Strafrecht, verzending tijgerschedels en leeuwenschedel, Cites

Print     PDF

Verdachte en medeverdachte hebben een aantal tijgerschedels en een leeuwenschedel aan een Engelse handelaar verkocht. Ook heeft verdachte meerdere valse (verzend)etiketten opgemaakt. Op deze etiketten werden niet de goederen vermeld die daadwerkelijk door verdachte zijn verzonden. Het verweer dat sprake was van een algemene ontheffing op grond van de CITES-uitvoeringsverordening wordt verworpen. Ook het beroep op afwezigheid van alle schuld omdat verdachte onbekend was dat voor onbewerkte specimen geen ontheffing gold en de CITES-wetgeving zeer complex, verwerpt de rechtbank. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 130 uren waarvan 30 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.


Uitspraak


De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 7 juli 2021. Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 27 oktober 2015 in de gemeente Helmond, en/of gemeente Geldrop, in elk geval in Nederland, al dan niet opzettelijk, een dier behorende tot een beschermde uitheemse diersoort, te weten Panthera pardus (luipaard/panter) (IBN code 5707BJ1.01.10.001), ten verkoop voorhanden en/of in voorraad heeft gehad en/of ten verkoop heeft aangeboden en/of heeft verkocht;

2. hij in de periode van 5 september 2017 tot en met 25 september 2017 in de gemeente Helmond, en/of de gemeente Geldrop althans te Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, heeft gehandeld in strijd met bij de Regeling natuurbescherming aangewezen voorschriften van EU-verordeningen, te weten artikel 8, eerste lid van de Cites-basisverordening (EG) nr. 338/97 door, al dan niet opzettelijk, 9, althans één of meer specimen (schedel) van de in bijlage A van deze verordening genoemde soorten, te weten tijger (panthera tigris), te gebruiken met winstoogmerk, te verkopen, ten verkoop aan te bieden en/of te vervoeren met het oog op verkoop;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij in de periode van 5 september 2017 tot en met 25 september 2017 in de gemeente Helmond, en/of de gemeente Geldrop althans te Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen heeft gehandeld in strijd met bij de Regeling natuurbescherming aangewezen voorschriften van EU-verordeningen, te weten artikel 8, eerste lid van de Cites-basisverordening nr. 338/97 door, al dan niet opzettelijk, 9, althans één of meer specimen (schedel) van de in bijlage A van deze verordening genoemde soorten, te weten tijger (panthera tigris), te gebruiken met winstoogmerk, te verkopen, ten verkoop aan te bieden en/of te vervoeren met het oog op verkoop; bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 5 september 2017 tot en met 26 september 2017 in de gemeente Helmond, en/of de gemeente Geldrop althans te Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk inlichtingen heeft verschaft als tussenhandelaar en/of contactpersoon te fungeren tussen (verkoper) [persoon 1] en (koper) [persoon 2];

en/of

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 6 september 2017 tot en met 20 september 2017 in de gemeente Helmond, en/of de gemeente Geldrop althans te Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid en/of inlichtingen heeft verschaft, door (een deel van) de betaling voor de genoemde specimen te regelen en/of te ontvangen;

en/of

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 20 september 2017 tot en met 27 september in de gemeente Helmond, en/of de gemeente Geldrop althans te Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk middelen heeft verschaft, door de genoemde specimen te verzenden;

3. hij in de periode van 5 september 2017 tot en met 25 september 2017 in de gemeente Helmond, en/of de gemeente Geldrop althans te Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen heeft gehandeld in strijd met bij de Regeling natuurbescherming aangewezen voorschriften van EU-verordeningen, te weten artikel 8, vijfde en eerste lid van de Cites-basisverordening (EG) nr. 338/97 door, al dan niet opzettelijk, één specimen (schedel) van de in bijlage B van deze verordening genoemde soorten, te weten leeuw (panthera leo) (p. 1179 PV) te gebruiken met winstoogmerk, te verkopen, ten verkoop aan te bieden en/of te vervoeren met het oog op verkoop;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij in de periode van 5 september 2017 tot en met 25 september 2017 in de gemeente Helmond, en/of de gemeente Geldrop althans te Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen heeft gehandeld in strijd met bij de Regeling natuurbescherming aangewezen voorschriften van EU-verordeningen, te weten artikel 8, vijfde en eerste lid van de Cites-basisverordening (EG) nr. 338/97 door, al dan niet opzettelijk, één specimen (schedel) van de in bijlage B van deze verordening genoemde soorten, te weten leeuw (panthera leo) (p. 1179 PV) te gebruiken met winstoogmerk, te verkopen, ten verkoop aan te bieden en/of te vervoeren met het oog op verkoop bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 5 september 2017 tot en met 26 september 2017 in de gemeente Helmond, en/of de gemeente Geldrop althans te Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk inlichtingen heeft verschaft als tussenhandelaar en/of contactpersoon te fungeren tussen (verkoper) [persoon 1] en (koper) [persoon 2];

en/of

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 6 september 2017 tot en met 20 september 2017 in de gemeente Helmond, en/of de gemeente Geldrop althans te Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid en/of inlichtingen heeft verschaft, door (een deel van) de betaling voor het genoemde specimen te regelen en/of te ontvangen;

en/of

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 20 september 2017 tot en met 27 september in de gemeente Helmond, en/of de gemeente Geldrop althans te Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk middelen heeft verschaft, door het genoemde specimen te verzenden;

4. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 21 mei 2019 tot en met 28 mei 2019 te Geldrop en/of Eindhoven tezamen en in vereniging met (een) ander(en) althans alleen meermalen, althans eenmaal, een of meer (verzend)etiket(ten), zijnde (een) geschrift(en), bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst met het oogmerk om het als echt en onvervalst (al dan niet door anderen) te doen gebruiken, door

(a.) op het etiket van een op 22 mei 2019 aan UPS ter verzending aangeboden pakket met bestemming Duitsland, niet te vermelden dat de inhoud van het pakket een geprepareerde/opgezette rob (inclusief huid) betrof (en in plaats daarvan te vermelden dat de inhoud een “educational model” betrof) en/of

(b.) door op het etiket van een op 27 mei 2019 aan UPS ter verzending aangeboden pakket met bestemming Duitsland, niet te vermelden dat de inhoud van het pakket een geprepareerde/opgezette koala (inclusief huid) betrof (en in plaats daarvan te vermelden dat de inhoud een “educational model” betrof) en/of

(c.) door op het etiket van een op 27 mei 2019 of 28 mei 2019 aan UPS ter verzending aangeboden pakket met bestemming Verenigde Staten, niet te vermelden dat de inhoud van het pakket een geprepareerde/opgezette tenrek (inclusief huid) betrof (en in plaats daarvan te vermelden dat de inhoud een “educational model” betrof.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke verschrijvingen voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.


De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.


Bewijswaardering.


Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit van de onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van feit 1 dient verdachte (primair) te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Subsidiair is sprake van afwezigheid van alle schuld, aldus de verdediging.


Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat alle feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.


Het oordeel van de rechtbank.


A. De bewijsmiddelen

In bijlage I heeft de rechtbank de inhoud van de wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.


B. Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs


De verwijten.

Verdachte wordt (primair) verweten de handel (in vereniging, al dan niet opzettelijk) in producten van dieren, behorende tot een beschermde uitheemse diersoort, genoemd in bijlage A of B van de CITES-basisverordening (de feiten 1, 2 en 3). Verdachte wordt voorts verweten dat hij valsheid in geschrift heeft gepleegd (feit 4).


Het wettelijk kader (CITES).

De (internationale) handel in beschermde dier- en plantensoorten is gereguleerd via de Convention on International Trade in Endangered Species of Wild Fauna and Flora (CITES).

Handelen in producten van dieren genoemd in bijlage A of B van de CITES-basisverordening is strafbaar gesteld onder artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a van de Flora- en faunawet, voor zover het ziet op feiten die voor 20 januari 2017 zijn gepleegd. Artikel 13 van de Flora- en faunawet wordt genoemd in artikel 1a, onder 1, van de Wet op de economische delicten (WED), strafbaar gesteld in artikel 6, eerste lid 1, onder 1 WED. Van de verboden in artikel 13 van de Flora- en faunawet zijn vrijstellingen mogelijk, te vinden in de Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten Flora- en faunawet.

Met ingang van 1 januari 2017 is de Flora- en faunawet komen te vervallen en is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht geworden. Op grond van artikel 3.37, eerste lid, Wnb is het verboden in strijd te handelen met de bij de ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen. Ingevolge artikel 3.14 van de Regeling natuurbescherming worden als voorschriften als bedoeld in artikel 3.37, eerste lid, Wnb aangewezen:

a. de artikelen 4, eerste lid, eerste volzin, tweede lid, eerste volzin, derde en vierde lid, 5, eerste en vierde lid, eerste volzin, 6, derde lid, 8, eerste lid, in samenhang met het vijfde lid, en 9, eerste, vierde en vijfde lid van de CITES-basisverordening;

b. artikel 3, eerste lid, van verordening (EG) nr. 1007/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de handel in zeehondenproducten (PbEU 2009, L 286), en

c. artikel 3, eerste lid, van verordening (EEG) nr. 3254/91 van de Raad van 4 november 1991 houdende een verbod op het gebruik van de wildklem in de Gemeenschap en op het binnenbrengen in de Gemeenschap van pelzen en produkten die vervaardigd zijn van bepaalde in het wild levende diersoorten uit landen waar gebruik wordt gemaakt van de wildklem of andere vangmethoden die niet stroken met de internationale normen voor humane vangst met behulp van vallen (PbEG 1991, L 308).

