Jurisprudentie

  • Op 21 september 2017 heeft het Hof van Justitie arrest gewezen in zaaknummer
    C-686/17, waarbij het Hof van Justitie van de Europese Unie onder meer is gevraagd is
    om uitlegging van het begrip „land van oorsprong” met betrekking tot de
    gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een
    aantal landbouwproducten. Het Hof heeft daarbij geoordeeld dat voor de vaststelling
    van de betekenis van het begrip „land van oorsprong”, dat in die bepalingen wordt
    gebezigd, moet worden uitgegaan van de verordeningen inzake douane voor de bepaling
    van de niet-preferentiële oorsprong van goederen.

  • De Hoge Raad heeft op 8 november 2019 arrest gewezen in de zaak 16/01523. Het middel
    faalt. Uit het arrest van het Hofvan Justitie (zaak C‑249/18) volgt dat het Hof bij
    de beoordeling van de vraag of de opgegeven transactiewaarde voor de toepassing van
    artikel 78, lid 3, van het CDW als een ‘onjuist gegeven’ mocht worden aangemerkt,
    mocht betrekken het feit dat belanghebbende zich bij de tariefindeling van de
    mediaspelers had vergist. Dit betekent dat juist is het oordeel van het Hof dat in
    een geval als dit de opgegeven transactiewaarde mag worden herzien. Het door het
    middel bestreden oordeel van het Hof is verder feitelijk en niet onbegrijpelijk.

  • In 2018 heeft het Hof Amsterdam in de zaak 17/00031 geoordeeld over de indeling van
    tonijnvlees, waarbij het de vraag was in hoeverre een “chunk” moet worden aangemerkt
    als 'bevroren filet van een tonijn' of als 'ander visvlees'. Volgens het Hof was het
    fabricageproces (of de volgorde van versnijden) niet relevant voor de indeling. De
    Hoge Raad heeft op 8 november 2019 in de zaak 18/00768 arrest gewezen ter zake van de
    tariefindeling van ‘tonijnchunks’ waarbij het de vraag was of tonijnchunks moeten
    worden ingedeeld als ‘ander visvlees’ of als ‘bevroren filet van een tonijn’. De Hoge
    Raad heeft het beroep van belanghebbende in cassatie ongegrond verklaard.

  • In zaak C‑395/17 heeft het Hof van Justitie op 31 oktober 2019 geoordeeld ter zake
    van een verzoek van de Europese Commissie om vast te stellen dat het Koninkrijk der
    Nederlanden de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens door niet
    te hebben voorzien in de compensatie van het verlies aan eigen middelen die hadden
    moeten zijn vastgesteld en voor de begroting van de Europese Unie. Volgens het Hof is
    het Koninkrijk der Nederlanden de verplichtingen niet nagekomen door het verlies aan
    eigen middelen niet te compenseren dat is ontstaan wegens de onregelmatige afgifte
    door de autoriteiten van Curaçao en Aruba van certificaten inzake goederenverkeer
    EUR.1 die bij de invoer van melkpoeder en rijst uit Curaçao en van gries en griesmeel
    uit Aruba zijn overlegd.

  • Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 11 juni 2019 uitspraak gedaan in hoger beroep in
    de gevoegde zaken 18/00231 tot en met 18/00234 met betrekking tot de indeling van
    schoonmaakdoekjes onder GN-onderverdeling 6003 3090 of in de GN-onderverdeling 6307
    1010. Het Hof is op basis van de Engelse en Franse taalversies van aantekening 7 op
    afdeling XI van de GN van oordeel dat geen sprake is van geconfectioneerde artikelen.
    Artikelen dienen te worden ingedeeld onder post 60.03. Beroep gegrond.