Jurisprudentie

  • De Raad van Beroep voor Belastingzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van
    Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft op 1 februari 2019 in zaaknummer 2011/50660
    uitspraak gedaan betreffende een op 20 september 2010 verzonden uitnodiging tot
    betaling (UTB) voor het niet aanzuiveren van de documenten behorende bij de
    douaneregeling tijdelijke invoer. Belanghebbende is, ook na herhaaldelijke verzoeken
    door de Inspecteur, niet in staat gebleken het bewijs te overleggen waaruit volgt dat
    de Minister een toezegging heeft gedaan dat belanghebbende geen invoerrechten dan wel
    tegen een lager tarief dan 30% verschuldigd zou zijn op de ingevoerde bussen. De Raad
    verklaart het beroep ongegrond.

  • Belanghebbende heeft bij aangifte een verzoek ingediend tot vrijstelling van
    invoerrechten voor een motorvoertuig dat onderdeel uitmaakt van een verhuisboedel.
    Bij beschikking van 10 december 2009 heeft de Inspecteur der Invoerrechten en
    Accijnzen dit verzoek afgewezen. Op 13 april 2019 heeft de Raad van Beroep voor
    Belastingzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en
    Saba het beroep in de zaak 2011/49315 ongegrond verklaart.

  • De Raad van Beroep voor Belastingzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van
    Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft op 28 juli 2019 in de zaak 2011/47465 met
    betrekking tot navordering rechten na onjuiste indeling vruchtensappen het ingestelde
    beroep ongegrond verklaart.

  • In de zaak C 559/18 heeft het Hof van Justitie op 5 september 2019 geoordeeld op het
    verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van tariefonderverdeling
    8504 40 30 over de tariefindeling van statische omvormers. Uit dit dossier blijkt dat
    de betrokken omvormers zijn ontworpen voor gebruik in een groot aantal verschillende
    toestellen, zodat hun indeling onder onderverdeling 8504 40 30 van de GN op het
    eerste gezicht uitgesloten lijkt. Het Hof heeft geoordeeld dat op de gestelde vraag
    moet worden geantwoord dat onderverdeling 8504 40 30 van de GN aldus moet worden
    uitgelegd dat statische omvormers als die in het hoofdgeding slechts onder deze
    onderverdeling kunnen vallen indien zij hoofdzakelijk bestemd zijn om te worden
    gebruikt met „telecommunicatietoestellen, automatische gegevensverwerkende machines
    en eenheden daarvoor” in de zin van deze onderverdeling, hetgeen de verwijzende
    rechter dient na te gaan.

  • In de zaak Prejudiciële hofzaak C-476/19 Combinova is het Hof van Justitie gevraagd
    hoe de term “gebruikt” uit het douanewetboek moet worden geïnterpreteerd.