Jurisprudentie

  • De Rechtbank Noord-Holland heeft op 27 mei 2019 in het geschil in de zaken HAA 14/216
    en 14/218 geoordeeld over de rechtmatigheid van de Uitvoeringsverordeningen 2016/1647
    en 2016/1731 en, in het geval deze verordeningen geldig zijn, of sprake is van een
    schending van de termijn van 3 jaar waarbinnen de mededeling met betrekking tot de
    verschuldigdheid van antidumpingrechten moet zijn gedaan. Eiseres heeft geen gronden
    aangevoerd, die de geldigheid van de hiervoor vermelde Uitvoeringsverordeningen
    aantasten. Ook in de bewering van eiseres heeft dat de wederingestelde
    antidumpingrechten niet binnen de 3-jaarstermijn van 221, derde lid, van het CDW zijn
    medegedeeld, hetgeen volgens eiseres moet leiden tot terugbetaling van de reeds
    voldane antidumpingrechten, wordt niet door de rechtbank gevolgd. De beroepen worden
    ongegrond verklaard.

  • In de zaak C-391/19 Unipack zijn prejudiciële vragen gesteld met betrekking tot een
    geschil in hoeverre aan de voorwaarden van artikel 172(2) van gedelegeerde
    verordening (EU) 2015/2446 voor de terugwerkende kracht van de vergunning voor het
    gebruik van de regeling bijzondere bestemming is voldaan. De procedure is ingeleid na
    een cassatieberoep van Unipack AD tegen de uitspraak van een Bulgaarse
    bestuursrechter en is in het bijzonder gericht tegen het onderdeel van die uitspraak
    waarbij het door de onderneming ingestelde beroep tegen de door de directeur van het
    douanekantoor Svishtov verleende vergunning nr. BG004300/40/000225 voor het gebruik
    van een andere bijzondere douaneregeling dan douanevervoer, in het bijzonder tegen
    punt 16.13 van de bijlage bij de vergunning, is verworpen. Uitgelegd moet worden of
    de wijziging van de tariefindeling van de door verzoekster tot cassatie ingevoerde
    producten en het daaruit voortvloeiende verstrijken van de geldigheid van de
    BTI-beschikking, de handelwijze van de douaneautoriteiten bij de aanvaarding van de
    op de BTI-beschikking berustende douaneaangiften en het gebruiksdoeleinde van de
    producten buitengewone omstandigheden vormen in de zin van de gedelegeerde
    verordening.

  • Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 21 mei 2019 uitspraak gedaan in de zaaknummers
    18/00357 tot en met 18/00360 betreffende de indeling in de GN indeling bandages. Het
    Hof oordeelt dat in het materiaal, de wijze van gebruik en (het ontbreken van)
    aanpasbaarheid aan specifieke handicaps van de producten geen aanwijzing wordt
    gevonden dat sprake is van orthopedische artikelen of toestellen in de zin van post
    90.21. De producten dienen ingedeeld te worden onder de posten 62.12 en 63.07.

  • In de zaak C-330/19 Exter heeft de Hoge Raad het Hof van Justitie de vraag gesteld in
    hoeverre artikel 121, lid 1, van het Communautair Douanewetboek meebrengt dat een
    preferentiële tariefmaatregel voor toepassing waarvan invoergoederen in aanmerking
    kwamen op het tijdstip van plaatsing onder de regeling actieve, veredeling met
    gebruikmaking van het systeem van schorsing, ook nog in aanmerking mag worden genomen
    bij de vaststelling van het bedrag van, de douane schuld die ontstaat bij het in het
    vrije verkeer brengen van die goederen, al of niet in ongewijzigde staat, indien
    diezelfde tariefmaatregel op de aanvaardingsdatum van de aangifte voor het, brengen
    in het vrije verkeer is geschorst

  • Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 21 mei 2019 uitspraak gedaan in de zaaknummers
    18/00102 tot en met 18/00105 met betrekking tot douanerechten, gevolgen vernietiging
    monsters en bewijslevering van de oorsprong van de knoflook.