Artikel 3.37, eerste lid, Wnb is gelet op artikel 3.14, onder a, van de Regeling natuurbescherming, genoemd in artikel 1a, onder 1, WED, strafbaar gesteld in artikel 6, eerste lid, onder 1 WED.

In deze zaak is artikel 8, eerste lid, in samenhang met het vijfde lid, van de CITES-basisverordening relevant. Hierin is de aankoop, het te koop vragen, verwerven voor commerciële doeleinden, het tentoonstellen voor commerciële doeleinden, het gebruik met winstoogmerk en het verkopen, het in bezit hebben met het oog op verkoop, het ten verkoop aanbieden of het vervoeren met het oog op verkoop van specimens van de in bijlage A genoemde soorten, verboden. In het vijfde lid is bepaald dat de in het eerste lid genoemde verbodsbepalingen ook gelden voor specimens van de soorten genoemd in bijlage B behalve indien ten genoegen van de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat is aangetoond dat die specimens verkregen werden en, indien zij niet uit de Gemeenschap afkomstig zijn, daarin werden binnengebracht overeenkomstig de geldende wetgeving inzake de instandhouding van de wilde flora en fauna.


Opzet.

De onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten betreffen zogenaamde economische delicten, die in artikel 1a, onder 1, van de Wet op de Economische Delicten (WED) strafbaar zijn gesteld. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de WED zijn deze feiten misdrijven, voor zover zij opzettelijk zijn begaan. Gelet op vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is voor een bewezenverklaring van een economisch delict in de misdrijfvariant als bedoeld in de WED, ‘kleurloos opzet’ vereist.

Bij ‘kleurloos opzet’ wordt slechts gekeken naar het handelen c.q. de feitelijke gedraging van de verdachte (in de verschillende bestanddelen), niet naar opzet op de wederrechtelijkheid daarvan. Dit betekent voor de onderhavige zaak dat voor het opzettelijk begaan van de tenlastegelegde overtredingen onder feit 1, 2 en 3 niet is vereist dat verdachte opzet had om te handelen in strijd met artikel 13 van de Flora- en Faunawet dan wel artikel 3.37 van de Wnb, maar dat hij opzet had op handelen in en/of bezitten van (in dit geval) verboden diersoorten (kleurloos opzet).


De feiten en omstandigheden.

Op 31 augustus 2018 is strafrechtelijk onderzoek gestart naar aanleiding van signalen uit verschillende landen over de betrokkenheid van verdachte bij de handel in (delen van) beschermde diersoorten. Dit onderzoek heeft zich uitgebreid tot medeverdachte [naam 1].

Uit nader onderzoek, alsmede het verhandelde ter terechtzitting van 22 november 2021, is naar voren gekomen dat [naam 1] vanaf 2015 met enige regelmaat producten van diersoorten (specimens) van verdachte kocht en dat verdachte in 2017 voor [naam 1] bepaalde specimen is gaan verkopen, omdat [naam 1] vanwege persoonlijke omstandigheden zijn collectie “curiosa” wilde uitdunnen.

Ter terechtzitting van 22 november 2021 heeft verdachte verklaard dat hij de vraag van [naam 1] om (een deel van) diens collectie voor hem te verkopen niet zonder druk heeft ervaren. Volgens verdachte is [naam 1] een man waar je geen ruzie mee wilt hebben en zit er een grote geschiedenis achter hem. Deze verklaring heeft verdachte – ook na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld – niet nader geconcretiseerd. Ook het dossier bevat geen steun voor die verklaring. Uit de whatsapp-gesprekken tussen beide verdachten blijkt juist van initiatief aan de zijde van verdachte om de verkoop ter hand te nemen en op geen enkel moment van een onveilige of onprettige samenwerkingsrelatie. De rechtbank schuift deze verklaring dan ook als onvoldoende aannemelijk terzijde.

Een deel van de specimen (feit 1) is door de NVWA en/of het Douanelab fysiek onderzocht/gedetermineerd. Een ander deel van de specimen (de feiten 2 en 3) kon niet meer fysiek worden onderzocht, omdat deze specimen (10 schedels) reeds door verdachte waren verhandeld aan een Engelse afnemer, genaamd [naam 2]. Deze 10 schedels zijn aan de hand van foto’s gedetermineerd door dr. [naam 3] (part-time Wildlife Inspector with the Animal and Plant Health Agency (APHA) en Principal Curator of Vertebrates at the National Museums Scotland). De verdediging heeft die determinatie in twijfel getrokken. De Rechtbank zal daar bij de bespreking van de feiten 2 en 3 aandacht aan besteden.

Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen en uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat verdachte voor geen van de producten die hij heeft verhandeld over een invoervergunning of over CITES-certificaten beschikte.


