Jurisprudentie

  • Op 26 juni 2020 heeft de Hoge Raad arrest gewezen in zaak onder nr. 19/03226 op het
    beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 21 mei 2019,
    nrs. 18/00102 tot en met 18/00105 (www.inenuitvoer.nl 2019-6450), betreffende aan
    belanghebbende uitgereikte uitnodigingen tot betaling van douanerechten. Het middel
    betoogt dat aan de hand van de individuele omstandigheden van het geval moet worden
    beoordeeld of de Inspecteur het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel heeft geschonden
    door belanghebbende niet voorafgaand aan het uitreiken van de in geding zijnde
    uitnodigingen tot betaling in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. De
    uitspraak van het Hof niet in stand kan blijven.

  • In een Beschikking van het Gerecht van Eerste Aanleg van 10 juni 2020 betreffende een
    verzoek strekkende tot nietigverklaring van uitvoeringsverordening (EU) 2019/1661 van
    de Commissie van 24 september 2019 tot indeling van fracties van visolie is
    geoordeeld dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. In casu voert
    verzoekster geen enkel argument aan waarmee zij een bijzondere hoedanigheid kan
    aantonen of een feitelijke situatie die haar karakteriseert en haar derhalve
    individualiseert ten opzichte van de andere marktdeelnemers die potentieel door de
    bestreden verordening worden geraakt. Uit het voorgaande volgt derhalve dat
    verzoekster door de bestreden verordening enkel geraakt wordt in haar objectieve
    hoedanigheid van marktdeelnemer die betrokken is bij douaneactiviteiten in verband
    met de producten die overeenkomen met de omschrijving van de goederen in kolom 1 van
    de bijlage bij de bestreden verordening, op dezelfde manier als elke andere
    marktdeelnemer die zich daadwerkelijk of potentieel in eenzelfde situatie bevindt.

  • Op 18 juni 2020 heeft het Hof van Justitie arrest gewezen in de zaak C‑340/19
    betreffende de uitlegging van post 74.07 van de gecombineerde nomenclatuur. Daarbij
    heeft het Hof geoordeeld dat post 74.07 aldus moet worden uitgelegd dat warmgewalste
    rechthoekige baren van koper of koperlegering, waarvan de dikte een tiende van de
    breedte overtreft maar waarvan de dwarsdoorsnede onregelmatige poriën, perforaties en
    scheuren vertoont, onder deze post kunnen vallen.

  • Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 26 mei 2020 uitspraak gedaan in de zaak onder
    nummer19/00809 met betrekking tot de ontvankelijkheid bezwaarschrift in een vreemde
    taal. De inspecteur heeft de indiener van het bezwaarschrift kunnen vragen om een
    vertaling. Belanghebbende, woonachtig te Duitsland, is herhaaldelijk (en ruimschoots)
    de tijd gegund om het verzuim te herstellen en, naar niet in geschil is, zij de
    brieven waarin haar dat is verzocht ook heeft ontvangen, is het Hof, anders dan de
    rechtbank, van oordeel dat het (in de Duitse taal gestelde) bezwaarschrift door de
    inspecteur terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

  • In geschil is de indeling van een product (een set van twee rackets en een bal) in de
    Gecombineerde Nomenclatuur. Het product moet worden aangemerkt als 'ander materieel
    voor openluchtspelen' van GN-onderverdeling 9506 9990. Van belang is dat in de tekst
    van GN-post 95.06 openluchtspelen worden onderscheiden van sporten en dat het
    overslaan van een bal een onmiskenbaar fysiek spelelement heeft, dat uitstijgt boven
    enkel vermaak. Aan eiseres is teveel invoerrechten in rekening gebracht. De rechtbank
    Noord-Holland heeft het beroep op 23 april 2020 gegrond verklaard.