Op de zaak betrekking hebbende stukken niet overgelegd, vernietiging UTB

Print     PDF

Verweerder heeft niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd, art. 8:42 Awb. Vernietiging utb.


Uitspraak


Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres een uitnodiging tot betaling (hierna: utb) uitgereikt ten bedrage van € [# 1] aan douanerechten op industriële producten en € [# 2] aan rente op achterstallen.

Verweerder heeft het daartegen gemaakte bezwaar afgewezen.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben voor de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2021 te Haarlem. Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde voornoemd tot bijstand vergezeld van [A] en [B] (stagiair bij gemachtigde). Namens verweerder zijn verschenen [C] en mr. [D].

Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

Zaak HAA 18/2376 is gelijktijdig behandeld met zaak HAA 20/4898, waarin een aan eiseres opgelegde bestuurlijke boete aan de orde is. In deze zaak wordt beslist bij separate uitspraak van heden.


Overwegingen


Feiten

1. Verweerder heeft een administratieve controle ingesteld bij eiseres over de periode 15 mei 2014 tot en met 31 december 2015. Hij heeft zich daarbij gericht op de betrouwbaarheid van de administratie en de aanvullende aangifte, de vastleggingen van de goederenbeweging (inslag, opslag en uitslag), de daarvoor gebruikte automatiseringssystemen en de daarbij gehanteerde procedures. De bevindingen zijn opgenomen in het controlerapport van 28 juni 2017, controlenummer [# 3].

2. Naar aanleiding van deze controle heeft verweerder met dagtekening 28 juni 2017 aan eiseres de utb uitgereikt voor een bedrag van € [# 4] aan invoerrecht en rente op achterstallen. Verweerder heeft het daartegen gemaakte bezwaar bij uitspraak op bezwaar van 9 april 2018 afgewezen. Eiseres heeft daartegen op 18 mei 2018 beroep ingesteld.

3. Bij brief van 31 juli 2018 heeft de rechtbank verweerder verzocht binnen vier weken de op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen. Verweerder is daarbij in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen.

4. Bij brief van 29 augustus 2018 heeft verweerder vijf producties ingediend. Daarbij heeft verweerder meegedeeld dat een verweerschrift op een latere datum wordt toegestuurd.

5. Bij brief van 4 maart 2021 zijn partijen uitgenodigd voor de zitting op 28 mei 2021.

6. Bij brief van 28 april 2021 heeft eiseres de rechtbank meegedeeld dat in de aanloop naar de voorbereiding van deze zitting door haar is vastgesteld dat verweerder niet volledig is geweest met het insturen van de op de zaak betrekking hebbende stukken, en daarbij gesteld dat daaruit door de rechtbank de gevolgtrekkingen dienen te worden gemaakt zoals bedoeld in artikel 8:31 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Daarbij heeft eiseres 67 stukken (bijlagen) overgelegd met een overzicht en een toelichting.

7. Op 4 mei 2021 heeft de rechtbank verweerder een brief gestuurd. In deze brief is – voor zover van belang – het volgende vermeld:

“(…)

Alhoewel U in deze zaken op 29 augustus 2018 onderscheidenlijk 30 oktober 2020 op de zaak betrekking hebbende stukken heeft ingediend, stel ik u hierbij mede in het licht van vaste jurisprudentie dienaangaande (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:HR:2015:874 en ECLI:NL:HR:2008:BA3823) in de gelegenheid zich over dit standpunt van eiseres uit te laten, en desgewenst (nogmaals) toepassing te geven aan artikel 8:42 van de Awb. Indien u van deze gelegenheid gebruik wenst te maken, verzoekt de rechtbank u te reageren binnen tien dagen na heden.

(…)”

De stukken die op 30 oktober 2020 zijn overgelegd betreffen overigens geen stukken in zaak HAA 18/2376, maar stukken in voornoemde zaak HAA 20/4898, waarin een aan eiseres opgelegde bestuurlijke boete aan de orde is.

8. Bij brief van 17 mei 2021 heeft verweerder verzocht om wijziging van de datum van de mondelinge behandeling. Daarbij is onder meer aangegeven dat vanwege plotselinge ernstige privéomstandigheden van de behandelend inspecteur, hij niet in staat is om bij de mondelinge behandeling aanwezig te zijn en de daarvoor benodigde stukken aan de rechtbank te overleggen. Bij brief van 19 mei 2021 heeft de rechtbank het verzoek ingewilligd.

