Jurisprudentie

  • De rechtbank Noord-Holland heeft op 29 april 2022 in zaaknr. HAA 20/6479 geoordeeld dat aan de verplichtingen van de desbetreffende douaneregeling is voldaan en daarmee is het douanetoezicht beëindigd. De goederen zijn definitief in het vrije verkeer gebracht zoals bedoeld in artikel 254, vierde lid, aanhef en onder a van het DWU. Op grond van artikel 173, derde lid, van het DWU kunnen de aangiften niet meer worden gewijzigd.

  • De rechtbank Noord-Holland heeft op 29 april 2022 in zaaknr. HAA 18/1792 geoordeeld ter zake van schendingen van de voorwaarden van een vergunning bijzondere bestemming. Eiseres beschikt niet over een - toereikende - vergunning. Eiseres heeft de hoeveelheden ten onrechte met gebruikmaking van de vergunning bijzondere bestemming onder de regeling bijzondere bestemming in het vrije verkeer gebracht. Op grond van artikel 204, eerste lid, aanhef en onder b, van het CDW onderscheidenlijk artikel 79, eerste lid, onder c, van het DWU is een douaneschuld ontstaan.

  • Het gerechtshof Amsterdam heeft op 2 november 2021 in zaaknummer 20/00241 geoordeeld dat de voorwaarden voor kwijtschelding op de voet van artikel 239 van het CDW zijn niet vervuld.

  • Het gerechtshof Amsterdam heeft op 2 november 2011in haar uitspraak in de zaak onder nummer 20/00242 geoordeeld dat een verzoek om herziening van de aangiften is terecht geweigerd. Communautaire goederen die, na uit het douanegebied van de Gemeenschap te zijn uitgevoerd, opnieuw in dit douanegebied worden binnengebracht en binnen een termijn van drie jaar in het vrije verkeer worden gebracht, kunnen op verzoek van de belanghebbende van rechten bij invoer vrijgesteld. In het arrest van de Hoge Raad van 13 maart 2015 is geoordeeld dat de onderhavige vrachtwagens gebruikte goederen waren die meer dan drie jaar daarvoor vanuit de Europese Unie naar Israël waren vervoerd. Nu gelet op voornoemd arrest in rechte vaststaat dat de vrachtwagens niet binnen een termijn van drie jaar in het vrije verkeer zijn gebracht, faalt de stelling van eiseres.

  • In de zaaknummers HAA 22/1383 en HAA 22/1384 heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter verweerder, gegeven het OLAF-onderzoek, op goede gronden geoordeeld dat de fietsen mogelijk niet uit Thailand afkomstig zijn, maar uit China en dat op grond daarvan voor het invoeren daarvan in de EU een aanzienlijk hoger bedrag aan heffingen verschuldigd kan zijn. Hetgeen verzoeksters daartegenover hebben gesteld is onvoldoende om de in het onderzoek naar voren komende onzekerheid omtrent de oorsprong van de fietsen weg te nemen. Dat het onderzoek nog niet is afgerond doet niet af aan de reële mogelijkheid dat de fietsen in China zijn geproduceerd en dat mitsdien een aanmerkelijk hoger bedrag aan heffingen is verschuldigd. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening hangende bezwaar af.