselbare loopvlakken voor rubberbanden (post 40.11 tot en met 40.13);

4. gereedschapstassen van leder, kunstleder, vulkanfiber, enz. (post 42.02);

5. netten voor rijwielen of luchtballons (post 56.08);

6. sleepkabels (post 56.09);

7. vloerbedekking van textielstof (hoofdstuk 57);

8. niet-omlijst veiligheidsglas, ook in de vorm van windschermen of van andere ruiten, voor auto- mobielen en andere voertuigen (post 70.07);

9. achteruitkijkspiegels (post 70.09 of hoofdstuk 90 – zie de desbetreffende toelichting IDR);

10. niet-omlijste glazen voor koplampen (post 70.14), en in het algemeen artikelen van glas bedoeld bij hoofdstuk 70;

11. buigzame assen voor snelheidsmeters of toerentellers (post 84.83);

12. zittingen voor voertuigen, bedoeld bij post 94.01. Algemene opmerkingen, sub III C.

2
Gereserveerd
3
EG-verordeningen

Een zogenoemd ‘opblaassysteem voor airbags’ moet, onder meer met toepassing van Aantekening 3 IDR op afdeling XVII, onder post 87.08 worden ingedeeld. Zie Verordening (EU) nr. 604/2011, punt 1, in aant. 3 op post 87.08.

Een zogenoemd ‘opblaassysteem voor airbags’ moet, onder meer met toepassing van Aantekening 3 IDR op afdeling XVII, onder post 87.08 worden ingedeeld. Zie Verordening (EU) nr. 604/2011, punt 2, in aant. 3 op post 87.08.

De helft van een behuizing van kunststof (ontworpen om te worden gebruikt als deel van de behuizing van het sluitmechanisme van de gesp van een veiligheidsgordel), moet onder post 39.26 worden ingedeeld. Het betreft een artikel met diverse gleuven en bevestigingselementen, zodanig gevormd en vervaardigd dat het op de andere helft kan worden geklemd, ter grootte van ongeveer 7,5 × 5 cm.

Het artikel is ontworpen om te worden gebruikt als deel van de behuizing van het sluitmechanisme van de gesp van een veiligheidsgordel die bijvoorbeeld in motorvoertuigen wordt gebruikt.

Indeling onder post 87.08 is uitgesloten omdat die post uitsluitend veiligheidsgordels omvat van voertuigen bedoeld bij de posten 87.01 tot en met 87.05 en niet de delen daarvan. Zie Verordening (EU) nr. 535/2013 in aant. 3 op post 39,26.

Een cilindervormig artikel vervaardigd van een aluminiumlegering, met gaten en uitsparingen, dat een lengte van circa 8 cm en een diameter van circa 4 cm heeft, moet onder post 76.16 worden ingedeeld.

Het artikel wordt gebruikt als deel van het oprolsysteem van een veiligheidsgordel, bijvoorbeeld in motorvoertuigen, speedboten en trapliften.

Indeling onder post 87.08 is uitgesloten omdat die post uitsluitend veiligheidsgordels van voertuigen bedoeld bij de posten 87.01 tot en met 87.05 omvat en niet de delen daarvan. Zie Verordening (EU) nr. 615/2013 in aant. 3 op post 76.16.

Een artikel dat bestaat uit twee buizen die door klemmen worden vastgehouden en is ontworpen om te worden gebruikt in motorvoertuigen om de koelvloeistof van de motor naar de warmtewisselaar onder het dashboard van het voertuig te brengen, moet onder post 76.08 worden ingedeeld.
Indeling onder post 87.08 als andere delen van radiatoren van motorvoertuigen is uitgesloten omdat het artikel op basis van zijn objectieve kenmerken niet identificeerbaar is als uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd voor gebruik met dergelijke artikelen (zie Aantekening 3 IDR op afdeling XVII). Zie Verordening (EU) 2018/553 in aant. 3 op post 76.08.

Een radiator voor een motorvoertuig, uitgerust met koelribben en aan één zijde twee aansluitingen, een inlaat en een uitlaat, voor koelvloeistof, moet onder meer met toepassing van Aantekening 3 IDR op afdeling XVII, onder post 87.08 worden ingedeeld. 