9. Naar aanleiding van de brief van eiseres van 28 april 2021 en de brief van verweerder van 17 mei 2021 en de reactie van eiseres daarop van diezelfde datum heeft de rechtbank op 28 mei 2021 een zogeheten regiebrief aan partijen verzonden. In deze regiebrief is – voor zover van belang – het volgende vermeld:

“(…)

Bij brief van 17 mei 2021 heeft verweerder onder meer te kennen gegeven gebruik te willen maken van de gelegenheid om benodigde stukken te overleggen. De rechtbank stelt verweerder daartoe in de gelegenheid, en stelt daarbij een termijn van drie weken. Hieruit volgt dat verweerder uiterlijk op 18 juni 2021 de op de zaak betrekking hebbende stukken in tweevoud (op papier en/of op andere gegevensdragers zoals een usb-stick indien het grote hoeveelheden informatie betreft) aan de rechtbank overlegt, voorzien van inhoudsopgave en/of leeswijzers.(…)”

10. Bij brief van 11 juni 2021 heeft eiseres gereageerd op de regiebrief. In deze brief is – voor zover van belang – het volgende vermeld:

“(…)

Op 4 maart 2021 heeft de Rechtbank de uitnodigingen gestuurd voor de hoorzitting. Het lijkt mij dat op dat moment kan en moet worden bepaald of een zaak zittingsrijp is. In mijn beleving hoort daar ook bij dat de Rechtbank – een laatste keer – vaststelt of het dossier alle relevante en wettelijk verplichte stukken bevat.

(…)”

11. Bij brief van 18 juni 2021 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en daarbij zes producties ingediend.

12. Bij brief van 30 juni 2021 zijn partijen uitgenodigd voor de zitting op 26 oktober 2021.

13. Bij brief van 8 juli 2021 heeft eiseres een nadere toelichting van de gronden van haar beroep ingediend met als bijlage daarbij onder meer een verzoek aan verweerder tot inzage in het digitaal dossier.

14. Bij brief van 15 oktober 2021 heeft eiseres nadere stukken gestuurd met een toelichting.

15. Bij e-mailbericht van 21 oktober 2021 heeft eiseres, onder verwijzing naar artikel 8:42 van de Awb, de rechtbank verzocht verweerder er op te wijzen dat deze gehouden is de op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen. Daarbij heeft eiseres een aantal stukken benoemd die naar haar oordeel behoren tot de op de zaak betrekking hebbende stukken. De rechtbank heeft dit bericht doorgezonden aan verweerder. Bij e-mailbericht van 21 oktober 2021 heeft verweerder een weergave gestuurd van een e-mailbericht over recente ontwikkelingen in het dossier dat van de zijde van verweerder aan eiseres is gestuurd.


Geschil en standpunten van partijen

16. In geschil is of de utb terecht is uitgereikt. Voordat de rechtbank echter aan een beoordeling hiervan kan toekomen, dient de rechtbank zich een oordeel te vormen of zij beschikt over de op de zaak betrekking hebbende stukken.


Welke stukken heeft verweerder overgelegd?

17. De rechtbank heeft, na ontvangst van het beroepschrift met de gronden, verweerder bij brief van 31 juli 2018 verzocht binnen vier weken de op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen. Bij brief van 29 augustus 2018 heeft verweerder vijf producties ingediend. Bij brief van 4 mei 2021 heeft de rechtbank verweerder desgevraagd een termijn gegund om de stukken in te dienen die volgens verweerder nog nodig zijn. Op de laatste dag van deze termijn, 18 juni 2021, heeft verweerder een verweerschrift ingediend met als bijlagen producties 6 tot en met 11. Verweerder heeft buiten deze stukken voor de zitting geen andere stukken ingediend dan het e-mailbericht van 21 oktober 2021.


Standpunt eiseres

18. Eiseres betoogt dat verweerder niet volledig is geweest met het insturen van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Bij haar brief van 8 juli 2021 heeft zij een grote hoeveelheid stukken overgelegd, voorzien van een inventarisatielijst en toelichting, die volgens haar tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoren. Bij brief van 15 oktober 2021 heeft eiseres nadere stukken gestuurd waarover zij ook stelt dat deze tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoren.

