Jurisprudentie

  • Op 20 september 2018 heeft het Hof van Justitie arrest gewezen in de zaak C-555/17
    betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing ter zake van de uitlegging van
    GN-onderverdeling 8528 7113 (oude tekst) van de gecombineerde nomenclatuur en de
    tariefindeling van toestellen die gebruikt kunnen worden voor de ontvangst,
    afstelling en verwerking van televisiesignalen die rechtstreeks worden overgebracht
    via internetprotocoltelevisie (hierna: „IPTV-settopboxen”). Volgens het Hof moet de
    GN aldus worden uitgelegd dat toestellen die kunnen worden gebruikt voor de
    ontvangst, afstelling en verwerking van televisiesignalen die rechtstreeks worden
    overgebracht via internetprotocoltelevisie, zoals de toestellen die in het
    hoofdgeding aan de orde zijn, ingedeeld moeten worden in GN-onderverdeling 8528 7190
    (oude tekst), mits zij niet zijn uitgerust met een videotuner of „televisietuner”.
    Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of dit laatste het geval is.

  • Op 13 september 2018 heeft het Hof van Justitie arrest gewezen in de zaak onder nr.
    C‑372/17, betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de
    rechtbank Noord-Holland (Nederland) bij beslissing van 15 juni 2017. Het verzoek om
    een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van onderverdeling 8525 8030 van de
    gecombineerde nomenclatuur, alsmede de geldigheid van uitvoeringsverordening (EU) nr.
    113/2014 van de Commissie van 4 februari 2014 tot indeling van bepaalde goederen in
    de gecombineerde nomenclatuur. Daarbij heeft het Hof geoordeeld dat de
    onderverdeling8525 8030 aldus moet worden uitgelegd dat een camera als die in het
    hoofdgeding, die het vermogen heeft om een groot aantal fotografische beelden per
    seconde op te nemen en ze te bewaren in zijn vluchtig intern geheugen, waaruit ze
    worden gewist wanneer de camera wordt uitgeschakeld, onder deze onderverdeling valt,
    en dat uitvoeringsverordening (EU) nr. 113/2014 van de Commissie van 4 februari 2014
    tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur, voor zover zij
    naar analogie van toepassing is op producten met de kenmerken van deze camera,
    ongeldig is.

  • Het Hof van Justitie heeft op 6 september 2018 arrest gewezen in de zaak C 471/17
    betreffende de uitlegging van tariefonderverdeling 1902 3010 van de gecombineerde
    nomenclatuur. Het Hof heeft daarbij geoordeeld dat instant noedelgerechten als aan de
    orde in het hoofdgeding, die hoofdzakelijk bestaan uit een blok voorgekookte en
    gebakken noedels, onder onderverdeling 1902 3010 vallen. Deegwaren waaraan na het
    productieproces het vocht wordt onttrokken om deze in gedroogde staat te brengen,
    worden aangemerkt als gedroogde deegwaren. Met welk proces deze gedroogde toestand
    wordt bereikt, is daarentegen niet beslissend in dit verband.

  • Het Gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep in de zaak onder nr. 17/00598 op 3
    juli 2018 geoordeeld dat voor wat betreft het historisch belang een Porsche 962C
    zelf, als zodanig, specifieke eigenschappen te hebben. Niet van belang zijn de
    omstandigheden in verband met het gebruik van de auto. Het Hof kwalificeert de auto
    niet als een voorwerp (voor verzamelingen) met een historisch belang in de zin van
    post 9705. Indeling dient daarom te geschieden onder post 8703, onderverdeling 8703
    24 90 (10%). Hieruit volgt dat de bestreden UTB op het juiste bedrag is vastgesteld.

  • De Hoge Raad heeft op 17 augustus 2018 in zaaknummer 16/03533 geoordeeld dat er geen
    sprake was van toerekenbare schijn van volmachtverlening en dat belanghebbende niet
    is aan te merken als douaneschuldenaar.