T.a.v. feit 1.

Uit Whatsapp-gesprekken blijkt dat verdachte op 27 oktober 2015 aan [naam 1] een panterschedel heeft aangeboden. Deze schedel is bij de doorzoeking op 30 juli 2019 onder [naam 1] aangetroffen (schedel van een katachtige op een houten schildje, IBN code: 5707BJ1.01.10.001)

De schedel is nader onderzocht door het Douanelab en het bleek te gaan om een schedel van een Panthera Pardus (luipaard), genoemd in bijlage A van de CITES-basisverordening. Deze conclusie wordt niet door de verdediging weersproken.

Naar het oordeel van de rechtbank kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 ten laste gelegde feit. Voor zover de verdediging heeft betoogd dat verdachte voor dit feit moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, dan wel dat sprake is van afwezigheid van alle schuld, wordt dat hierna bij de strafbaarheid van het feit en de strafbaarheid van de verdachte besproken.


T.a.v. de feiten 2 en 3.

De verdediging heeft betoogd dat niet kan worden vastgesteld 1) dat verdachte de in de tenlastelegging genoemde schedels naar het buitenland heeft opgestuurd en 2) dat het gaat om echte schedels die vallen onder de CITES-regelgeving.

Op de terechtzitting van 22 november 2021 heeft verdachte verklaard dat er twee dozen met schedels van [naam 1] naar [naam 2] zijn gegaan. Verdachte heeft voorts verklaard dat het niet om echte schedels ging, maar om replica’s. Er is in totaal zo’n € 9.000,- voor die schedels betaald, waarvan grofweg € 7.000,- direct op de rekening van [naam 1] en € 2.000,- op de Paypal-rekening van verdachte.

1) Het verweer van de verdediging dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte de in de tenlastelegging genoemde schedels naar het buitenland heeft opgestuurd laat zich lastig begrijpen. Verdachte is op de terechtzitting van 22 november 2021, maar ook tijdens eerdere verhoren bij de politie op dit punt namelijk vrij duidelijk. Naar eigen zeggen heeft hij inderdaad twee dozen met in totaal 10 schedels van [naam 1] verkocht en verzonden aan [naam 2]. De rechtbank heeft ook in het licht van de overige bewijsmiddelen geen reden om aan die lezing te twijfelen. Daarmee staat vast dat de in de tenlastelegging genoemde schedels de 10 schedels zijn die verdachte aan [naam 2] heeft verkocht.

2) De rechtbank onderkent het feit dat de 10 schedels niet fysiek zijn onderzocht, maar dat determinatie heeft plaatsgevonden aan de hand van foto’s.

De opmerking van de verdediging dat [naam 3] zelf heeft opgemerkt dat hij niet absoluut zeker is of het om “echte” schedels gaat (p. 1187-1188 van het dossier) getuigt volgens de rechtbank van een foutieve lezing. [naam 3] plaatst voornoemde opmerking, die zich laat lezen als een ‘voorbehoud’, ten aanzien van slechts een beperkt aantal van de schedels. [naam 3] geeft namelijk aan er zeker van te zijn dat de schedels 1, 2 en 5 op foto 1 echt zijn. Hij zegt dat hele witte schedels replica’s kunnen zijn, maar dat van de schedels 3 en 4 op foto 1 geldt dat de botten van de neusschelp onmogelijk na te maken zijn zonder deze te breken en ook die schedels dus als echt aan te merken zijn. Hetzelfde geldt volgens [naam 3] voor de schedels 3 en 5 op foto 2. De overige schedels zouden afgietsels (replica’s) kunnen zijn, zo geeft [naam 3] aan, maar hij verwacht het niet. [naam 3] geeft ten aanzien van die laatste, overige, schedels aan dat hij dat – enkel op basis van de foto’s – niet absoluut zeker weet.

De rechtbank vindt de conclusies van [naam 3] ten aanzien van de echtheid van de schedels inzichtelijk en begrijpelijk geformuleerd. Dat deze determinatie op basis van foto’s is gedaan en niet op basis van de fysieke schedels, doet naar het oordeel van de rechtbank wel af aan de bewijswaarde. Echter, naast de determinaties van [naam 3] ziet de rechtbank steun voor de conclusie dat sprake is van “echte” schedels in de volgende elementen in het dossier.

