Jurisprudentie

  • De rechtbank Noord-Holland heeft op 2 november 2023 uitspraak gedaan in de gevoegde zaaknummers HAA 21/6665 en HAA 21/6666. Dit beroep gaat over de indeling van profielen van een stemhokje en profielen van een scheidingswand in de Gecombineerde Nomenclatuur. De rechtbank is van oordeel dat de producten niet kunnen worden ingedeeld onder GN-post 76.10. De producten kunnen niet worden aangemerkt als constructiewerk. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de producten terecht in de BTI’s heeft ingedeeld in TARIC-onderverdeling 7604 2100 90. Uit de bewoordingen van GN-post 76.04 volgt dat deze post profielen van aluminium omvat. Uit de objectieve eigenschappen en kenmerken volgt dat de producten onder meer bestaan uit holle profielen die zijn vervaardigd een aluminiumlegering. Met toepassing van indelingsregel 3b moeten de profielen van aluminium met (voor wat betreft het stemhokje) de kunststof dopjes, buisjes en het haakje en (voor wat betreft de scheidingswand) met twee kunststof dopjes, worden ingedeeld naar de stof waaraan het assortiment zijn wezenlijke karakter ontleent. Aangezien de profielen het dragende raamwerk vormen voor het uiteindelijk te monteren stemhokje dan wel de uiteindelijk te monteren scheidingswand, ontleent het assortiment zijn wezenlijke karakter aan de stof aluminium.

  • Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 14 september 2023 in de zaaknummers 22/0252 en 22/02529 geoordeeld ter zake van de wijziging van de aangiften (van aangiften in eigen naam en voor eigen rekening naar aangiften in eigen naam, maar voor rekening van de importeur). Omdat belanghebbende niet over een vergunning bijzondere bestemming beschikte werd op het moment van aangifte niet voldaan aan één van de voorwaarden voor de plaatsing van de goederen onder die regeling. Dientengevolge hebben de goederen zich nimmer onder de regeling bijzondere bestemming bevonden en was belanghebbende daarom niet gehouden om enige aan het gebruik van die regeling verbonden verplichting na te komen. Het DWU biedt onder deze omstandigheden geen grond voor de door belanghebbende verzochte wijziging van de aangiften.

  • Op 23 november 2023 heeft het Hof van Justitie arrest gewezen in de zaak C‑653/22 betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing ter zake van de uitlegging van artikel 42, lid 1, van verordening (EU) nr. 952/2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie. Daarin is bepaald dat iedere lidstaat sancties vaststelt voor het niet naleven van de douanewetgeving. Dergelijke sancties moeten effectief, proportioneel en afschrikkend zijn. Volgens het Hof verzet dit artikel zich niet tegen een nationale regeling die, in geval van een derving van douanerechten ten gevolge van het verstrekken van onjuiste inlichtingen in een douaneaangifte betreffende in de Europese Unie ingevoerde goederen, voorziet in een bestuurlijke geldboete die gelijk is aan 50 % van de gederfde douanerechten en die wordt opgelegd ondanks de goede trouw van de betrokken marktdeelnemer en de door hem genomen voorzorgsmaatregelen. Het Hof meent dat dit percentage van 50 % duidelijk lager is dan het percentage dat geldt in geval van kwade trouw van deze marktdeelnemer, en het bovendien aanzienlijk is verlaagd voor bepaalde in die regeling genoemde situaties, waaronder die waarin de marktdeelnemer te goeder trouw zijn douaneaangifte vóór het einde van de controle achteraf corrigeert.

  • De Hoge Raad heeft op 24 november 2023 in zaaknummer 21/03894 arrest gewezen ter zake van antidumpingrechten en compenserende rechten. Het Hof had eerder geoordeeld dat de Inspecteur terecht de door belanghebbende gemaakte bezwaren tegen zowel de mededelingen als de uitnodigingen tot betaling niet-ontvankelijk had verklaard. De stelling van het middel, dat de aan de Duitse vennootschap uitgereikte uitnodigingen tot betaling als rechtstreeks rechtsgevolg meebrengen dat belanghebbende is gehouden tot het betalen van de daarin meegedeelde douaneschulden, faalt. Het oordeel van het Hof dat de op naam van de Duitse vennootschap gestelde uitnodigingen tot betaling belanghebbende niet in de zin van artikel 243 van het CDW rechtstreeks raken, is dus juist. Het middel faalt. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

  • De rechtbank Noord-Holland heeft op 22 november 2023 in zaaknummer HAA 21/2366 geoordeeld dat door het niet ontvangen van een voornemen het verdedigingsbeginsel is geschaad en dat er een ander afloop-criterium mogelijk zou zijn geweest. Het beroep is daarmee gegrond, de uitnodiging tot betaling wordt vernietigd.