Jurisprudentie

  • In de zaak onder nummer 19/03745 betreft het de indeling van een deurmat in de
    Gecombineerde Nomenclatuur (GN). Het in te delen product bestaat voor 98% uit rubber
    en op de bovenzijde zijn polyestervezels gelijmd. Het in te delen product bestaat
    voor 98% uit rubber en op de bovenzijde zijn polyestervezels gelijmd. De partijen
    verschillen van mening over de toepasselijke postonderverdeling. Belanghebbende meent
    dat postonderverdeling 4016 91 00 (matten van niet-geharde gevulkaniseerde rubber)
    van toepassing is, de Inspecteur postonderverdeling 5705 00 30 van de GN (andere
    tapijten van synthetische of kunstmatige textielstoffen).Op 30-09-2020 heeft de AG
    geconcludeerd dat de deurmat met toepassing van algemene indelingsregel 3b in
    postonderverdeling 4016 91 00 van de GN moet worden ingedeeld. Tot slot gaat de A-G
    in onderdeel 5 na of een indelingsverordening van de Commissie tot een andere
    indeling dwingt. De A-G meent dat dit niet het geval is. De A-G concludeert dat het
    middel terecht is voorgesteld en geeft de Hoge Raad in overweging het beroep in
    cassatie gegrond te verklaren.

  • In de gevoegde zaken C-419/20 en C-427/20 Gräfendorfer Geflügel - und Tiefkühlkost
    e.a zijn partijen het erover oneens of over onrechtmatig vastgestelde en krachtens
    een onherroepelijk geworden vonnis van het Finanzgericht Hamburg terugbetaalde
    antidumpingrechten, rente verschuldigd is.

  • Op 15 oktober 2020 heeft het Hof van Justitie in de zaak
    C‑543/19 arrest gewezen betreffende de vrijstelling van het ingestelde
    antidumpingrecht op citroenzuur van oorsprong uit de Volksrepubliek China. Volgens
    het Hof kan de invoer van goederen niet worden vrijgesteld van het ingestelde
    antidumpingrecht wanneer de voor een dergelijke vrijstelling noodzakelijke factuur in
    de verklaring niet uitvoeringsbesluit (EU) 2015/87 van de Commissie van 21 januari
    2015 tot aanvaarding van de verbintenissen die zijn aangeboden in het kader van de
    antidumpingprocedure betreffende de invoer van citroenzuur van oorsprong uit de
    Volksrepubliek China vermeldt.

  • In zaak C‑117/19 heeft het Hof van Justitie op 15 oktober 2020 arrest gewezen
    betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing over de betaling van
    definitieve antidumpingrechten op de invoer van meststoffen op basis van
    ammoniumnitraat. Daarbij heeft het Hof geoordeeld dat uitvoeringsverordening (EU) nr.
    999/2014 van de Commissie van 23 september 2014 tot instelling van een definitief
    antidumpingrecht op ammoniumnitraat van oorsprong uit Rusland aldus moet worden
    uitgelegd, dat bij een meststof op basis van ammoniumnitraat (AN) met een
    stikstofgehalte (N) van meer dan 28 gewichtspercenten, een verhouding tussen
    ammoniumstikstof en nitraatstikstof van ongeveer 1:1 en een totaal fosfor- en
    kaliumgehalte van niet meer dan 12 gewichtspercenten, behoudens bewijs van het
    tegendeel de aanname geldt dat deze meststof een ammoniumnitraatgehalte (AN) van meer
    dan 80 gewichtspercenten heeft voor de heffing van het bij dit artikel ingestelde
    definitieve antidumpingrecht, zonder dat een laboratoriumtest hoeft te worden
    verricht om het exacte ammoniumnitraatgehalte te bepalen.

  • De Hoge Raad heeft in zaaknr. 17/02030 op 9 oktober 2020 arrest gewezen op het beroep
    in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 4 april 2017
    betreffende aan belanghebbende uitgereikte uitnodigingen tot betaling van
    antidumpingrechten. Uit hetgeen door het Hof van Justitie in de zaak Donex is
    overwogen, volgt dat de door de douaneautoriteiten van de lidstaten gedane
    mededelingen van verschuldigde antidumpingrechten rechtsgeldig zijn gedaan en dus in
    stand moeten blijven. De middelen in cassatie falen.