– Verdachte biedt aan [naam 2] “10 tot 15 T” aan, geeft aan dat er een aantal replica’s tussen zitten maar ook een “javaanse”;

– [naam 2] vraagt aan verdachte hem op de foto’s aan te wijzen wat de replica’s zijn;

– Verdachte lijkt vervolgens foto’s te sturen aan [naam 2] en daarbij aan te geven dat zes schedels replica’s zijn, en 10 schedels origineel zijn;

– [naam 2] doet een bod en zegt dat hij voor de 10 originele schedels € 8500,- zou kunnen bieden;

– Verdachte vraagt op 5 september 2017 aan [naam 1] of hij een paar overzichtsfoto’s kan sturen van de vitrines met “T” (rechtbank: met “T” worden tijgers bedoeld);

– Verdachte vraagt vervolgens aan [naam 2] of deze met rood de schedels wil omcirkelen waar hij interesse in heeft. [naam 2] reageert met een foto waarop te zien is dat hij 10 schedels met rood heeft omcirkeld;

– [naam 2] vraagt aan verdachte of er papieren (de rechtbank begrijpt: CITES-certificaten) bij zitten;

– Verdachte vraagt aan [naam 2] of hij niet bang is voor de douane;

– Er is een bedrag betaald van zo’n € 9.000,-, terwijl replica’s van een tijgerschedel op de website boneclones.com voor minder dan € 300,- worden aangeboden en verdachte over deze site heeft verklaard dat er hoogwaardige replica’s op worden aangeboden;

– Verdachte vraagt aan [naam 2] om bij de aanbetaling van de 10 schedels via de bank de beschrijving “div. houtsnijwerk” op te geven. In plaats van de gevraagde omschrijving “div. woodcarving” betrof deze uiteindelijk “for textile clothings”;

– Op 27 september 2017 vraagt ene [naam 4] aan [naam 2] wat voor schedels het zijn en of het leeuwenschedels zijn en of ze duur zijn. [naam 2] antwoordt “t”, dat ze vele duizenden euro's kosten en dat hij ze voor iemand heeft gekocht.

Uit het geheel van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden maakt de rechtbank op dat ook verdachte, medeverdachte [naam 1] en [naam 2] hebben aangenomen dat het gaat om “echte” schedels en niet om replica’s. Met name verdachte en [naam 2] waren goed bekend met specimen van dieren, zo blijkt uit het dossier. Die omstandigheden, in combinatie met de conclusies van [naam 3], maken dat de rechtbank tot de conclusie komt dat voldoende wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte echte schedels heeft verkocht aan [naam 2].

Gelet op het voorbehoud dat [naam 3] maakt in de determinatie ten aanzien van een deel van de schedels, komt de rechtbank tot bewezenverklaring van ‘meer’ schedels en niet van het specifieke aantal van negen tijgerschedels.

Van de 10 schedels is er één door [naam 3] gedetermineerd als een leeuwenschedel (feit 3). Verdachte heeft in zijn verhoren bij de politie verklaard “Ik ben er 100% zeker van dat er leeuwen tussen zaten.” (verhoor d.d. 31 juli 2019) en “Er zat er 1 bij met afgesleten hoektanden. Dan is het vermoedelijk een circus leeuw” (verhoor d.d. 3 augustus 2019). Ook dit feit kan naar het oordeel van de rechtbank aldus wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

Blijkens de bewijsmiddelen heeft verdachte deze feiten tezamen en in vereniging met [naam 1] en [naam 2] gepleegd.

Ter terechtzitting van 22 november 2021 heeft verdachte – zakelijk weergegeven – verder nog verklaard dat hij begrijpt dat zijn Whatsapp-conversaties met [naam 2] vragen oproepen, maar dat die conversaties niet het gehele beeld laten zien, omdat [naam 2] nog gebruik maakte van een tweede telefoonnummer. De conversaties die met dat telefoonnummer werden gevoerd zijn niet in het dossier opgenomen, aldus verdachte.

Het dossier bevat geen aanknopingspunten om aan te nemen dat verdachte – naast de zich in het dossier bevindende Whatsapp-conversaties – ook nog contact onderhield met [naam 2] via een tweede telefoonnummer. Zo komen uit de zich in het dossier bevindende Whatsappgesprekken geen hiaten naar voren die aannemelijk maken dat er gelijktijdig via een andere ‘lijn’ gecommuniceerd werd. De rechtbank schuift deze verklaring van verdachte dan ook als ongeloofwaardig terzijde.


T.a.v. feit 4.

Verdachte heeft op de in de tenlastelegging genoemde momenten pakketten aan UPS ter verzending aangeboden. Daarbij vermeldde verdachte telkens dat de inhoud betrof “educational model”.

In werkelijkheid betrof de inhoud van die pakketten een opgezette rog (22 mei 2019), een opgezette koala (27 mei 2019) en een opgezette tenrek (28 mei 2019). Deze opgezette diersoorten waren niet van de/het huid/pels/bont ontdaan.

Bij de politie verklaart verdachte (verhoor d.d. 24 december 2019) dat hij “educational model” op de pakketten zet omdat UPS een uitsluitselbeleid heeft (over) wat niet verzonden mag worden.

Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank voldoende vast komen te staan dat verdachte in de hiervoor genoemde gevallen telkens niet heeft vermeld wat de inhoud van zijn pakketten betrof, namelijk opgezette dieren. Door telkens te vermelden dat de inhoud “educational model” betrof heeft verdachte geschriften (etiketten) valselijk opgemaakt, teneinde te verhullen wat er daadwerkelijk in de pakketten zat. Dat hij overleg heeft gehad met de douane over het gebruik van specifieke douanecodes bij de verzending van deze pakketten, zoals de verdediging ter zitting heeft aangevoerd, is voor deze beoordeling niet relevant.


De bewezenverklaring.

Op grond van de inhoud van de hiervoor vermelde bewijsmiddelen, in onderling (tijds)verband en samenhang bezien, en op grond van de inhoud van het vorenoverwogene, is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 (telkens primair) ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.hij op of omstreeks 27 oktober 2015 in Nederland, opzettelijk, een dier behorende tot een beschermde uitheemse diersoort, te weten Panthera pardus (luipaard/panter) (IBN code 5707BJ1.01.10.001), heeft verkocht;

2. hij in de periode van 5 september 2017 tot en met 25 september 2017 te Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, heeft gehandeld in strijd met bij de Regeling natuurbescherming aangewezen voorschriften van EU-verordeningen, te weten artikel 8, eerste lid van de Cites-basisverordening (EG) nr. 338/97 door, opzettelijk, meer specimens (schedels) van de in bijlage A van deze verordening genoemde soorten, te weten tijger (panthera tigris), te verkopen;

3. hij in de periode van 5 september 2017 tot en met 25 september 2017 te Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, heeft gehandeld in strijd met bij de Regeling natuurbescherming aangewezen voorschriften van EU-verordeningen, te weten artikel 8, vijfde en eerste lid van de Cites-basisverordening (EG) nr. 338/97 door, opzettelijk, één specimen (schedel) van de in bijlage B van deze verordening genoemde soorten, te weten leeuw (panthera leo) (p. 1179 PV) te verkopen;

4. hij in de periode van 21 mei 2019 tot en met 28 mei 2019 te Geldrop en/of Eindhoven meermalen, verzendetiketten, zijnde geschriften, bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om het als echt en onvervalst (al dan niet door anderen) te doen gebruiken, door

(a.) op het etiket van een op 22 mei 2019 aan UPS ter verzending aangeboden pakket met bestemming Duitsland, niet te vermelden dat de inhoud van het pakket een opgezette rob (inclusief huid) betrof en in plaats daarvan te vermelden dat de inhoud een “educational model” betrof en

(b.) door op het etiket van een op 27 mei 2019 aan UPS ter verzending aangeboden pakket met bestemming Duitsland, niet te vermelden dat de inhoud van het pakket een opgezette koala (inclusief huid) betrof en in plaats daarvan te vermelden dat de inhoud een “educational model” betrof en

(c.) door op het etiket van een op 27 mei 2019 of 28 mei 2019 aan UPS ter verzending aangeboden pakket met bestemming Verenigde Staten, niet te vermelden dat de inhoud van het pakket een opgezette tenrek (inclusief huid) betrof en in plaats daarvan te vermelden dat de inhoud een “educational model” betrof.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.


De strafbaarheid van het feit en van de verdachte


t.a.v. feit 1

1) De verdediging heeft betoogd dat sprake was van een algemene ontheffing op grond van artikel 62 van de Verordening (EG) Nr. 865/2006 (hierna: CITES-uitvoeringsverordening). Kort gezegd voert de verdediging aan dat de panterschedel van vóór 1947 dateert en daarmee aangemerkt kan worden als “antiek”, zodat daarvoor geen CITES-certificaat vereist is. Verdachte dient dan ook (primair) te worden ontslagen van alle rechtsvervolging (OVAR). 2) Subsidiair doet de verdediging een beroep op afwezigheid van alle schuld (AVAS), omdat het verdachte niet bekend was dat voor onbewerkte specimen geen ontheffing gold en de CITES-wetgeving zeer complex is, hetgeen ook blijkt uit het feit dat in 2017 nadere richtsnoeren zijn uitgewerkt als het gaat om bewerkte specimens (Richtsnoeren voor bewerkte specimens op grond van de EU-verordeningen inzake de handel in wilde dieren en planten (2017/C 154/07)).