Eiseres betoogt dat verweerder zodanig in gebreke is gebleven dat de rechtbank, met toepassing van artikel 8:31 van de Awb, de utb dient te vernietigen.


Standpunt verweerder

19. In het verweerschrift van 18 juni 2021 is ter zake van de op de zaak betrekking hebbende stukken het volgende opgemerkt:

“Het complete dossier in deze zaak beslaat een kleine 50.000 pagina’s. Het merendeel hiervan betreft de uitdraai van digitale bestanden van de administratie van eiseres en de bewerking en analyse hiervan door de douane. Daarnaast is er veel mailverkeer over allerlei zaken, variërend van pogingen een afspraak te maken tot mails met inhoudelijke bijlagen. Daarnaast zijn er veelal stukken in diverse concept-versies gewisseld.

Het controlerapport vormt de basis van de uitnodiging tot betaling. Het bevat een weergave van alle relevante constateringen en gesprekken hierover.

Alle stukken die na het vaststellen van de uitnodiging tot betaling zijn gewisseld reken ik niet tot de op de zaak betrekking hebbende stukken in dit dossier.”


Beoordeling van het geschil


Kader

20. Ingevolge artikel 8:42, eerste lid, van de Awb zendt het bestuursorgaan binnen vier weken na de dag van verzending van de gronden van het beroepschrift de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter.

Ingevolge artikel 8:31 van de Awb kan de bestuursrechter, indien een partij niet voldoet aan de verplichting om stukken over te leggen, daaruit de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 10 april 2015 (ECLI:NL:HR:2015:874) overwogen dat op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb de inspecteur in beginsel alle stukken die hem ter beschikking staan en een rol hebben gespeeld bij zijn besluitvorming aan de belanghebbende en aan de rechter dient over te leggen.

Het doel van de in art. 8:42, eerste lid, van de Awb neergelegde verplichting is te waarborgen dat een geschil over een door de inspecteur genomen besluit wordt beslecht op basis van alle relevante feitelijke gegevens die aan de inspecteur ter beschikking staan, zodat de belanghebbende zich daarover kan uitlaten en de rechter daarmee bij zijn beoordeling rekening kan houden (HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672).


Procedureel bezwaar

21. Eiseres betoogt in de brief van 11 juni 2021 dat voordat een zitting wordt bepaald de rechtbank dient vast te stellen of het dossier alle relevante en wettelijk verplichte stukken bevat. De rechtbank ziet daarvoor geen grondslag, in het bijzonder niet dat een dergelijke verplichting zou volgen uit de artikelen 8:31, 8:42 of 8:45 van de Awb. Het betoog faalt.


Missen er stukken?

22. Wanneer de rechtbank aanleiding ziet voor de veronderstelling dat het dossier niet compleet is, zal de rechtbank, gebruikmakend van haar bevoegdheden op grond van de Awb, verweerder verzoeken daarover inlichtingen te verschaffen en verweerder desgewenst in de gelegenheid stellen zijn verplichting op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb na te komen.

22.1. De rechtbank heeft dit verzoek bij brieven van 4 mei 2021 en 28 mei 2021 gedaan. Verweerder heeft in totaal elf producties overgelegd, terwijl het complete dossier, volgens het verweerschrift, “een kleine 50.000 pagina’s” beslaat. De op papier overgelegde elf producties beslaan bij lange na niet 50.000 pagina’s.

22.2. In elektronische vorm vastgelegde gegevens zijn ook stukken in de zin van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb. De verplichting om de voor de beoordeling van de zaak van belang zijnde gegevens over te leggen ziet dus ook op in elektronische vorm vastgelegde, op de zaak betrekking hebbende gegevens (vergelijk HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672). Bijlage 4 van het controlerapport van 28 juni 2017 noemt acht bestanden die zijn gebruikt ter onderbouwing van het rapport. Deze bestanden zijn toentertijd met het concept rapport aan eiseres meegestuurd op een CD-rom. Op diverse plaatsen in het rapport, onder andere in paragraaf 3.2.5., zesde alinea, besproken ter zitting, is verwezen naar bestanden op de CD-rom. Ter zitting is bevestigd dat de digitale bestanden een eigen analyse en bevindingen van verweerder bevatten en niet alleen delen van de administratie van eiseres, zoals eerder door verweerder betoogd. Verweerder heeft deze CD-rom niet aan de rechtbank overgelegd.