Dit kubusvormige, van een aluminiumlegering vervaardigd artikel, heeft afmetingen van ongeveer 370 × 194 × 42 mm en is ontworpen om in het koelsysteem van de motor te worden geplaatst (in het zogenaamde kleine koelcircuit) onder het dashboard van motorvoertuigen met zuigermotoren van de posten 87.01 tot en met 87.05.

Het artikel draagt de warmte die wordt opgenomen door de koelvloeistof (afkomstig van de motor van het voertuig) over aan de lucht. De verwarmde lucht wordt vervolgens naar de binnencabine van het voertuig gevoerd door middel van bijkomende toestellen, die niet samen met het artikel worden aangeboden. Het artikel stelt verder de motor in staat tijdens de opwarmfase zijn optimale bedrijfstemperatuur te bereiken

Het artikel vervult de functie van radiator voor artikelen bedoeld bij afdeling XVII. Zie Verordening (EU) 2020/956 in aant. 3 op post 87.08.

 

4
Jurisprudentie

Kogeltransmissies moeten als volgt worden ingedeeld:

1. indien kan worden onderkend dat zij uitsluitend of hoofdzakelijk geschikt zijn voor gebruik in een bepaalde machine of bepaald toestel of voertuig: als deel van die machine of dat toestel of voertuig;

2. indien zij gelijkelijk geschikt zijn om te worden gebruikt:

a. op verschillende typen machines van hoofdstuk 84 met toepassing van Aantekening 2 c IDR op afdeling XVI: post 84.87;

b. op verschillende voertuigen, vliegtuigen, vaartuigen, enz., van afdeling XVII: indeling met toepassing van Aantekening 3 IDR op afdeling XVII;

c. zowel op machines en toestellen van afdeling XVI, als op voertuigen, vliegtuigen, vaartuigen, enz. van afdeling XVII: post 84.87;

d. op verschillende machines, apparaten, toestellen, enz. van hoofdstuk 90: post 90.33 (IDR). Tarifering IDR 8487.90/2.

Een half motorvoertuig moet als ‘deel’ van een motorvoertuig onder post 87.08 worden ingedeeld. Zie tarifering IDR 8708.99/3 op post 87.08 in aant. 4 op die post.

Met betrekking tot de indeling van een zogenoemd torensysteem, heeft het Hof bepaald dat een dergelijk systeem, dat is ingevoerd voor de productie of de assemblage van gevechtstanks en dat nadien daadwerkelijk daarvoor is gebruikt, onder post 87.10 valt indien het ‘hoofdzakelijk’ bestemd is voor een gevechtstank. Het staat daarbij aan de verwijzende rechter om dit te verifiëren, rekening houdend met de objectieve kenmerken en eigenschappen van dat torensysteem, zonder dat het gebruik dat in casu uiteindelijk van dit systeem is gemaakt, beslissend is voor de indeling ervan. Indien dat niet het geval is, moet het betrokken torensysteem – als deel of toebehoren van een ‘oorlogswapen’ – onder post 93.05 worden ingedeeld. HvJ 26 mei 2016, nr. C-262/15 (PbEU 2016, nr. C 260 en Douanerechtspraak 2016/55).

Een bepaald kegellager met flens voor het type met roterende binnenring moet onder meer met toepassing van Aantekening 3 IDR op afdeling XVII, onder post 87.08 worden ingedeeld. Zie tarifering IDR 8708.50/1 op post 87.08 in aant. 4 op die post.

Een bepaald lager voor een naafeenheid moet onder meer met toepassing van Aantekening 3 IDR op afdeling XVII, onder post 87.08 worden ingedeeld. Zie tarifering IDR 8708.50/2 op post 87.08 in aant. 4 op die post.

Een afgewerkte buitenring voor een kegellager met een flens moet onder meer met toepassing van Aantekening 3 IDR op afdeling XVII, onder post 87.08 worden ingedeeld. Zie tarifering IDR 8708.50/3 op post 87.08 in aant. 4 op die post.

Een gesmede, niet-afgewerkte buitenring voor een kegellagereenheid met flens moet onder meer met toepassing van Aantekening 3 IDR op afdeling XVII, onder post 87.08 worden ingedeeld. Zie tarifering IDR 8708.50/4 op post 87.08 in aant. 4 op die post.

 
4.

