Jurisprudentie

  • Het gerechtshof Amsterdam heeft op 11 februari 2020 uitspraak gedaan in zaaknummer
    19/00052 op het hoger beroep tegen de uitspraak van 18 december 2018 in de zaak met
    het kenmerk HAA 17/1593 van de rechtbank Noord-Holland. Belanghebbende beschikt over
    een vergunning voor ‘behandeling onder douanetoezicht’, waarin - zo kan in
    redelijkheid niet anders worden begrepen - door de inspecteur wordt vergund dat in
    totaal 10.000 metric ton onder deze regeling mag worden geplaatst. Met het
    overschrijden van deze hoeveelheid is een douaneschuld ontstaan ingevolge artikel
    204, lid 1, aanhef en onder b, van het CDW. UTB terecht uitgereikt.

  • In de zaak C-39/20 Jumbocarry Trading heeft de Hoge Raad prejudiciële vragen gesteld
    betreffende tijdigheid uitreiking UTB. Eiseres heeft in 2013 aangifte gedaan om een
    partij goederen van porselein van GS-post 69.11, van oorsprong uit Bangladesh, in het
    vrije verkeer te brengen onder overlegging van een Form A met daarbij een beroep op
    toepassing van het preferentiële tarief van 0%. De inspecteur heeft de UTB voor wat
    betreft de onderhavige douaneschuld aan eiseres verzonden na afloop van de daarvoor
    geldende termijn, waardoor deze in zoverre niet in stand kan blijven. De
    Staatssecretaris heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
    De Hoge Raad heeft op 24 januari 2020 in zaaknummer 18/01495 arrest gewezen en heeft
    prejudiciële vragen gesteld.

  • In zaak C‑182/19 betreffende de indeling van warmteopwekkende pleisters en gordels om
    pijn te verlichten heeft het Hof van Justitie op 26 maart 2020 Uitvoeringsverordening
    (EU) 2016/1140 tot indeling van dergelijke goederen in de gecombineerde nomenclatuur
    onder post 38.24 ongeldig verklaard. Het product verleent warmtetherapie door
    hyperthermie, die als behandeling wordt erkend, gelet op de fysiologische heilzame
    werking die zij oplevert. De conclusie dat zij dienen om pijn en letsels te
    behandelen draagt er toe bij dat de in uitvoeringsverordening 2016/1140 bedoelde
    producten vallen dus onder GN-post 30.05 en kunnen dientengevolge niet onder GN-post
    38.24 vallen.

  • In de zaak C-62/20 is het Hof van Justitie de vraag gesteld in hoeverre geschaafde
    houten planken waarbij bij de vier hoeken een afronding werd aangebracht over de
    gehele lengte van de plank, dienen te worden beschouwd als zijnde 'over de gehele
    lengte geprofileerd' en bijgevolg te worden ingedeeld onder tariefpost 44.09 of dat
    het afronden van de hoeken niet worden beschouwd als 'over de gehele lengte
    geprofileerd' en de goederen bijgevolg dienen te worden ingedeeld onder tariefpost
    44.07?

  • Rechtbank Noord-Holland heeft op 4 maart 2020 in de zaak AWB - 17 _ 2686 geoordeeld
    dat bij een verzoek tot terugbetaling van de antidumpingrechten het beroep op de in
    artikel 120 van het DWU genoemde billijkheid faalt. In dit artikel worden twee
    cumulatieve vereisten voor de terugbetaling van invoerrechten om reden van
    billijkheid genoemd. Eiseres heeft nagelaten de vereiste bijzondere omstandigheden
    nader te onderbouwen. De stelling van eiseres, dat verweerder de procedure voor
    terugbetaling en kwijtschelding zoals omschreven in het DWU heeft geschonden, is niet
    terecht.