22.3. Verweerder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat stukken die in de loop van de procedure bij de rechtbank beschikbaar kwamen, niet tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoren en daarom niet behoeven te worden overgelegd. Ter zitting heeft verweerder erkend dat ook stukken van na de vaststelling van de utb tot de op de zaak betrekking hebbende stukken kunnen worden gerekend.

Dit laatste is juist. Een redelijke uitleg van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb brengt mee dat de daarin opgenomen verplichting tot overlegging van stukken zich ook uitstrekt tot stukken die pas in de loop van het beroep ter beschikking van verweerder zijn gekomen. Indien dergelijke stukken ter beschikking van verweerder komen na afloop van de in artikel 8:42 van de Awb bedoelde termijn, dient hij deze alsnog onverwijld aan de rechter toe te zenden (vergelijk HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672).

22.4. Verweerder betoogt verder dat artikel 8:58, eerste lid, van de Awb, zich verzet tegen toezending van stukken die binnen tien dagen voor de zitting beschikbaar zijn gekomen. Niet in geschil is dat tot vlak voor de zitting verweerder en eiseres stukken hebben gewisseld, dit betreft ook stukken die op de zaak betrekking hebben. Naar het oordeel van de rechtbank verzet artikel 8:58, eerste lid, van de Awb zich niet zonder meer tegen indiening van stukken binnen tien dagen voor de zitting. Artikel 8:58 van de Awb ziet op een goede procesorde, en dient als waarborg dat de wederpartij en de rechtbank niet kort voor de zitting door stukken worden overvallen die eerder in geding hadden kunnen worden gebracht. Of stukken die binnen tien dagen voor de zitting worden ingediend, toch kunnen worden toegelaten, beoordeelt de rechtbank aan de hand van deze stukken en de omstandigheden waaronder deze worden ingediend. Omdat verweerder de stukken niet heeft ingediend, kan de rechtbank niet beoordelen of de stukken hadden kunnen worden toegelaten.

22.5. Op grond van het bovenstaande stelt de rechtbank vast dat verweerder heeft verzuimd de stukken die hem ter beschikking staan en een rol hebben gespeeld bij zijn besluitvorming aan de rechtbank over te leggen.


Zijn de stukken op een andere manier overgelegd?

23. Eiseres heeft bij brief van 28 april 2021 een grote hoeveelheid stukken overgelegd, met de toelichting dat deze stukken op de zaak betrekking hebbende stukken zijn. Daarbij stelt eiseres dat verweerder nog meer op de zaak betrekking hebbende stukken heeft, waarover eiseres niet beschikt.

23.1. Dat eiseres zelf beschikt over (een afschrift van) een stuk dat van belang kan zijn voor de besluitvorming in een zaak en zelf stukken aan de rechtbank heeft overgelegd, brengt niet mee dat verweerder is ontslagen van de verplichting (een afschrift van) dat stuk als een op de zaak betrekking hebbend stuk over te leggen (vergelijk HR 20 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH6420 en HR 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1319). De door eiseres overgelegde stukken zijn door deze overlegging niet geworden tot “op de zaak betrekking hebbende stukken” in de zin van artikel 8:42 van de Awb nu deze stukken immers door verweerder dienen te worden ingediend. Daar komt bij dat hoewel de rechtbank voor de zitting bij verweerder herhaaldelijk heeft aangedrongen op een reactie op de door eiseres overgelegde stukken, verweerder pas ter zitting een reactie heeft gegeven. Verweerder heeft daarbij, bij gebrek aan wetenschap, het standpunt ingenomen dat deze door eiseres overlegde stukken kwalificeren als “op de zaak betrekking hebbende stukken”.


Redenen voor het niet overleggen

24. Ter zitting is aan de orde geweest dat op de zaak betrekking hebbende stukken missen in het dossier, en wat daarvan de achtergrond is.