De verdachte heeft verklaard dat op de onderzijde van het houten schildje waar de schedel op is gemonteerd de preparateur en de productiedatum staan vermeld, op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de panterschedel van vóór 1947 is.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Artikel 62, derde lid, van de CITES-uitvoeringsverordening bepaalt dat geen CITES-certificaat vereist is voor meer dan 50 jaar geleden verworven bewerkte specimens als omschreven in artikel 2, onder w, van de CITES-basisverordening. In dat artikel is de volgende definitie opgenomen: “specimens die meer dan 50 jaar vóór de inwerkingtreding van deze verordening ter vervaardiging van juwelen, decoratie, kunstvoorwerpen, gebruiksvoorwerpen of muziekinstrumenten zijn gebracht in een toestand die grondig verschilt van hun natuurlijke ruwe staat en waarvan ten genoegen van de administratieve instantie van de betrokken Lidstaat is aangetoond dat zij onder die voorwaarden zijn verworven. Dergelijke specimens gelden enkel als bewerkt indien zij duidelijk passen in een van de genoemde categorieën en indien zij de beoogde functie kunnen vervullen zonder dat daarvoor nog snijwerk, bewerking of verdere afwerking nodig zijn”.

In het onderhavige geval geldt naar het oordeel van de rechtbank – gelet op de hiervoor genoemde omschrijving – dat geen sprake is van het brengen van een specimen in een toestand die grondig verschilt van de natuurlijke ruwe staat. Het plaatsen van een – schoongemaakt – schedel op een houten schildje maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat sprake is van een “bewerkt specimen”. De ontheffing van artikel 62, derde lid, van de CITES-uitvoeringsverordening is dan ook niet van toepassing. Het (primaire) verweer dient dan ook te worden verworpen.

Ten aanzien van het subsidiaire verweer, afwezigheid van alle schuld, overweegt de rechtbank als volgt. Het ligt op de weg van verdachte om zich te verdiepen in de herkomst en aard van producten die hij verhandelt, en om zich voor te lichten over de geldende wet- en regelgeving. Dat in 2017 nadere richtsnoeren van kracht zijn geworden, zoals de verdediging heeft aangevoerd, maakt niet dat verdachte niet kon weten welke wetgeving in 2015 gold of hoe deze moest worden uitgelegd. Met vragen had verdachte zich tot de bevoegde instanties kunnen wenden. De rechtbank stelt vast dat niet is gebleken dat verdachte invulling heeft gegeven aan zijn onderzoeksplicht. Het subsidiaire verweer dient aldus eveneens te worden verworpen.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten of van verdachte uitsluiten. Verdachte is strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.


Oplegging van straf.


De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft geëist:

– een taakstraf voor de duur van 180 uur, met aftrek van het voorrest;

– een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

(Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht).


Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft betoogd dat gelet op de aard en de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van verdachte, het feit dat gedurende een lange periode zware opsporingsmiddelen zijn ingezet en de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechtbank van de Mens (EVRM) is geschonden een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel (artikel 9a Sr) op zijn plaats zou zijn.


Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte en medeverdachte [naam 1] hebben een aantal tijgerschedels en een leeuwenschedel aan een Engelse handelaar verkocht. Die schedels waren in het bezit van medeverdachte [naam 1] en verdachte bood aan de verkoop te willen faciliteren. Dat daarbij sprake is geweest van druk van medeverdachte [naam 1] op verdachte, zoals hij heeft aangegeven op zitting, blijkt allerminst uit het dossier. Verdachte biedt actief aan een deel van de collectie van medeverdachte [naam 1] te verkopen en reageert enthousiast wanneer medeverdachte [naam 1] op dat aanbod ingaat. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij hier geen verantwoordelijkheid voor heeft genomen.

Uit de Whatsappgesprekken die in het dossier zitten tussen verdachten, en tussen verdachte en de Engelse handelaar, blijkt dat zij goed wisten dat zij echte tijgerschedels aan het verhandelen waren en dat ze ook heel bewust nadachten hoe ze de autoriteiten daarbij buiten beeld konden houden. De rechtbank neemt het verdachten kwalijk dat zij doelbewust tijgerschedels en een leeuwenschedel, opgenomen in bijlagen A en B van de CITES-basisverordening, hebben verhandeld. Verdachte, die zelf heeft aangegeven dat hij is opgegroeid met dit soort goederen om zich heen, moet zich hebben gerealiseerd dat hij een grens overging. Uit de Whatsappgesprekken met de Engelse handelaar blijkt dat verdachte in de periode van deze verkoop ook over het handelen in andere beschermde diersoorten contact heeft. Verdachte heeft hiermee bijgedragen aan de illegale handel in producten van bedreigde diersoorten. Deze handel brengt onomkeerbare schade toe aan de natuur en het behoud van diverse diersoorten. Daarbij heeft verdachte onvoldoende oog gehad voor de wettelijke maatregelen ter regulering van de handel in producten van bedreigde soorten en voor de ratio achter die maatregelen.

Daarnaast heeft verdachte in 2015 zelf een luipaardschedel verkocht aan medeverdachte [naam 1], zonder te onderzoeken of dat was toegestaan. Ook dat neemt de rechtbank verdachte kwalijk.