4. Voor de toepassing van deze afdeling worden:

a. voertuigen speciaal gebouwd om zowel op de weg als op rails te worden gebruikt, ingedeeld onder de van toepassing zijnde post van hoofdstuk 87;

b. amfibievoertuigen ingedeeld onder de van toepassing zijnde post van hoofdstuk 87 (4);

c. luchtvaartuigen speciaal gebouwd om tevens als voertuig op de grond te kunnen dienen, ingedeeld onder de van toepassing zijnde post van hoofdstuk 88.

1 t/m 3
Gereserveerd
4
Jurisprudentie

Een bepaald motorvoertuig geconstrueerd om zowel op rails als op de weg te rijden, moet onder meer met toepassing van Aantekening 4 a IDR op afdeling XVII, onder post 87.05 worden ingedeeld. Zie tarifering IDR 8705.90/1 in aant. 4 op post 87.05.

5.

5. Luchtkussenvervoermiddelen worden ingedeeld als de vervoermiddelen waarmee zij de meeste overeenkomst vertonen, te weten:

a. onder hoofdstuk 86 indien zij bestemd zijn voor voortbeweging over een geleidebaan (luchtkussentreinen);

b. onder hoofdstuk 87 indien zij bestemd zijn voor voortbeweging over land of voor voortbeweging zowel over land als over water;

c. onder hoofdstuk 89 indien zij bestemd zijn voor voortbeweging over water, ook indien zij op stranden of op andere landingsplaatsen kunnen worden neergezet of zich over bevroren oppervlakken kunnen voortbewegen.

Delen en toebehoren van luchtkussenvervoermiddelen worden op dezelfde wijze ingedeeld als die van de vervoermiddelen van de post waaronder luchtkussenvervoermiddelen met inachtneming van de vorenstaande bepaling worden ingedeeld.

Vast materieel van geleidebanen voor luchtkussentreinen wordt ingedeeld als vast materieel voor spoor- en tramwegen terwijl signaal-, waarschuwings-, veiligheids-, controle- en bedieningstoestellen voor luchtkussentreinen worden ingedeeld als signaal-, waarschuwings-, veiligheids-, controle- en bedieningstoestellen voor spoor- en tramwegen.

Aanvullende aantekeningen EG

1. Behoudens de bepalingen van aanvullende aantekening 3 EG op hoofdstuk 89, worden gereedschappen en artikelen, voor het onderhoud en de reparatie van vervoermiddelen, indien zij gelijktijdig met de vervoermiddelen ter vrijmaking worden aangeboden, ingedeeld als die vervoermiddelen. Deze regeling is eveneens van toepassing op ander toebehoren, dat gelijktijdig wordt aangeboden met de vervoermiddelen, voor zover het tot de normale uitrusting daarvan behoort en daarmede normaal wordt verkocht.

2.

2 (1; 2). Op verzoek van de aangever van de goederen en onder de voorwaarden en bepalingen, vast te stellen door de bevoegde autoriteiten, kan het bepaalde in algemene regel 2 a, eveneens worden toegepast op de goederen van de posten 86.08, 88.05, 89.05 en 89.07 die in deelzendingen worden ingevoerd.

1
Toelichting EG

De toelichting EG op de Aanvullende aantekening 3 EG op afdeling XVI, opgenomen in aant. 1 op die Aanvullende aantekening EG, is van overeenkomstige toepassing.

2
Bijzondere bestemming

Zie voor de uitvoering van de Aanvullende aantekening 2 EG de uitvoeringsvoorschriften opgenomen in aant. 4 op Aanvullende aantekening 3 EG op afdeling XVI.


 

AANTEKENINGEN

 

1. Deze afdeling omvat niet de artikelen bedoeld bij de posten 95.03 en 95.08 en evenmin priksleden, bobsleden, tobogans en dergelijke (post 95.06).

 

2. Als 'delen' en als 'delen en toebehoren' worden niet aangemerkt de navolgende artikelen, ook indien zij kennelijk voor vervoermaterieel bestemd zijn:

 

a. pakking, sluitringen en dergelijke artikelen, ongeacht de stof waarvan zij zijn vervaardigd (in te delen als werken van de stof waarvan zij zijn vervaardigd of onder post 84.84) en andere artikelen van niet-geharde gevulkaniseerde rubber (post 40.16);

 

b. delen voor algemeen gebruik in de zin van aantekening 2 op afdeling XV, van onedel metaal (afdeling XV) en dergelijke artikelen van kunststof (hoofdstuk 39);