24.1. Verweerder heeft betoogd dat het nalaten van overlegging van op de zaak betrekking hebbende stukken gegrond kan worden op “procestechnische” of “proceseconomische” redenen. Ten eerste omdat het gaat om een grote hoeveelheid stukken waarvan een groot deel alleen digitaal beschikbaar is en dient te worden uitgeprint. Ten tweede omdat het maken van een kopie van op papier beschikbare stukken voor verweerder erg arbeidsintensief is. De rechtbank is van oordeel dat dit geen geldige redenen zijn voor het niet overleggen van de stukken. Zij vindt steun voor dit standpunt in een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem van 1 februari 2005, ECLI:NL:GHARN:2005:AS5639. De rechtbank mag van verweerder, als professionele proces-partij, verwachten dat deze zich houdt aan haar wettelijke verplichtingen, ook als dit een (grote) inspanning van verweerder vergt. Bovendien heeft de rechtbank verweerder in de brief van 17 mei 2021 uitdrukkelijk de gelegenheid geboden om stukken op een digitale gegevensdrager over te leggen om de door verweerder te plegen inspanning zo efficiënt mogelijk te laten zijn.

24.2. Verweerder heeft verder betoogd de rechtbank te willen behoeden voor een zodanig grote hoeveelheid stukken dat de rechtbank daardoor overbelast raakt. Dit is mede een reden geweest voor de wijze waarop de verweerder is omgegaan met de verzoeken van de rechtbank om de op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen. Naar het oordeel van de rechtbank is het niet aan verweerder om te beoordelen welke hoeveelheid stukken de rechtbank al dan niet aankan en aan de hand daarvan de hoeveelheid over te leggen stukken te beperken. De rechtbank kan in staat worden geacht zich een oordeel te vormen over het belang van de overgelegde stukken voor de voorliggende zaak, ook als dit een grote hoeveelheid stukken betreft. Waar verweerder wil voorkomen dat de rechtbank achterstand oploopt, kan een efficiënte inzet van de rechtbank gefaciliteerd worden door de op de zaak betrekking hebbende stukken digitaal toegankelijk te maken en te voorzien van een adequate index en eventuele toelichting.


Welke gevolgtrekking dient de rechtbank te verbinden?

25. Indien een partij verzuimt te voldoen aan de verplichting om stukken over te leggen, is het op grond van artikel 8:31 van de Awb aan de rechter om daaruit de gevolgtrekkingen te maken die hem geraden voorkomen. Dit voorschrift staat toe dat de rechter onder omstandigheden de gevolgtrekking maakt dat voorbijgegaan moet worden aan dit verzuim (HR 14 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3041).

25.1. De rechtbank stelt voorop dat zij partijen meerdere malen in de gelegenheid heeft gesteld zich erover uit te laten welke gevolgtrekking de rechtbank moet maken uit het gegeven dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd, laatstelijk ter zitting.

25.2. De rechtbank heeft een discretionaire bevoegdheid om, indien een partij niet voldoet aan de verplichting stukken over te leggen, daaruit de gevolgtrekkingen te maken die haar geraden voorkomen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat voorbijgegaan moet worden aan het verzuim. Het is een fundamenteel beginsel van bestuursprocesrecht dat eiseres en de rechtbank kunnen beschikken over alle op de zaak betrekking hebbende stukken die bij verweerder berusten. Eiseres wordt zonder kennisname van deze relevante stukken belemmerd in het voeren van gefundeerd verweer tegen de bestreden beslissing en de rechtbank wordt bij het ontbreken van relevante informatie belemmerd in de waarheidsvinding (vergelijk Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 22 september 2005, ECLI:NL:GHSHE:2005:AU3687).

25.3. De aard van de ontbrekende stukken is zodanig dat de rechtbank zich geen oordeel kan vormen over de juistheid van de utb. De digitale bestanden op de CD-rom bij het controlerapport bevatten bijvoorbeeld een correctie van € [# 5] in de goederenbeweging op basis van een reconstructie (bijlage 4.2), een herberekening van de douanewaarde waardoor de verschuldigde douanerechten met € [# 6] zouden moeten worden verhoogd (bijlage 4.4) en een correctie op volledigheid, uitkomend op een correctie op douanerechten van € [# 7] (bijlage 4.5). Dit zijn eigen analyses en bevindingen van verweerder. De rechtbank kan zonder de beschikking te hebben over deze stukken niet onderzoeken of het betoog van eiseres dat de utb te hoog is vastgesteld, juist is. De rechtbank heeft begrip voor de omstandigheden, case-load en werkdruk van de procesvertegenwoordiger en zijn afdeling. Dit neemt echter niet weg dat de douane-organisatie kennelijk zo is ingericht dat het, ondanks herhaaldelijk aandringen van de rechtbank, niet mogelijk is gebleken om de op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen.

