Jurisprudentie

  • De advocaat-generaal (A-G) heeft op 29 juni 2018 geconcludeerd in de zaak onder nr.
    17/01695 dat uit de stukken van het geding volgt dat op dat moment aan alle
    voorwaarden voor toepassing van het preferentiële tarief is voldaan. Dit brengt
    volgens de A-G mee dat de Inspecteur gehouden was in het onderhavige geval het
    preferentiële tarief toe te passen. De A-G sluit zich dus aan bij de door de
    Rechtbank gebezigde gronden. Het cassatieberoep van de staatssecretaris van Financiën
    is in haar visie ongegron.

    .

  • In geschil is of de douanewaarde voor bepaalde vruchtensappen moet worden bepaald aan
    de hand van de transactiewaardemethode of aan de hand van de terugrekenmethode. De
    Rechtbank Noord-Holland heeft in zaaknummers HAA 16/1503 en HAA 16/1504 op 19 juli
    2018 geoordeeld dat de werkelijke economische waarde van de vruchtensappen ten tijde
    van de invoer niet kon worden vastgesteld op basis van de transactie tussen de
    betrokken ondernemingen.

  • Het Gerechtshof Amsterdam heeft in de zaken onder nrs. 16/00536 en 16/00537op 28 juni
    2018 uitspraak gedaan in het hoger beroep in de zaken met kenmerken HAA 13/4953 en
    13/4954 van de rechtbank Noord-Holland. Voor wat betreft de douanewaarde heeft het
    Hof geoordeeld dat het onbekend is wat de kwaliteit en de spreiding in
    transactiewaarden van de onderwerpelijke invoerzendingen is geweest. Het toepassen
    van genoemde gemiddelden is naar ’s Hofs oordeel in de gegeven omstandigheden
    alleszins redelijk, te meer nu de inspecteur zich in casu niet – zoals gebruikelijk –
    heeft beperkt tot CBS-gegevens, maar ook acht heeft geslagen op gemiddelden uit
    Nederlandse en Duitse invoersystemen en de waarden uit laatstgenoemde bronnen heeft
    toegepast indien dat voor belanghebbende een gunstiger resultaat opleverde dan de
    gegevens van het CBS. Het hoger beroep van belanghebbende faalt in zoverre. Met
    betrekking tot de oorsprong stelt het Hof dat de stukken van het geding niet tot een
    andere conclusie leiden dan dat er nimmer transacties hebben plaatsgevonden tussen de
    (vermeende) Bengaalse producenten enerzijds en [Y AB] en [A Ltd] anderzijds. Uit deze
    vaststelling volgt reeds dat de Form A’s niet kunnen dienen als bewijs van de
    preferentiële Bengaalse oorsprong.

  • De Rechtbank Noord-Holland heeft in de zaak 16/4149 op 4 juli 2018 geoordeeld dat bij
    de beoordeling of een strijkijzer en een strijkplankovertrek bij elkaar horen en
    bestemd zijn om in de kleinhandel als één geheel te worden verkocht, de goederen niet
    als stel of assortiment kunnen worden aangemerkt. Bij de beoordeling of goederen bij
    elkaar horen en bestemd zijn om in de kleinhandel als één geheel te worden verkocht,
    is van belang hoe ze in de kleinhandel normaliter worden aangeboden. Niet kan worden
    afgeleid dat alle goederen die aan de consument worden gepresenteerd als een geheel
    als een stel of assortiment moeten worden aangemerkt. Het gelijk is aan de
    inspecteur.

  • Het Hof van Justitie heeft op 25 juli 2018 in zaak C‑445/17 arrest gewezen
    betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing ter zake van de uitlegging van
    de tariefposten 87.03, 87.04 en 87.05van de gecombineerde nomenclatuur over de
    tariefindeling van een lijkwagen. Het Hof heeft daarover geoordeeld dat de GN aldus
    moet worden uitgelegd dat lijkwagens als aan de orde in het hoofdgeding moeten worden
    ingedeeld onder GN-post 87.03.