Jurisprudentie

  • De Rechtbank Noord-Holland heeft op 17 januari 2019 in de zaak onder nr. HAA 16/3076
    geoordeeld dat de antidumpingrechten niet wettelijk verschuldigd zijn. Gelet op
    overweging 30 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 18
    januari 2017 in zaak C-365/15 (Wortmann KG Internationale Schuhproduktionen) heeft
    eiseres recht op vergoeding van wettelijke rente vanaf de datum van betaling van het
    antidumpingrecht.

  • De Hoge Raad heeft op 15 februari 2019 arrest gewezen in zaaknr. 18/00957 op het
    beroep in cassatie van [X] Ltd. te [Z], Verenigd Koninkrijk (hierna: belanghebbende)
    tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 30 januari 2018, nr. 15/00858
    (www.inenuitvoer.nl 2018-5077) betreffende een aan belanghebbende uitgereikte
    uitnodiging tot betaling van douanerechten.

  • De Hoge Raad heeft op 15 februari 2019 arrest gewezen in zaaknr. 18/00958 op het beroep in cassatie van [X] Ltd. te [Z], Verenigd Koninkrijk (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 30 januari 2018, nr. 15/00859 (Douanerechtspraak 2018/56, gerechtshof Amsterdam, 30 januari 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:421, betreffende een aan belanghebbende uitgereikte uitnodiging tot betaling van douanerechten. Betreft bewijs oorsprong van knoflookbollen gegrond op een rapport van een Amerikaans laboratorium, dat over het onderzoek geen volledige opening van zaken geeft; slagende motiveringsklachten tegen het oordeel van het Hof dat – met verwerping van door een deskundige aangevoerde bezwaren – de resultaten van het onderzoek betrouwbaar zijn; in verband met beginselen van behoorlijke rechtspleging na cassatie behandeling door andere rechters.

  • Hoge Raad heeft op 8 februari 2019 in zaaknr. 17/00303 prejudiciële vragen gesteld
    met betrekking tot antidumpingrechten op de invoer van ijzeren en stalen
    bevestigingsmiddelen van oorsprong uit China gelet op twijfel over geldigheid Vo.
    (EG) 91/2009.

  • Naar aanleiding van een Europees onderzoek om vast te stellen of EUR.1-certificaten voor de vanuit Jamaica ingevoerde kleding volgens de regels waren afgegeven, werd vastgesteld dat de goederen niet voor preferentiële behandeling in aanmerking kwamen, omdat deze met behulp van lappen stof uit China of Hongkong vervaardigd waren en dus niet van Jamaicaanse oorsprong waren. Op 7 februari 2019 heeft de AG het Hof van Justitie in de zaak C-589/17 onder meer geconcludeerd dat het gerechtvaardigd is om de invoerrechten achteraf te boeken en dat het niet gerechtvaardigd is die rechten kwijt te schelden in een specifiek geval.