25.4. Niet in geschil is dat eiseres wel de beschikking heeft over de genoemde digitale bestanden, die haar zijn toegezonden bij het concept-controlerapport. Eiseres heeft betoogd dat er meer stukken tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoren, ook stukken waarover eiseres geen beschikking heeft. Bij gebrek aan de stukken kan de rechtbank zich echter geen oordeel vormen of eiseres, door het verzuim van verweerder om de stukken over te leggen, is geschaad in haar verdediging of dat de procedure zonder de schending een andere afloop zou kunnen hebben gehad, waarbij de rechtbank opmerkt dat het verzuim tot het moment van sluiting van het onderzoek hersteld had kunnen worden.

25.5. Dat de rechtbank zich vanwege het ontbreken van stukken geen oordeel kan vormen, komt voor rekening van verweerder.

25.6. De rechtbank heeft ter zitting het onderzoek gesloten. De rechtbank ziet in het vastgestelde gebrek geen aanleiding het onderzoek te heropenen en verweerder wederom in de gelegenheid te stellen de op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen. Verweerder is in de fase van het vooronderzoek zowel door de rechtbank als door eiseres meermalen erop gewezen dat de op de zaak betrekking hebbende stukken door hem dienen te worden overgelegd. De zitting van 28 mei 2021 is, op verzoek van verweerder, uitgesteld (mede) om verweerder de gelegenheid te geven de op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen. In de vijf maanden tot de zitting van 26 oktober 2021 heeft verweerder van deze gelegenheid onvoldoende gebruik gemaakt; hij heeft aanvullend slechts zes stukken overgelegd, en daarbij opgemerkt dat het complete dossier in deze zaak een kleine 50.000 pagina’s beslaat.


Hoe nu verder?

26.1. Vanwege het verzuim van verweerder om de op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en de uitspraak op bezwaar vernietigen.

26.2. Uitgangspunt in het belastingrecht is dat een geschil in beginsel finaal wordt beslecht. Dit wordt in beroep bij de rechtbank bereikt doordat de rechtbank de utb zelf vaststelt of door de utb te vernietigen. Voorafgaand aan de zitting en ook tijdens de zitting heeft verweerder aangegeven de utb mogelijk niet volledig te handhaven. Partijen zijn in gesprek geweest over de juiste systematiek ter bepaling van de douanewaarde van de door eiseres in de toekomst in te voeren goederen en bij wijziging van die systematiek was verweerder voornemens een herberekening van correcties inzake douanewaarde over de periode 2014 en 2015 te laten uitvoeren. Hoewel er overeenstemming lijkt te zijn over de systematiek heeft dit niet de voorziene opvolging gehad met betrekking tot de litigieuze utb.

26.3. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de utb niet gehandhaafd kan blijven. Bij gebrek aan stukken kan de rechtbank de utb niet zelf vaststellen. Dit leidt tot de conclusie dat de utb vernietigd moet worden.


Overige gronden

27. Aan de overige aangevoerde gronden komt de rechtbank niet toe.


Immateriële schadevergoeding

28. Eiser verzoekt om toekenning van een immateriële schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn van twee jaar voor het doen van een uitspraak in bezwaar en beroep.

28.1. Een uitspraak in eerste aanleg is niet binnen een redelijke termijn gedaan als de rechtbank niet binnen twee jaar na de ontvangst van het bezwaarschrift uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden (Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252).