Verdachte heeft voorts meerdere valse (verzend)etiketten opgemaakt. Op deze etiketten werden niet de goederen vermeld die daadwerkelijk door verdachte zijn verzonden. Verdachte heeft dit doelbewust gedaan om pakketten te kunnen verzenden die hij zonder de valse etiketten niet had kunnen verzenden.

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel van Justitiële documentatie d.d. 30 augustus 2021, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld. Ook houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte na de onderhavige verdenking niet meer met justitie in aanraking is gekomen. In het kader van het onderhavige onderzoek is een groot aantal specimen van dieren in beslag genomen bij verdachte en deze bleken allemaal legaal te zijn. Het heeft er alle blijk van dat verdachte na de arrestatie van de Engelse handelaar begin 2018 niet vaker meer over de grens is gegaan bij de handel in specimen van dieren. Ook dat weegt de rechtbank in het voordeel van verdachte mee.


De redelijke termijn.

De rechtbank stelt vast dat de oudste feiten inmiddels dateren van ruim 6 jaar geleden.

Het voorschrift van artikel 6, eerste lid, Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) inzake de behandeling van een strafzaak binnen een redelijke termijn beoogt te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging moet leven.

De redelijke termijn vangt aan vanaf het moment dat vanwege de overheid jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem/haar terzake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.

Wat betreft de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen. Hierbij spelen de aard en ernst van de delicten, de ingewikkeldheid van de zaak, de processuele houding van de verdachte, de invloed van de verdachte/verdediging op het procesverloop en de afhandeling van de zaak door de bevoegde autoriteiten een rol van betekenis.

De rechtbank is van oordeel dat het recht van verdachte op een eerlijke en openbare behandeling van deze zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, is geschonden.

De rechtbank bepaalt het startpunt van de redelijke termijn op 30 juni 2019, zijnde het tijdstip waarop in het kader van het onderzoek doorzoekingen hebben plaatsgevonden in de woning en op de werkplek van verdachte, waarbij goederen in beslag zijn genomen. Dat is tevens de dag waarop verdachte is aangehouden en in verzekering is gesteld.

De officier van justitie heeft - kort gezegd - aangevoerd dat de vertraging wordt verklaard door de ingewikkeldheid van het onderzoek. De rechtbank volgt het standpunt van de officier van justitie niet.

Een en ander maakt dat bij het doen van uitspraak door de rechtbank op 6 december 2021 de redelijke termijn met bijna een half jaar is overschreden. Voor deze overschrijding zal de rechtbank verdachte compenseren.

De rechtbank ziet in het gebruik van bijzondere opsporingsbevoegdheden die conform de wettelijke bevoegdheid zijn ingezet, geen aanleiding om de op te leggen straf te matigen.


De straf.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een taakstraf voor de duur van 140 uur, waarvan 30 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De rechtbank zal verdachte echter compenseren voor de overschrijding van de redelijk termijn, door een korting toe te passen van 10 uren, zodat aan hem een taakstraf wordt opgelegd van nader te noemen duur.

De rechtbank zal een deel van deze straf ter hoogte van 30 uren voorwaardelijk opleggen, ten einde verdachte ervan te weerhouden in de toekomst strafbare feiten te plegen.

De straf die de rechtbank oplegt is lager dan de door de officier van justitie gevorderde straf. Dit omdat de rechtbank kijkend naar vergelijkbare zaken van oordeel is dat met de onderhavige straf kan worden volstaan.


Beslag.

De rechtbank is van oordeel dat het in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerp vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer, omdat het ongecontroleerde bezit van dit voorwerp in strijd is met de wet, het inbeslaggenomen is in het kader van het onderhavige onderzoek en kan dienen tot het begaan van soortgelijke feiten als bewezenverklaard.


Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

13 van de Flora- en faunawet,

3.37 en 3.38 van de Wet natuurbescherming,

3.14 van de Regeling natuurbescherming,

1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten,

9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36b, 36d, 47, 225 van het Wetboek van Strafrecht,

zoals deze artikelen luidden ten tijde van de bewezenverklaring.


De uitspraak

De rechtbank

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het volgende misdrijf en de overtredingen:

T.a.v. feit 1:

overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13 van de Flora- en faunawet.

T.a.v. feit 2 primair:

medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens artikel 3.37 van de Wet natuurbescherming, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

T.a.v. feit 3 primair:

medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens artikel 3.37 van de Wet natuurbescherming, opzettelijk begaan.

T.a.v. feit 4:

valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straf.

T.a.v. feit 1, feit 2 primair, feit 3 primair, feit 4:

Taakstraf voor de duur van 130 uren subsidiair 65 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 30 uren subsidiair 15

dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

T.a.v. het beslag:

bepaalt dat het op de beslaglijst vermelde voorwerp (G_550640 / Opgezette tijgerwelp) aan het verkeer dient te worden onttrokken.