 

c. artikelen bedoeld bij hoofdstuk 82 (gereedschap);

 

d. artikelen bedoeld bij post 83.06;

 

e. machines, apparaten en toestellen, bedoeld bij de posten 8401 tot en met 8479, alsmede delen daarvan, andere dan de radiatoren voor de artikelen van deze afdeling; artikelen bedoeld bij posten 8481 en 8482, alsmede, voor zover het integrerende motordelen zijn, artikelen bedoeld bij post 8483;

 

f. elektrische machines, apparaten en uitrustingsstukken (hoofdstuk 85);

 

g. artikelen bedoeld bij hoofdstuk 90;

 

h. artikelen bedoeld bij hoofdstuk 91;

 

ij. wapens (hoofdstuk 93);

 

k. lichtarmaturen en verlichtingstoestellen en delen daarvan, bedoeld bij post 94.05;

 

l. borstels die delen van voertuigen zijn (post 96.03).

 

3. Als 'delen' en 'toebehoren' in de zin van de hoofdstukken 86 tot en met 88 worden niet aangemerkt : delen en toebehoren waarvan niet kan worden onderkend dat zij uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd zijn voor voertuigen of voor artikelen bedoeld bij afdeling XVII. Indien een deel of een toebehoren beantwoordt aan de omschrijving van twee of meer posten van deze afdeling, moet het worden ingedeeld onder de post waarvan de omschrijving aansluit bij het voornaamste gebruik waarvoor dat deel of dat toebehoren zal dienen.

 

4. Voor de toepassing van deze afdeling worden:

 

a. voertuigen speciaal gebouwd om zowel op de weg als op rails te worden gebruikt, ingedeeld onder de van toepassing zijnde post van hoofdstuk 87;

 

b. amfibievoertuigen ingedeeld onder de van toepassing zijnde post van hoofdstuk 87;

 

c. luchtvaartuigen speciaal gebouwd om tevens als voertuig op de grond te kunnen dienen, ingedeeld onder de van toepassing zijnde post van hoofdstuk 88.

 

5. Luchtkussenvervoermiddelen worden ingedeeld als de vervoermiddelen waarmee zij de meeste overeenkomst vertonen, te weten:

 

a. onder hoofdstuk 86 indien zij bestemd zijn voor voortbeweging over een geleidebaan (luchtkussentreinen);

 

b. onder hoofdstuk 87 indien zij bestemd zijn voor voortbeweging over land of voor voortbeweging zowel over land als over water;

 

c. onder hoofdstuk 89 indien zij bestemd zijn voor voortbeweging over water, ook indien zij op stranden of op andere landingsplaatsen kunnen worden neergezet of zich over bevroren oppervlakken kunnen voortbewegen.

 

Delen en toebehoren van luchtkussenvervoermiddelen worden op dezelfde wijze ingedeeld als die van de vervoermiddelen van de post waaronder luchtkussenvervoermiddelen met inachtneming van de vorenstaande bepaling worden ingedeeld.

 

Vast materieel van geleidebanen voor luchtkussentreinen wordt ingedeeld als vast materieel voor spoor- en tramwegen, terwijl signaal-, waarschuwings-, veiligheids-, controle- en bedieningstoestellen voor luchtkussentreinen worden ingedeeld als signaal-, waarschuwings-, veiligheids-, controle- en bedieningstoestellen voor spoor- en tramwegen.

 

 

AANVULLENDE AANTEKENINGEN (GN)

 

1. Behoudens de bepalingen van aanvullende aantekening 3 (gecombineerde nomenclatuur) op hoofdstuk 89, worden gereedschappen en artikelen, voor het onderhoud en de reparatie van vervoermiddelen, indien zij gelijktijdig met de vervoermiddelen ter vrijmaking worden aangeboden, ingedeeld als die vervoermiddelen.

Deze regeling is eveneens van toepassing op ander toebehoren, dat gelijktijdig wordt aangeboden met de vervoermiddelen, voor zover het tot de normale uitrusting daarvan behoort en daarmee normaal wordt verkocht.

 

2. Op verzoek van de aangever der goederen en onder de voorwaarden en bepalingen, vast te stellen door de bevoegde autoriteiten, kan het bepaalde in de algemene regel 2, onder a, eveneens worden toegepast op de goederen van de tariefposten 86.08, 88.05, 89.05 en 89.07 die in deelzendingen worden ingevoerd.