28.2. Het bezwaarschrift is ingediend op 6 juli 2017, de uitspraak op bezwaar is gedaan op 9 april 2018 en de rechtbank doet uitspraak op 7 december 2021. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan de redelijke termijn verlengd zou moeten worden, zijn gesteld noch gebleken. In deze zaak is daarom de redelijke termijn overschreden met (afgerond) 30 maanden. De overschrijding is voor vier maanden toe te rekenen aan de bezwaarfase en voor 26 maanden aan de beroepsfase. Gelet op het hiervoor overwogene bedraagt de immateriële schadevergoeding in deze zaak in totaal € 2.500 (5 x € 500 per half jaar). Hiervan dient een bedrag van € 333 door verweerder vergoed te worden en een bedrag van € 2.167 door de Staat (minister van Justitie en Veiligheid).


Proceskosten en griffierecht

29. De rechtbank ziet aanleiding voor een veroordeling van verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten.

29.1. Eiseres heeft verzocht om een integrale proceskostenvergoeding voor de bezwaar- en beroepsfase. Ter zitting heeft zij toegelicht dat een integrale proceskostenvergoeding passend is omdat er onvolkomenheden zijn geweest en verweerder in strijd met wettelijke bepalingen heeft gehandeld. Dit heeft er volgens eiseres toe geleid dat er onnodige procedures moesten worden gevoerd en voor de verdediging buitenproportioneel veel werk moest worden verricht. De rechtbank begrijpt dit in die zin dat eiseres stelt dat zij recht heeft op een integrale proceskostenvergoeding onder andere omdat de handelswijze van verweerder ertoe heeft geleid dat eiseres het werk van verweerder heeft moeten doen omdat verweerder in gebreke bleef de op de zaak betrekking hebbende stukken te overleggen.

29.2. De rechtbank stelt voorop dat een forfaitair stelsel bestaat voor de vergoeding van proceskosten, neergelegd in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Eiseres doet voor de berekening van de proceskostenvergoeding een beroep op artikel 2, derde lid, van het Bpb. Dit artikellid ziet, blijkens de wetgevingsgeschiedenis (TK 1999-2000, 27024, nr. 3, blz. 7.), op uitzonderlijke, schrijnende gevallen, waarbij strikte toepassing van het Besluit evident onrechtvaardig zou zijn. Voor toekenning van een proceskostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Besluit is grond indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een (de) daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (HR 13 april 2007, nr. 41.235, ECLI:NL:HR:2007:BA2802 en herhaald in HR 6 februari 2009, 08/01915, ECLI:NL:HR:2009:BH1928) dan wel (HR 4 februari 2011, nr. 09/02123, ECLI:NL:HR:2011:BP2975), indien verweerder in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld. De rechtbank is van oordeel dat geen van de hiervoor in de arresten omschreven situaties zich voordoet. De rechtbank stelt vast dat eiseres werk naar zich toegetrokken heeft door een grote hoeveelheid stukken over te leggen die zij beschouwt als op de zaak betrekking hebbende stukken. Dat had zij niet hoeven doen. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding voor een integrale proceskostenvergoeding. Ook de overige redenen die eiseres aanvoert voor een integrale proceskostenvergoeding geven hiertoe geen aanleiding. Over en weer hebben partijen elkaar veel werk bezorgd en elkaar lang vastgehouden in de procedure.

29.3. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de proceskosten forfaitair berekenen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiseres heeft gesteld dat verweerder in de bezwaarfase inzage in stukken heeft geweigerd, of pas later stukken heeft overgelegd die al eerder beschikbaar waren en verweerder dit niet heeft betwist. Dit is voor de rechtbank aanleiding om tot vergoeding van de proceskosten in bezwaar over te gaan. De rechtbank stelt de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op grond van het Bpr vast op € 1.278 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het hoorgesprek met een waarde per punt van € 265, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 748 en een wegingsfactor 1). Het punt voor het verschijnen ter zitting is al door verweerder vergoed in de gelijktijdig behandelde zaak HAA 20/4898.

29.4. De rechtbank ziet voorts aanleiding verweerder op te dragen het door eiseres betaalde griffierecht van € 338 te vergoeden.


Beslissing

De rechtbank:

– verklaart het beroep gegrond;

– vernietigt de uitspraak op bezwaar;

– vernietigt de uitnodiging tot betaling;

– veroordeelt verweerder tot vergoeding van de door eiseres geleden immateriële schade tot een bedrag van € 333;

– veroordeelt de minister van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van de door eiseres geleden immateriële schade tot een bedrag van € 2.167;

– veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.278;

– gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 338 vergoedt.